Brief regering : Beleidsreactie Monitor Seksueel Geweld tegen kinderen 2020-2024
31 015 Kindermishandeling
34 843
Seksuele intimidatie en geweld
Nr. 306
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN
SPORT EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 april 2026
Hierbij sturen wij uw Kamer, mede namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
(OCW) en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (JenV) onze beleidsreactie
op de Monitor seksueel geweld tegen kinderen 2020–2024. We zijn de Nationaal Rapporteur
mensenhandel en seksueel geweld tegen kinderen (hierna: de Nationaal Rapporteur) erkentelijk
voor de zorgvuldige wijze waarop zij heeft gesignaleerd wat er al goed gaat en waar
volgens haar nog stappen te zetten zijn in de aanpak van seksueel geweld tegen kinderen.
Hieronder geven wij eerst een algemene reactie op de monitor. Daarna wordt per aanbeveling
een reactie gegeven vanuit het verantwoordelijke departement.
Bevindingen en algemene reactie
Uit de monitor blijkt de verontrustende schaal waarop seksueel misbruik van kinderen
in Nederland voorkomt. Seksueel geweld tegen kinderen is een ernstige schending van
hun veiligheid en integriteit, met vaak langdurige gevolgen voor de kinderen en hun
omgeving. Dat is onacceptabel.
De politie ontving in de periode 2020–2024 ruim 17.000 meldingen van seksueel geweld
tegen kinderen. De meeste meldingen betreffen fysiek seksueel misbruik van kinderen.
Daarnaast werden er in 2024 ruim 70.000 meldingen van beeldmateriaal van seksueel
kindermisbruik gedaan bij het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme (TBKK)
van de politie. Het overgrote deel van de meldingen betreft al eerder gezien materiaal.
Zorgwekkend is de toename van minderjarigen die onder dwang of misleiding beeldmateriaal
maken en delen. Net als tijdens de vorige verslagperiode (2018–2022) zijn slachtoffers
overwegend vrouw en gemiddeld 12 jaar oud; 15 jaar komt het vaakst voor (14%). 23%
van de verdachten bij het Openbaar Ministerie (OM) is minderjarig. Het aantal meldingen
bij Veilig Thuis blijft redelijk stabiel in deze periode, met een lichte daling in
2024. Bij het Centrum Seksueel Geweld stijgt het aantal meldingen kort na het plaatsvinden
van seksueel misbruik (<7 dagen), al is er in 2024 sprake van een stabilisering of
lichte daling ten opzichte van 2023. Veel jongeren melden seksueel misbruik niet.
Vaak is de pleger van seksueel misbruik een bekende. Ondanks dat veel jongeren seksueel
misbruik niet melden, nemen meldingen, aangiftes, vervolgingen en veroordelingen toe.
De Nationaal Rapporteur vraagt aandacht voor het feit dat 60% van het seksueel geweld
tegen kinderen, net als in de vorige monitor, in een woning plaatsvindt. Dit maakt
het voor het kind nóg moeilijker om erover te vertellen, omdat de pleger dan vaak
iemand is uit de directe en vertrouwde omgeving. Dat het aantal meldingen bij politie,
hulpverlening en meldpunten desondanks stijgt, betekent volgens de Nationaal Rapporteur
dat slachtoffers hen weten te vinden en hulp kunnen krijgen. De groeiende maatschappelijke
aandacht, in combinatie met de gezamenlijke inspanningen van overheid en maatschappelijke
organisaties om bewustwording te bevorderen, lijkt effect te hebben. Dat zien we als
een positieve ontwikkeling. Denk hierbij aan campagnes zoals #durftezien (CSA-2023),
de campagne over de Wet seksuele misdrijven (Wsm) en het project «Seksuele opvoeding
door ouders», met als doel om opvoeders bewust te maken van hun cruciale rol in de
seksuele ontwikkeling van hun kind en om hen hierbij handelingsperspectief en tools
en vaardigheden te bieden. Daarnaast wordt bijvoorbeeld in het Toekomstscenario kind
en gezinsbescherming toegewerkt naar meer eenduidige werkwijzen in de aanpak van huiselijk
geweld en kindermishandeling. Samen met proeftuinen en betrokken organisaties wordt
een handelingskader ontwikkeld. Dit kader geeft richting aan de noodzakelijke veranderingen
die professionals houvast en ruimte bieden om te doen wat nodig is voor een gezin
of huishouden.
De Nationaal Rapporteur wijst er ook op dat de online wereld voor jongeren naast een
bron van verbinding en plezier, steeds vaker ook een bron van onveiligheid is.
Het kabinet deelt deze zorgen. Zoals de Nationaal Rapporteur constateert, zijn er
in de aanpak van online seksueel geweld tegen kinderen reeds belangrijke stappen gezet,
met onder andere de Wsm, het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel grensoverschrijdend
gedrag en seksueel geweld (NAP), investeringen in politiecapaciteit, structurele ondersteuning
van Offlimits, de inzet van de Autoriteit online Terroristisch en Kinderpornografisch
Materiaal (ATKM) en hulpverlening, via onder meer de hulplijn van Offlimits en Slachtofferhulp
Nederland. Dit kabinet blijft, samen met maatschappelijke partners en bedrijven, inzetten
op een integrale aanpak waarin aandacht is voor zowel een online veilige wereld als
het bijstaan van slachtoffers.
Zoals de Nationaal Rapporteur al aangaf in de monitor, zijn er belangrijke stappen
gezet om meer aandacht voor thema’s als seksualiteit en seksuele weerbaarheid te verankeren
in het wettelijk verplicht curriculum voor het primair en voortgezet onderwijs. Dit
is belangrijk, ook gezien de aanzienlijke grote groep jonge verdachten van seksueel
kindermisbruik. Het herziene curriculum maakt dat de nieuwe generatie meer leert over
deze thema’s en daarin kennis en vaardigheden opdoet die bijdragen aan meer weerbaarheid
tegen grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld.
Ondanks deze maatregelen is het belangrijk telkens stappen te blijven zetten in de
aanpak van seksueel geweld tegen kinderen. De aanpak van deze verwerpelijke vorm van
criminaliteit heeft de volle aandacht van het kabinet en van alle (maatschappelijke)
organisaties waarmee we samen in deze strijd optrekken.
Momenteel wordt bezien hoe de aanpak van seksueel geweld (tegen kinderen) verder versterkt
kan worden, mede in het licht van de voorgenomen Nationaal Coördinator Geweld tegen
Vrouwen en Huiselijk Geweld en de overige in het coalitieakkoord genoemde maatregelen.
Reactie op aanbevelingen
Aanbeveling 1
De Nationaal Rapporteur beveelt de demissionair Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap aan de Stichting Leerplan Ontwikkeling en veldpartijen de opdracht te
geven om online seksueel grensoverschrijdend gedrag explicieter aandacht te geven
in de kerndoelen en in de uitwerking daarvan in de bijbehorende leerlijnen voor het
primair onderwijs en de onderbouw van het voortgezet onderwijs.
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie deelt het belang van goede relationele
en seksuele vorming, passend bij de leeftijd van kinderen.
Met de herziene kerndoelen gaan álle leerlingen meer leren over thema’s zoals grenzen
aangeven en moeten álle scholen zich inspannen om een veilige sociale omgang te stimuleren,
evenals weerbaarheid en respectvolle omgang met seksualiteit.
De herziene kerndoelen zijn zo opgesteld dat aan kinderen en jongeren in den brede
kennis en vaardigheden wordt meegegeven die zij nodig hebben in het kader van weerbaarheid,
waaronder in relatie tot online seksueel grensoverschrijdend gedrag. Op dit moment
worden de herziene kerndoelen verder uitgewerkt in leerlijnen. Binnen de leerlijnen
worden de thema’s seksuele weerbaarheid en relationele en seksuele vorming nader uitgewerkt.
Scholen worden ondersteund om de nieuwe kerndoelen goed te vertalen naar onderwijs
in de klas.
Er wordt een loket bij Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) ingericht om signalen
van hiaten in het curriculum mee te nemen in toekomstige wijzigingen. De aanbevelingen
van de Nationaal Rapporteur, evenals verplichtingen die volgen uit Europese regelgeving
en internationale verdragen, vormen een signaal dat bij toekomstige curriculumwijzigingen
wordt meegenomen.
Aanbeveling 2
De Nationaal Rapporteur beveelt de demissionair Staatssecretaris en de demissionair
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan om budget beschikbaar te stellen
voor de (door)ontwikkeling van goed onderbouwd lesmateriaal en het bijscholen van
leerkrachten op het gebied van online seksueel grensoverschrijdend gedrag, zodat scholen
in staat worden gesteld om kwalitatief goede invulling te geven aan de kerndoelen
aan de hand van bewezen effectieve methoden.
De kwaliteit van educatief aanbod wordt beter gewaarborgd in het gehele onderwijsstelsel.
Met een kwaliteitsalliantie en een kwaliteitskader voor leermiddelen, gebaseerd op
wetenschappelijke inzichten, worden scholen ondersteund in het effectief gebruik van
educatief aanbod. Deze ontwikkelingen dragen ook bij aan de kwaliteit van onderwijs
over relaties en seksualiteit.
Daarnaast worden leraren ondersteund om goed les te kunnen geven over de nieuwe kerndoelen.
Bovendien wordt de kennisbasis voor de lerarenopleiding aangepast om ook startende
leraren op te leiden om uitvoering te geven aan de nieuwe kerndoelen.
Met bovengenoemde initiatieven wordt gehandeld in lijn met de aanbeveling om kwalitatief
goed educatief aanbod waarborgen.
Het kabinet zet verder in op het ontwikkelen van handvatten en het aanbieden van informatie
aan ouders, kinderen en onderwijsprofessionals specifiek over online seksueel misbruik.
De Wegwijzer Seksualiteit online is geactualiseerd en verspreid in het primair-, voortgezet
en beroepsonderwijs. Deze Wegwijzer biedt adviezen, stappenplannen en meldpunten voor
(preventie van) online seksueel grensoverschrijdend gedrag onder jongeren biedt, (ondersteund
door de Ministeries van OCW en JenV).1
Aanbeveling 3
De Nationaal Rapporteur beveelt de demissionair Staatssecretaris en de demissionair
Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan om ervoor te zorgen de relationele
en seksuele vorming ook goed geborgd is voor de bovenbouw van het voortgezet onderwijs
en het middelbaar beroepsonderwijs.
De thema’s seksuele weerbaarheid en relationele en seksuele vorming hebben reeds een
expliciete plek in de examenprogramma’s gekregen, namelijk bij het voor alle leerlingen
verplichte vak maatschappijleer en bij het keuzevak biologie.
Binnen het burgerschapsonderwijs in het mbo is ruimte voor relationele en seksuele
vorming, inclusief aandacht voor het voorkomen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
Deze duiding zal tevens worden opgenomen in de toelichting op de voorgenomen wijziging
van het Examen- en kwalificatiebesluit WEB, waarmee, tegelijk met het wetsvoorstel
Uitwerking burgerschapsopdracht WEB,2 nieuwe, verduidelijkte kwalificatie-eisen voor burgerschap zullen worden vastgesteld.
Ook in het mbo geldt dat burgerschap een basisvaardigheid is, waarmee door het Ministerie
van OCW een solide basis wordt gelegd voor scholen om onder andere via burgerschap
te werken aan preventie diverse vormen van geweld, waaronder seksueel geweld.
Aanbeveling 4
De Nationaal Rapporteur beveelt de demissionair Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
aan in zaken van seksueel geweld tegen kinderen waar gedragskundige aspecten aan de
orde zijn, altijd een pro Justitia-rapportage te laten opstellen, op basis van een
voor die casus passende vraagstelling.
De Staatssecretaris van JenV deelt de toegevoegde waarde van pro Justitia-rapportages
in zaken van seksueel geweld tegen kinderen waarin gedragsdeskundige aspecten aan
de orde zijn.
In veruit de meeste van deze situaties vraagt het Openbaar Ministerie nu al, in lijn
met de aanbeveling van de Nationaal Rapporteur en in overleg met het Nederlands Instituut
voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), een gedragsdeskundig onderzoek
aan. Slechts in uitzonderlijke casuïstische gevallen kan er een reden zijn om dit
niet te doen. Bijvoorbeeld als recentelijk al een pro Justitia-onderzoek heeft plaatsgevonden,
als het delict door een recidiverende tbs-patiënt plaatsvindt die nog in behandeling
is van een tbs-kliniek en als een verdachte weigert mee te werken en het delict niet
zwaarwegend genoeg geacht wordt voor een klinische observatie in het Pieter Baan Centrum.
Het is aan het Openbaar Ministerie om afhankelijk van de zaak te bepalen of een pro
Justitia-rapportage een toegevoegde waarde heeft.
De aanbeveling om standaard een pro Justitia-rapportage op te vragen wordt daarom
niet opgevolgd.
In algemene zin kent Nederland een schaarste aan personeel in de geestelijke gezondheidszorg,
waaronder psychologen en psychiaters. Deze krapte raakt ook het NIFP dat geruime tijd
moeite heeft om te voldoen aan de vraag naar pro Justitia-rapportages en deze tijdig
op te leveren. De Staatssecretaris van JenV treft diverse maatregelen om deze problematiek
het hoofd te bieden. De meest recente is de verhoging van de vergoedingen voor pro
Justitia-rapporteurs vanaf 2026. Tevens verkent de Staatssecretaris vanwege deze problematiek
of het wenselijk is wetgeving aan te passen, zodat de capaciteit van het NIFP gerichter
kan worden ingezet. Daarnaast vormt een zorgvuldige en scherpe afweging van de noodzaak
van gedragskundige rapportages een belangrijk instrument om aan de voorkant grip te
krijgen op het tekort en verdere vertraging in de strafrechtketen te voorkomen. Deze
afweging vindt plaats in het triage-overleg tussen het NIFP, het Openbaar Ministerie
en de reclassering.
Aanbeveling 5
De Nationaal Rapporteur beveelt de demissionair Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
en de demissionair Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan om te
voorzien in centrale coördinatie en duurzame aansturing van de aanpak van seksueel
geweld (tegen kinderen) waarin de rollen en verantwoordelijkheden van betrokken partijen
duidelijk zijn omschreven en de centrale overheid de nodige (financiële) randvoorwaarden
en kaders biedt voor de uitvoering van de aanpak op regionaal en lokaal niveau.
Het kabinet onderschrijft de aanbeveling van centrale coördinatie en duurzame aansturing
van de aanpak van seksueel geweld (tegen kinderen) en beschouwt deze als bevestiging
van het reeds ingezette beleid. Het kabinet is verder positief over de erkenning van
de verschillende trajecten en initiatieven waarmee de afgelopen tijd is ingezet op
het versterken van de aanpak van seksueel geweld (tegen kinderen). De Nationaal Rapporteur
noemt in dit verband onder meer het traject Goed georganiseerd Landschap van Hulp-,
Meld- en Steunpunten, de invoering van de Wsm, de acties van het Actieplan versterken
ketenaanpak zedenzaken, met als doel het verkorten van doorlooptijden en het streven
om zedenzaken betekenisvoller af te doen, en de pilot Actieve doorverwijzing slachtofferadvocatuur.
Ook het NAP wordt in deze context als belangrijke aanpak genoemd.
Tegelijkertijd benadrukt de Nationaal Rapporteur het belang van centrale coördinatie
en duurzame aansturing om te voorkomen dat initiatieven elkaar overlappen of tegenwerken,
dat geld onnodig wordt uitgegeven en dat een pilot eindigt zonder duurzame opvolging.
Momenteel worden de resultaten van het Actieplan Versterking ketenaanpak zedenzaken,
die eind 2025 is afgerond, geborgd. Zoals toegelicht in de Voortgangsbrief aanpak
seksuele misdrijven van 16 maart 2026, wordt de met het actieplan opgebouwde structuur
en samenwerking ook in 2026 voortgezet.3 De betrokken organisaties blijven nauw samenwerken en komen regelmatig bijeen om
de ontwikkelingen te volgen, hier waar nodig snel op in te spelen en de behaalde resultaten
te waarborgen. Voor de nog lopende trajecten, zoals het traject Goed georganiseerd
Landschap van Hulp-, Meld- en Steunpunten en de pilot Actieve doorverwijzing slachtofferadvocatuur
wordt zoveel mogelijk gezorgd dat deze trajecten elkaar niet doorkruisen en dat beslissingen
in het ene traject geen (financiële) impact hebben op het andere traject.4
De ontwikkelingen op het terrein van seksueel geweld (tegen kinderen) kunnen niet
los worden gezien van bredere maatschappelijke ontwikkelingen op het terrein van geweld
tegen vrouwen en huiselijk geweld en kindermishandeling. In de Kamerbrief van 18 december
2025 over de voortgang in de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling wordt
toegelicht dat het kabinet het belang erkent van versterkte coördinatie en samenhangend
beleid om geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling beter te kunnen
voorkomen en slagvaardiger te kunnen bestrijden.5
Het kabinet zet in op het versterken van de coördinatie door het zo snel mogelijk
aanstellen van een Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld.
Onder de scope van de Nationaal Coördinator vallen alle vormen van geweld tegen vrouwen,
huiselijk geweld en kindermishandeling, waaronder dus ook seksueel geweld en seksueel
grensoverschrijdend gedrag, in lijn met het verdrag van Istanbul. De Nationaal Coördinator
heeft als belangrijke taak het tot stand brengen van en het sturen op de uitvoering
van een nationaal actieplan geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, en daarmee op
het realiseren van samenhang en overzicht in het beleid en de aanpak van geweld tegen
vrouwen en huiselijk geweld. Voor nadere informatie over dit traject wordt verwezen
naar de eerder genoemde brief van 18 december 2025. Het streven is om de aanstelling
van de Nationaal Coördinator voor de zomer van 2026 te hebben afgerond.
5. Tot slot
Achter de data in de monitor van de National Rapporteur gaan talloze persoonlijke
verhalen van kinderen schuil. De bescherming van kinderen tegen seksueel geweld heeft
zoals gezegd onverminderd hoge prioriteit voor het kabinet. Het werk van de Nationaal
Rapporteur is daarbij van groot belang.
Veel inzichten uit de monitor zijn reeds verwerkt in beleid en worden als signaal
meegenomen bij ontwikkelingen, zoals het eerdergenoemde coördinatietraject rondom
geweld tegen vrouwen of bij toekomstige curriculumwijzigingen.
Het is verder van groot belang een volledig beeld te krijgen van de prevalentie van
seksueel geweld tegen kinderen in alle leeftijdsgroepen. We zien het als een waardevolle
stap dat de Nationaal Rapporteur hier in toekomstige rapporten prioriteit aan geeft.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, J.Z.C.M. Tielen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport