Brief regering : Fiche: Mededeling Europese Industriële Maritieme Strategie (EIMS)
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4307
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 april 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 5 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche – Verordening Industrial Accelerator Act (Kamerstuk 22 112, nr. 4306).
Fiche – Mededeling Europese Industriële Maritieme Strategie (EIMS).
Fiche – Mededeling Terrorismebestrijdingsagenda EU (Kamerstuk 22 112, nr. 4308).
Fiche – Richtlijn vuurwapensmokkel (Kamerstuk 22 112, nr. 4309).
Fiche – Roaming Westelijke Balkan (Kamerstuk 22 112, nr. 4310).
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Fiche: Mededeling Europese Industriële Maritieme Strategie (EIMS)
1. Algemene gegevens
a) Titel voorstel
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch
en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s over de Europese Industriële Maritieme
Strategie
b) Datum ontvangst Commissiedocument
maart 2026
c) Nr. Commissiedocument
COM(2026) 111
d) EUR-Lex
https://eur-lex.Europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A52026DC0111…
e) Nr. impact assessment Commissie en Opinie
N.v.t.
f) Behandelingstraject Raad
Transport, Energie en Telecomraad (Transportraad)
g) Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Economische Zaken en Klimaat in nauwe samenwerking met het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat
2. Essentie voorstel
Op 4 maart 2026 presenteerde de Europese Commissie (hierna: de Commissie) haar Europese
Industriële Maritieme Strategie (EIMS, hierna: de strategie). Aanleiding van de strategie
zijn de analyses in de Draghi1- en Niinistö2-rapporten, waarin wordt gewezen op de sterke (en soms oneerlijke) mondiale concurrentie,
de toenemende afhankelijkheid van bepaalde scheepsproductie en -financiering uit derde
landen, het strategisch inzetten van de maritieme sector door derde landen voor geopolitieke
doeleinden, de uitdagingen rond decarbonisatie en een (vergrijzende) beroepsbevolking
die bij- en omscholing vereist. De strategie beoogt de concurrentiekracht van de sector
te consolideren en te versterken, met name in hoogwaardige marktsegmenten waar Europa
momenteel een technologische voorsprong heeft. Ook focust de strategie op groeimarkten,
zoals onderwaterdrones en robotisering. Daarnaast richt zij zich op het behouden en
versterken van een strategische capaciteit in Europa, gezien het strategische belang
van de sector voor de Europese (economische) veiligheid, bescherming van kritieke
energie- en digitale infrastructuur op zee, autonomie, weerbaarheid, verdienvermogen
en decarbonisatie. De strategie is opgebouwd rond zes pijlers: drie thematische pijlers
(industrie, transport en veiligheid) en drie horizontale pijlers (innovatie, financiering
en vaardigheden). Naast de EIMS heeft de Commissie ook een EU-Havenstrategie gepubliceerd,
waarvoor een separaat BNC-fiche is opgesteld, en richt zij een overlegorgaan voor
maritieme industrie en havens op om de uitvoering van beide strategieën te bespreken
en marktontwikkelingen te monitoren.
Pijler één, Build, Equip & Repair, ziet toe op het versterken van de Europese scheepsbouw- en maritieme technologiesector.
De Commissie benadrukt het belang van het behoud van een kritische industriële capaciteit
in Europa voor scheepsbouw, maritieme technologie en onderhoud, mede vanwege de verwevenheid
tussen civiele en militaire toepassingen en de rol in de bescherming van kritieke
infrastructuur. Daartoe stelt de Commissie onder meer voor een EU Industrial Maritime Value Chains Alliance op te richten om samenwerking van belanghebbenden in de waardeketen te versterken
via prioritaire markten, businesscases te identificeren, informatie te delen, prioriteiten voor investeringen voor te stellen
en innovatie te stimuleren. Publieke aanbestedingen en EU-financiering zullen strategisch
ingezet worden om de vraag naar Europese maritieme producten te stimuleren, onder
meer via een gecoördineerde pijplijn van publieke aanbestedingen. Ook kondigt de Commissie
aan de EU-aanbestedingsrichtlijn te zullen aanpassen en hierin niet-prijsgerelateerde
criteria op te nemen voor strategische projecten, hoewel niet expliciet wordt vermeld
of dit ook voor de maritieme maakindustrie zal gebeuren. Wel stelt de Commissie bij
het ontwerp van veilingvoorwaarden voor strategische maritieme, hernieuwbare-energie-
of onderwaterprojecten te willen beoordelen welke externe afhankelijkheden bestaan
en in hoeverre er behoefte is aan niet-prijscriteria voor de aanbesteding van gespecialiseerde
vaartuigen. De Commissie kondigt ook aan opties te onderzoeken voor een nieuw sectorspecifiek
handelsinstrument, dan wel gerichte aanpassingen van het bestaande handelsinstrumentarium,
ter bescherming van strategisch relevante scheepsbouwsegmenten waar EU-werven te maken
hebben met oneerlijke concurrentie van buiten de EU. Tot slot wil de Commissie het
Hong Kong Convention on Ship Recycling beter afstemmen op de EU Ship Recycling Regulation.
Pijler twee, transport & connect, ziet toe op het versterken van de Europese maritieme transportsector als ruggengraat
van handel, energievoorziening en logistieke verbindingen. De Commissie wil EU-vlaggen
aantrekkelijker maken door voortzetting van state aid guidelines. Ook zal de Commissie bezien hoe het bestaande kader van monitoring, rapportage en
verificatie van het Europese emissiehandelssysteem (hierna: EU ETS) en Fuel EU Maritime kunnen worden gestroomlijnd en versimpeld. Eveneens wil de Commissie de invloed van
de EU als geheel in de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) intensiveren en
maximaliseren door bredere allianties met internationale partners aan te gaan. Hierbij
stelt de Commissie nieuwe wetgeving voor omtrent bilaterale maritieme handelsovereenkomsten.
Tot slot wil de Commissie binnenvaart verder ontwikkelen door een vervolg op het NAIADES
III-actieplan voor te stellen.
Pijler drie, Secure & Protect, ziet toe op het versterken van de Europese maritieme maakindustrie door in te zetten
op dual-use schepen, platformen en technologieën, gelet op de groeiende Europese defensie-
en veiligheidsbehoeftes in het maritieme domein. De Commissie roept op de verschillende
mogelijkheden onder het ReArm Europe Plan te verkennen ten behoeve van het opschalen van de marinebouw en technologische capabilities. De Commissie benoemt de bescherming van maritieme infrastructuur als aandachtspunt
en roept op om gebruik te maken van European Defence Industry Programme (EDIP) mogelijkheden rondom maritime domain awareness. De Commissie benadrukt het belang van militaire mobiliteit, inclusief de rol van
dual-use transportmogelijkheden. Hierbij wordt een dual-use ferry construction support mechanism voorgesteld om financiële middelen in te zetten voor investeringen die gekoppeld
zijn aan militaire specificaties voor dual-use veerboten die ingezet kunnen worden
op strategisch belangrijke routes. De Commissie zal daarbij samenwerken met het Europees
Defensieagentschap en de EU militaire staf om standaarden te ontwikkelen voor maritieme
dual-use transportmiddelen.
Pijler vier, access to innovation, richt zich op het versterken van het innovatievermogen van de Europese maritieme
sector. Concreet zet de Commissie in op het verfijnen van de methodologie voor het
berekenen van windenergie voor voortstuwing en het aanpakken van lacunes in de regelgeving
op EU- en IMO-niveau en werkt de Commissie aan een robuust beleidskader dat het gebruik
van nucleaire energie als voortstuwing in de commerciële scheepvaart mogelijk moet
maken. De Commissie zal waar nodig het EU-kader voor de interne markt actualiseren
om innovatie en de toepassing van schone technologie in specifieke segmenten van de
maritieme industrie te ondersteunen. Daartoe zal de Commissie een gerichte wijziging
van de verordening inzake emissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines
(NRMM) voorstellen, zodat waterstof als referentiebrandstof voor motoren van deze
machines in binnenschepen kan worden gebruikt.
Om de veilige inzet van autonome schepen te bevorderen, zal de Commissie zowel op
IMO- als op EU-niveau streven naar een regelgevend en technisch kader voor onbemande
scheepvaartoplossingen. Vooruitlopend op de grootschalige inzet van autonome schepen
zal de Commissie, ondersteund door EMSA, EU-richtlijnen en best practices voor aangewezen tests en proefvaarten op zee uitvaardigen, evenals risicobeoordelingen
om de implementatie in de lidstaten te ondersteunen en bij te dragen aan de technologische
leiderschapspositie van de EU. Tevens streeft de Commissie naar het versterken van
publiek-private samenwerking in het kader van het Horizon Europe kaderprogramma 2028–2034,
waarbij voor vervoer over water wordt voortgebouwd op de resultaten van Zero Emission Waterborne Transport Partnership (ZEWTP). De Commissie gaat voor vervoer over water de onderzoeks- en technologie-infrastructuur
in kaart brengen en beoordelen. Tot slot is de Commissie voornemens het Europese initiatief
voor oceaanobservatie OceanEye te lanceren.
Pijler vijf, access to finance & investment, ziet toe op het versterken van de steun voor watergebonden projecten. In dit verband
zal de Commissie de vernieuwing en decarbonisatie ondersteunen, met bijzondere aandacht
voor veerboten en kustvaartuigen, in het kader van de Connecting Europe Facility (CEF). De Commissie kondigt aan in 2027 een specifieke maritieme subsidieronde te
openen onder het Innovation Fund; het budget en de reikwijdte daarvan worden nog bepaald door de Commissie op basis
van het resterende fondsbudget en de ETS-prijs. Tevens overweegt de Commissie in het
kader van de komende herziening van het ETS een specifiek EU-mechanisme om scheepvaartmaatschappijen
rechtstreeks te ondersteunen met ETS-emissierechten voor het gebruik van duurzame
brandstoffen en schone voortstuwingstechnologieën. Tot slot wil de Commissie de criteria
van de EU-taxonomie voor duurzame financiering herzien om beter aan te sluiten bij
de specifieke behoeften, technologische realiteit en klimaattransitie van de sector.
Pijler zes, access to skills and quality jobs, ziet toe op het versterken van het menselijk kapitaal in de Europese maritieme sector.
De Commissie zal onderwijsinstellingen en sociale partners ondersteunen bij het in
kaart brengen van maritieme opleidingen, huidige en toekomstige vaardigheidstekorten
en bij het ontwikkelen van omscholings- en bijscholingsprogramma's.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein
Ongeveer 90% van de goederen en grondstoffen die Nederland nodig heeft, bereikt ons
land via zee. Daarnaast spelen onze waterwegen ook een cruciale rol in de export van
Nederland als handelsland. De maritieme sector is daarmee ook een strategische sector
voor Nederland die een belangrijke bijdrage levert aan de zes nationale vitale veiligheidsbelangen.3 Nederland onderscheidt zich in Europa door een compact en hightech maritiem ecosysteem,
dat zich kenmerkt door sterke systeemintegratie en hoogwaardige kennis. Deze wordt
toegepast in segmenten zoals veerponten, onderzoeksvaartuigen, offshore, binnenvaart,
jachtbouw, marine en SMRC-activiteiten (onderhoud, reparatie, retrofit en conversie),
waarbij de volledige maritieme waardeketen is vertegenwoordigd.4 Het kabinetsbeleid is gericht op het versterken van een concurrerende, innovatieve
en duurzame maritieme maakindustrie, waarbij de gehele maritieme waardeketen wordt
betrokken. Het kabinet zet daarbij in op strategische autonomie en de verdere ontwikkeling
van een technologisch hoogwaardige maritieme industrie in Europa, vanwege het belang
voor (economische) weerbaarheid, de energie- en klimaattransitie en maritieme veiligheid.
Dit nationaal integraal maritiem industriebeleid is vastgelegd in de Sectoragenda
Maritieme Maakindustrie: No guts, no Hollands glorie!.
5 De sectoragenda loopt in het najaar van 2026 af, terwijl de EIMS opnieuw het strategische
belang van de maritieme sector benadrukt en laat zien dat voortzetting van de nationale
inzet nodig is om de Nederlandse maakindustrie en daarmee Europa te versterken.
In EU-verband heeft Nederland samen met Duitsland gepleit voor de totstandkoming van
een Europese maritieme industriestrategie waarin het strategisch belang van de deze
sector wordt onderbouwd, die innovatie, digitalisering en verduurzaming van de maritieme
sector ondersteunt, en die bijdraagt aan een gelijk speelveld voor Europese bedrijven
en daarmee onze strategische autonomie vergroot. Nederland benadrukt daarbij het belang
van samenwerking binnen de Europese maritieme waardeketen, toegang tot financiering
voor innovatie en vergroening van de sector, en voldoende gekwalificeerd personeel
voor de digitale en groene transitie in de sector. Deze inzet komt onder meer tot
uitdrukking in het non-paper6 dat Nederland samen met Duitsland heeft opgesteld met het oog op de ontwikkeling
van de strategie en welke gesteund werd door zeven andere lidstaten.
b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet is positief over het voorstel, dat in het algemeen goed aansluit bij de
kabinetsinzet. De borging van strategische maritieme waardeketens, het behoud van
het ecosysteem én van kritische technologieën en knowhow zijn essentieel voor de Europese
strategische autonomie, (economische) veiligheid en geopolitieke slagkracht en worden
goed ondergebracht in het voorstel. In den brede constateert het kabinet dat de strategie
een sterke analyse geeft van het strategische belang van de Europese maritieme sector
voor het waarborgen van vitale Europese belangen, waarbij de maritieme sector tevens
wordt beschouwd als een belangrijke pilaar binnen het veiligheids- en defensiebeleid.
Tevens heeft het kabinet nog enkele vragen en punten waarop het meer ambitie wenst
te zien.
Met betrekking tot de eerste pijler, Build, Equip & Repair, verwelkomt het kabinet de oprichting van de EU Industrial Maritime Value Chains Alliance. Met de nationale Sectoragenda in de hand heeft het kabinet de mogelijkheid en uitgelezen
positie om hier een voortrekkersrol te pakken. Bovendien sluit dit goed aan bij de
Nederlandse oproep in haar non-paper om de gehele waardeketen te betrekken bij de
(uitvoering van) de strategie. Het kabinet denkt graag actief mee met de uitwerking
van de alliantie en heeft nog enkele vragen over de verhouding tussen deze alliantie
en andere initiatieven, de rol van lidstaten in de alliantie en de bevoegdheden van
de alliantie. Door de strategie heen worden veerboten vaak genoemd als strategische
schepen, het kabinet vraagt zich daarbij af waarom veerboten wel genoemd worden maar
bijvoorbeeld baggerschepen niet.
Het kabinet staat in het algemeen positief tegenover het voornemen van de Commissie
om ook niet-prijsgerelateerde criteria op te nemen in de aanbestedingsrichtlijn. Dit
sluit aan bij de in de eigen sectoragenda opgenomen actielijn ten aanzien van het
nadrukkelijker meenemen van het strategisch belang van de maritieme sector binnen
het inkoopbeleid van de overheid. Ook verwelkomt het kabinet het werken aan een gecoördineerde
pijplijn van publieke aanbestedingen, zodat efficiënter kan worden opgetrokken in
de creatie van vraag (mits het voldoende ruimte laat voor nationale strategische keuzes
in lijn met de aanbestedingsrichtlijn).
Het kabinet onderkent het strategisch belang van een sterke en technologisch leidende
Europese scheepsbouwsector, mede in het licht van de huidige geopolitieke ontwikkelingen.
Tegen deze achtergrond kijkt het kabinet in beginsel positief naar het voornemen van
de Commissie om de noodzaak en mogelijke opties voor een sectorspecifiek handelsinstrument
te onderzoeken. Daarbij is een zorgvuldig onderzoek en onderbouwing noodzakelijk en
dienen de opties in lijn te zijn met internationale verplichtingen, waaronder die
onder WTO en bestaande EU-handelsakkoorden. Daarbij dient in het bijzonder aandacht
te worden besteed aan de effecten op de gehele maritieme waardeketen en op Europese
bedrijven die opereren in mondiale toeleveringsketens. Gezien de specifieke kenmerken
van de scheepsbouwmarkt – waaronder lange doorlooptijden, maatwerkprojecten en complexe
internationale ketens – is het van belang dat eventuele maatregelen proportioneel
en doelgericht zijn, en van tijdelijke aard. Deze maatregelen zouden ook vooral een
stimulerend karakter moeten hebben in plaats van een gebiedend karakter. Parallel
hieraan acht het kabinet het versterken van het Europese vestigingsklimaat en interne
markt, de innovatiekracht van de sector en de ontwikkeling van de werf van de toekomst
essentieel voor het sneller, goedkoper, slimmer, duurzamer met minder mensen en minder
afhankelijkheden bouwen van strategische schepen in Europa. Daarom omarmt het kabinet
het aangekondigde koploperproject Shipyard of the future waar het kabinet haar nationale koploperproject op wil laten aansluiten.
Verder vraagt het kabinet zich af wat de Commissie gaat doen om het speelveld binnen
Europa te versterken, waarbij nadrukkelijk rekening wordt gehouden met de belangen
van de kleinere lidstaten. Het kabinet zal ook vragen of de Commissie een rol kan
spelen om lidstaten te faciliteren in het benutten van de ruimte binnen de Europese
regelgeving.
Het kabinet verwelkomt daarnaast de ambitie van de Commissie om het Verdrag van Hong
Kong beter te harmoniseren met de Scheepsrecyclingverordening. Daarbij is de verwachting
dat de Commissie vasthoudt aan de pragmatische invulling zoals die in de EU is vastgelegd
in de Scheepsrecyclingverordening in samenhang met de Verordening Overbrenging van
Afvalstoffen. Tot slot is het kabinet benieuwd op welke wijze de Commissie zich gaat
inzetten voor het behoud van strategische dokcapaciteit in Europa. Hieraan wordt weinig
aandacht besteed in de strategie, maar dit is wel essentieel voor verduurzaming en
de gegarandeerde inzet van strategische schepen.
Het kabinet is positief over het voortzetten van de state aid guidelines om EU-vlaggen aantrekkelijker te maken. Daarnaast steunt het kabinet dat de Commissie
zal bezien hoe de monitoring, rapportage en verificatie onder het EU ETS en FuelEU Maritime waar mogelijk kunnen worden vereenvoudigd. Het kabinet ondersteunt het doel van effectieve
mondiale klimaatmaatregelen via IMO en de expliciete steun voor het aannemen van het
IMO Net Zero Framework. Het kabinet onderschrijft dat de invloed van de EU als geheel
geïntensiveerd moet worden binnen de IMO. Hoe wetgeving over bilaterale maritieme
handelsovereenkomsten hierbij tot uitdrukking zal komen, zal het kabinet aan de Commissie
vragen.
Tot slot verwelkomt het kabinet een nieuw actieplan voor de binnenvaart als vervolg
op het NAIADES III-actieplan, mits gebaseerd op een grondige evaluatie van de resultaten
van het huidige actieplan.
Met betrekking tot pijler drie, Secure and Protect, staat het kabinet positief tegenover de oproep tot het versterken van Europese marinebouwcapaciteiten.
Nederland heeft een sterke maritieme maakindustrie, inclusief marinebouw en onbemenste
systemen, en zal zich inzetten om deze goed te positioneren binnen de genoemde EU-initiatieven.
Het kabinet onderschrijft de inzet op de bescherming van kritieke infrastructuur op
zee, ook gelet op initiatieven als Programma Bescherming Noordzee Infrastructuur.
Het kabinet kijkt met interesse naar de oproep om gebruik te maken van EDIP-mechanismes
en is geïnteresseerd in het onderzoeken van opties om een EDPCI op te zetten gericht
op Maritime Domain Awareness. Het kabinet steunt de link naar het militaire mobiliteitspakket en onderstreept de
noodzaak om capabilities, waaronder (maritiem) dual-use transport, te stimuleren. Het kabinet verwelkomt het
voorstel voor een dual-use ferry construction support mechanism. Nederland kan met een sterke maritieme maakindustrie profiteren van het aanjagen van
investeringen in de ontwikkeling van dual-use veerboten.
Met betrekking tot pijler vier, Access to Innovation, onderschrijft het kabinet de doelstelling van de Commissie om het innovatievermogen
van de Europese maritieme sector te vergroten. Het verfijnen van de methodologie van
het benutten van windenergie voor voortstuwing en het aanpakken van lacunes in de
regelgeving op EU- en IMO-niveau krijgen steun van het kabinet, evenals de inzet voor
een robuust beleidskader ten aanzien van maritieme nucleaire toepassingen (nucleaire
schepen en het gebruik van nucleaire energie op schepen zonder voortstuwing), mits
er geen lacunes ontstaan tussen de EU-regelgeving en de IMO- en IAEA-regelgeving die
momenteel in ontwikkeling is. De EU-regelgeving moet ingaan op de wederzijdse acceptatie
van in de EU vergunde reactoren door de EU, nucleaire corridors binnen de EU en de
mogelijkheid om op basis daarvan afspraken te maken met derde landen, zodat EU-gevlagde
nucleaire schepen hun havens mogen aandoen en, tot slot, drijvende kerncentrales (zonder
voortstuwing) (FNPP) die eventueel binnen de Unie gesleept kunnen worden, naar analogie
met drijvende productie- en opslag- en overslaginstallatie voor olie (FPSO’s). Hierbij
moet worden ingezet op mondiale regelgeving in de IMO en de IAEA. Dit sluit naadloos
aan bij de koploperprojecten Nucleaire voortstuwing en robotisering wind op zee uit
de nationale sectoragenda.
Het kabinet is het eens met de gerichte wijziging van de NRMM-verordening inzake emissiegrenswaarden
voor onder meer binnenvaartschepen, om waterstof toe te staan als referentiebrandstof
voor motoren. Het kabinet ziet hierbij ook graag een wijziging om tevens methanol
als referentiebrandstof toe te staan. Het voorstel van de Commissie om op EU-niveau
te streven naar een regelgevend en technisch kader voor onbemande scheepvaartoplossingen
krijgt geen steun van het kabinet. Wel is er steun voor EU-richtsnoeren en beste praktijken
voor aangewezen tests en proeven op zee zolang er geen dwingende regelgeving komt.
Het regelgevende en technische kader voor Maritime Autonomous Surface Ships (MASS) zoals deze is ontwikkeld door IMO wordt als afdoende gezien. Hiermee wordt
het gelijke speelveld geborgd.
Het kabinet spreekt steun uit voor de voorziene inzet onder het Horizon Europe programma
waarin wordt voortgebouwd op het ZEWT-partnerschap. Het kabinet verwelkomt de EU Ocean R&I Strategy en European Strategy on Research and Technology Infrastructures. Een aandachtspunt hierbij is of er ook financiële middelen voor worden vrijgemaakt.
Tot slot verwelkomt het kabinet het Europese initiatief voor oceaanobservatie OceanEye, maar het definitieve oordeel hangt af van de invulling van dit initiatief, die op
dit moment nog onbekend is.
Met betrekking tot pijler vijf, access to finance and investment, verwelkomt het kabinet de door de Commissie aangekondigde steun voor vernieuwing
en decarbonisatie in de maritieme sector via het EU-financieringsinstrument CEF. De
inzet van het kabinet is gericht op internationale afspraken over maatregelen voor
normeren en beprijzen. Aanvullend zijn en worden er nationaal instrumenten ontwikkeld
om de zeevaart- en binnenvaartsector te ondersteunen bij de energietransitie. Zo heeft
Nederland vanuit het Klimaatfonds en het Nationaal Groeifonds middelen beschikbaar
gesteld voor de ontwikkeling, demonstratie en opschaling van duurzame, alternatieve
aandrijflijnen aan boord van schepen. Deze ondersteuning heeft een aanjagende werking
voor de opschaling van duurzame energiedragers.
Het kabinet zal het voorstel voor een EU-mechanisme om reders te ondersteunen middels
ETS-rechten beoordelen in het kader van de herziening van de ETS-richtlijn die later
dit jaar volgt. Het kabinet steunt de herziening van de criteria van de EU-taxonomie
voor duurzame financiering om beter aan te sluiten bij de specifieke behoeften, technologische
realiteit en klimaattransitie van de sector. Tot slot is nog onduidelijk welke rol
de Commissie wil spelen bij het toegankelijker maken van financiering voor reders
en scheepsbouwers, met name ten aanzien van werkkapitaal en garantielijnen.
Tot slot, met betrekking tot pijler zes, Access to skills and quality jobs, verwelkomt het kabinet de steun van de Commissie voor het in kaart brengen van vaardigheidstekorten
en totstandkoming van omscholings- en bijscholingsprogramma's. Het kabinet zet zich
actief in om de ontwikkeling van zeevarenden aan te laten sluiten bij de technologische
veranderingen in de sector, zoals digitalisering, automatisering en gebruik van alternatieve
brandstoffen. Om maritieme loopbanen aantrekkelijk te maken en mobiliteit in de sector
te vergroten, verwelkomt het kabinet dat de Commissie maritieme opleidingen in de
EU in kaart zal brengen.
Ten aanzien van de governance steunt het kabinet de oprichting van een High-Level Maritime Industry & Ports Board en ziet het daarbij ook een rol voor Nederland. Het kabinet denkt graag mee over
de nadere uitwerking en acht het van belang dat lidstaten hierbij nauw worden betrokken.
c) Eerste inschatting van krachtenveld
Op het moment van schrijven hebben lidstaten formeel nog geen posities ingenomen.
Wel is de meerderheid van lidstaten vooralsnog overwegend positief over de strategie.
Zij geven aan de inspanningen van de Commissie te verwelkomen om de concurrentiekracht
en veerkracht in de maritieme sector te versterken, onder meer via vereenvoudiging
en harmonisering van administratieve lasten, het aantrekkelijker maken van EU-vlaggen,
het verbeteren van het veiligheidsniveau van scheepvaart, het versnellen van decarbonisatie,
het bevorderen van scheepsrecycling en het laten aansluiten van vaardigheden op technologische
ontwikkelingen. Tegelijkertijd vragen meerdere lidstaten aandacht voor de verdere
uitwerking van een aantal zaken, waaronder dual-use ferry’s, herziening en oormerken
van ETS-middelen, benoeming van het IMO Net-Zero Framework (NZF), afstemming tussen EU ETS en FuelEU Maritime, het complexe financieringslandschap en het uitstellen van een regelgevend kader
voor autonome schepen. Over de algemene positie van het Europees Parlement is nog
niets bekend. De fractie van Renew Europe in het Europees Parlement heeft op 3 maart
2026 een position paper uitgebracht over de positie van havens en de maritieme industrie.7 Deze positie sluit aan op het standpunt van het kabinet zoals neergelegd in dit BNC-fiche.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a) Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet over de bevoegdheid is positief. De mededeling heeft
betrekking op vervoer, interne markt, milieu, veiligheid, energie en industrie. Op
het terrein van de interne markt, veiligheid, milieu, vervoer en energie is sprake
van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten (artikel 4, lid 2, sub a,
sub e, sub g, sub i en sub j van het VWEU). Op het terrein van industrie is sprake
van een ondersteunende, coördinerende of aanvullende bevoegdheid (artikel 6, sub b,
VWEU).
b) Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet over de subsidiariteit is positief, met een kanttekening.
De mededeling heeft tot doel de concurrentiekracht van de sector te consolideren en
te versterken, met name in hoogwaardige marktsegmenten waar Europa momenteel een technologische
voorsprong heeft. Daarnaast richt zij zich op het behouden en versterken van een strategische
capaciteit in Europa, gezien het strategische belang van de sector voor de Europese
(economische) veiligheid, bescherming van kritieke energie- en digitale infrastructuur
op zee, autonomie, weerbaarheid, verdienvermogen en decarbonisatie. Gezien de geopolitieke
uitdagingen en het grensoverschrijdende karakter van de maritieme sector kan dit onvoldoende
door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau worden verwezenlijkt. Daarom
is een EU-aanpak nodig. Door de maatregelen op de genoemde onderwerpen op Europees
niveau in te richten wordt het gelijk speelveld op het gebied van de maritieme maakindustrie
en scheepvaart gewaarborgd. Om die reden is optreden op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
De kanttekening betreft het voorstel van de Commissie om op EU niveau te streven naar
een regelgevend en technisch kader voor onbemande scheepvaartoplossingen. Het voorstel
van de Commissie om op EU-niveau te streven naar een regelgevend en technisch kader
voor onbemande scheepvaartoplossingen krijgt geen steun van het kabinet. Het regelgevende
en technische kader voor Maritime Autonomous Surface Ships (MASS) zoals deze is ontwikkeld door IMO wordt als afdoende gezien. Daarom is EU
optreden t.a.v. dit deel van de mededeling niet gerechtvaardigd. Bij de onderhandelingen
over het voorstel en de beoordeling van voortvloeiende handelingen van de Commissie
zal het kabinet erop toezien dat de subsidiariteit voldoende gewaarborgd wordt.
c) Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel de concurrentiekracht
van de sector te consolideren en te versterken, met name in hoogwaardige marktsegmenten
waar Europa momenteel een technologische voorsprong heeft. Daarnaast richt zij zich
op het behouden en versterken van een strategische capaciteit in Europa, gezien het
strategische belang van de sector voor de Europese (economische) veiligheid, bescherming
van kritieke energie- en digitale infrastructuur op zee, autonomie, weerbaarheid,
verdienvermogen en decarbonisatie. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling
te bereiken, omdat de strategie met voorstellen komt om zowel het concurrentievermogen
van de Unie als een strategische capaciteit te versterken bijvoorbeeld door samenwerking
in de unie te verbeteren in een alliantie, pijplijn van aanbestedingen, te onderzoeken
of niet-prijscriteria meegenomen dienen te worden in aanbestedingen en te onderzoeken
of er sprake is van marktverstoring vanuit derde landen. Bovendien gaat het voorgestelde
optreden niet verder dan noodzakelijk, omdat de mededeling voornamelijk richtinggevend
van aard is en de concrete uitwerking van maatregelen in latere voorstellen plaatsvindt,
waarbij voldoende ruimte blijft voor nationale afwegingen.
d) Financiële gevolgen
Via InvestEU, een investeringsprogramma om publieke middelen te gebruiken als garantie
voor risicovollere investeringen, verwacht de Commissie tegen 2027 circa € 1 tot € 1,5
miljard aan investeringen in de maritieme sector te mobiliseren. Daarvan zal ongeveer
een derde in de periode 2026–2027 tot stand komen, onder meer voor vlootvernieuwing
en het retrofitten van schepen in verschillende ontwikkelingsfasen. Onder Horizon Europe zal de Commissie tot en met 2027 nog € 184,5 miljoen toewijzen voor de financiering
van onderzoeks- en innovatieactiviteiten op het gebied van maritiem transport. Voor
maritiem defensieonderzoek en -innovatie zal € 130 miljoen beschikbaar zijn via oproepen
binnen het European Defence Fund, onder meer voor geavanceerde semi-autonome oppervlaktevaartuigen en de bescherming
van infrastructuur op de zeebodem. Om bij te dragen aan decarbonisatie van de maritieme
sector, moedigt de Commissie de lidstaten aan om een deel van de ETS-opbrengsten toe
te wijzen aan investeringen in klimaatregelingen. De Commissie heeft via het Innovation Fund tot 2030 circa 20 miljoen ETS-emissierechten (ongeveer € 1,5 miljard) toegezegd voor
innovatie en emissiereductie in de maritieme sector, waaronder havens en scheepsbouw.
Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden dienen te worden binnen
de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting 2021–2027 en dat deze
moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting. Het kabinet wil
niet vooruitlopen op de integrale afweging van middelen na 2027. Het kabinet zal de
Commissie vragen om verduidelijking over de financiële gevolgen van de toekomstige
voorstellen.
e) Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
Het voorstel zelf legt geen bindende verplichtingen op aan bedrijven en leidt daarom
niet onmiddellijk tot additionele administratieve verplichtingen. Tegelijk bevat de
strategie duidelijke elementen die juist op vermindering van regeldruk zijn gericht.
Dat geldt met name voor het voornemen om het monitoring-, rapportage- en verificatiekader
(MRV) van EU ETS en FuelEU Maritime te stroomlijnen, en voor het volledig implementeren van de European Maritime Single Window environment (EMSWe). Als dit goed wordt vormgegeven, kan dit dubbelingen in rapportageverplichtingen
verminderen, de gegevensaanlevering uniformeren en administratieve handelingen bij
havenaanlopen beperken. Ook de aangekondigde inzet op vereenvoudiging van procedures
en betere toegang tot EU-financiering kan lasten verlagen, met name voor bedrijven
die nu veel uitvoeringslasten ervaren bij subsidie- en financieringsaanvragen. Daar
staat tegenover dat meerdere aangekondigde maatregelen mogelijk juist tot extra administratieve
lasten voor bedrijven kunnen gaan leiden (bijv. de herziening van de aanbestedingsrichtlijn
of een mogelijk sectorspecifiek handelsinstrument of aanpassingen van het handelsinstrumentarium).
Dit zal moeten blijken uit de uiteindelijke voorstellen.
Het voorstel zet in op het versterken van het Europese concurrentievermogen door in
te zetten op strategische waardeketens, innovatie, digitalisering, verduurzaming en
betere toegang tot financiering. Dit biedt marktkansen voor Europese bedrijven, met
name in hoogwaardige maritieme segmenten waarin Europa sterk is, zoals gespecialiseerde
scheepsbouw, offshore, onderhoud, dual-use toepassingen en schone voortstuwingstechnologie.
Ook kunnen een sterkere publiek-private samenwerking, gerichte EU-financiering en
een gecoördineerde aanbestedingspijplijn bijdragen aan meer schaal, investeringszekerheid
en een sterker Europees maritiem ecosysteem. Tegelijk hangt het uiteindelijke effect
af van de concrete uitwerking van aangekondigde maatregelen, zoals niet-prijscriteria
in aanbestedingen en een mogelijk sectorspecifiek handelsinstrument. Het kabinet acht
het van belang dat deze maatregelen bijdragen aan een eerlijker internationaal speelveld
en het Europese verdienvermogen versterken, zonder onnodige lasten voor bedrijven
te veroorzaken.
De mededeling heeft duidelijke geopolitieke relevantie en draagt bij aan het versterken
van de open strategische autonomie en weerbaarheid van de Europese Unie en Nederland,
onder meer door het verminderen van ongewenste afhankelijkheden van derde landen op
het gebied van scheepsbouw, militaire mobiliteit, maritieme technologie en financiering,
en door het borgen van kritieke maritieme capaciteit en kennis. Het is nog moeilijk
in te schatten of de aangekondigde maatregelen gevolgen kunnen hebben voor spelers
in derde landen. Hierbij zal het kabinet altijd aangeven dat het van belang is dat
maatregelen proportioneel blijven en in lijn zijn met internationale verplichtingen.
Tegelijk versterkt de strategie het mondiale optreden onder meer door een grotere
rol in de IMO en het mede vormgeven van mondiale normen op het gebied van veiligheid,
verduurzaming en technologie. De strategie raakt daarmee bredere geopolitieke belangen,
waaronder duurzaamheid en economische veiligheid en draagt bij aan het vermogen van
de EU om als geopolitieke speler haar publieke belangen te borgen in een sterk concurrerende
internationale context.
Ondertekenaars
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken