Brief regering : Voortgang mestbeleid
33 037 Mestbeleid
Nr. 643
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 april 2026
Met deze brief informeer ik u over de belangrijkste ontwikkelingen die de komende
tijd in het mestbeleid aan de orde zijn. Ingegaan wordt op de voorbereidingen voor
de vaststelling van het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn, de gevolgen van het niet verkrijgen van een derogatie,
de voortgang van de implementatie van Renure, de stimulering van mestverwerking en
-vergisting en de evaluatie van de Nitraatrichtlijn. Daarnaast wordt u geïnformeerd
over de onderzoeksresultaten van een verkenning naar nieuwe traceringssystemen voor
het volgen en de borging van de informatie over mesttransporten en de verkenning naar
het biologisch aanzuren van dierlijke mest.
Op 27 maart is uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop de aanpak van stikstof wordt
geadresseerd via de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof1. Vanwege de aanpak van bredere milieuopgaven wordt in het kader van de Ministeriële
Taskforce uitwerking gegeven aan het coalitieakkoord wat betreft grondgebondenheid,
de voornemens met betrekking tot de productierechtenstelsels (verbreding opgave, uitbreiding
diercategorieën, afromen voor bredere milieuopgaven en generieke korting als ultiem
middel voor stikstofdoelen in 2035) en het maken van keuzes over afroming binnen de
huidige stelsels vooruitlopend op een qua opgave en diercategorieën verbreed stelsel
van productierechten. Het mestbeleid heeft een nauwe relatie met deze onderwerpen,
maar richt zich ook specifiek op verbetering van de waterkwaliteit door de uit- en
afspoeling van nutriënten uit de landbouw naar het grond- en oppervlaktewater te verminderen
en te voorkomen. Om die reden wordt het mestbeleid, waaronder het 8e actieprogramma, in een aparte themabrief aan uw Kamer gemeld, zodat deze in de toekomst
behandeld kan worden in het Commissiedebat Mestbeleid.
8e actieprogramma Nitraatrichtlijn
Op dit moment werk ik, in nauwe samenwerking met het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat, aan de voorbereidingen om te komen tot het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn. Het 8e actieprogramma ziet primair op verbetering van de waterkwaliteit door een verlaging
van de nutriëntenbelasting (stikstof en fosfor) afkomstig uit de landbouw. Hierbij
zal ik ook het effect van de maatregelen van het 8e actieprogramma op andere milieudoelen (zoals het verminderen van de uitstoot van
ammoniak en lachgas) in ogenschouw nemen. Bij de uitwerking van het actieprogramma
geef ik uitvoering aan de moties van Grinwis c.s. en Kostic2. Naast het inzichtelijk maken van de effecten van het 8e actieprogramma op de waterkwaliteit, ben ik voornemens ook de sociaaleconomische
impact van maatregelen in het 8e actieprogramma inzichtelijk te maken voor een politieke weging over de uiteindelijke
inhoud van het 8e actieprogramma.
De medeoverheden, waterschappen en provincies, betrek ik bij deze voorbereidingen
om te komen tot het 8e actieprogramma en het daarin op te nemen maatregelenpakket. In dat kader wordt ook
met hen gesproken over de wijze waarop een vervolg kan worden gegeven aan de aanwijzing
van de met nutriënten verontreinigde gebieden (hierna: NV-gebieden). Bij de voorbereidingen
voor het opstellen van het 8e actieprogramma betrek ik eveneens stakeholders (agrarische sectororganisaties, natuur-
en milieuorganisaties en de koepel voor drinkwaterbedrijven (Vewin)). Ook zal de Europese
Commissie (hierna: EC) worden geïnformeerd over de voortgang van de voorbereidingen
voor een 8e actieprogramma. Ik zal uw Kamer, zoals reeds eerder is toegezegd, periodiek informeren
over de voortgang van het 8e actieprogramma.
Gevolgen geen nieuwe derogatie
Op 22 december jl. ontving mijn ambtsvoorganger een reactie van de Europese Commissie
op haar verzoek voor een nieuwe mestderogatie.3 De inhoud van deze brief was helder. De EC geeft in deze brief duidelijk aan dat
Nederland niet voldoet aan de voorwaarden voor een derogatie. In de brief geeft de EC aan dat Nederland nog een grote opgave heeft ten aanzien van
de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit, onder andere als het gaat om de belasting
met nutriënten afkomstig uit de landbouw, en benoemt zij de stikstofopgave in Nederland. Gelet hierop zie ik geen ruimte voor een mestderogatie voor Nederland en is het
dus niet mogelijk om boven de stikstofgebruiksruimte van 170 kilogram stikstof per
hectare meer dierlijke mest te plaatsen, ook niet in het kader van experimenteerruimte
of pilots. We zullen samen de schouders eronder moeten zetten en stappen maken om
de waterkwaliteit te verbeteren en progressie te boeken op andere milieuopgaven zoals
stikstof.
Voor de gevolgen van het niet verkrijgen van een nieuwe derogatie verwijs ik u naar
de brief aan de Kamer van 19 februari jl. waarin is benoemd welke regels vanaf 1 januari
2026 gelden nu er geen derogatie is (en er nog geen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is vastgesteld)4.
Ik realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeft op de Nederlandse
landbouw, in het bijzonder de melkveehouderij. Ik vind het belangrijk om agrariërs
wel perspectief te geven voor de lange termijn, bijvoorbeeld via opschaling van de
mogelijkheid van productie en aanwending van Renure-meststoffen.
Voortgang implementatie Renure
Ik ben verheugd dat de Europese regelgeving voor Renure sinds 2 maart jl. in werking
is getreden. Zoals eerder aan uw Kamer gemeld werkt het kabinet aan een nationale
regeling voor het gebruik van Renure, zodat het mogelijk wordt 80 kilogram stikstof
per hectare boven de stikstofgebruiksruimte voor dierlijke mest aan te wenden met
goedgekeurde Renure-meststoffen. Met deze regeling wordt beoogd het onder voorwaarden
mogelijk te maken dat mestverwerkingsproducten, waarbij stikstof uit dierlijke mest
in minerale vorm beschikbaar komt, kunnen worden toegepast als vervanger van kunstmest.
Hiermee kunnen nutriënten uit dierlijke mest worden benut en kan de afhankelijkheid
van kunstmest worden verminderd, terwijl de milieudoelen geborgd blijven. De ontwikkeling
en toepassing van circulaire meststoffen zijn in de huidige geopolitieke context van
toenemend belang.
In de afgelopen periode is overleg gevoerd met sectorpartijen en andere betrokken
stakeholders over de nadere invulling van de regeling. Daarbij is onder meer gekeken
naar de praktische uitvoerbaarheid, de voorwaarden voor toepassing van Renure en de
inrichting van toezicht en handhaving. De regeling tot wijziging van de Uitvoeringsregeling
Meststoffenwet, waarmee het onder voorwaarden mogelijk wordt gemaakt Renure boven
de gebruiksnorm voor dierlijke mest toe te passen, is op 16 februari jl. bij de EC
genotificeerd. In de daarop volgende drie maanden van de standstill-termijn hebben
de EC en lidstaten de gelegenheid om opmerkingen te maken als zij van mening zijn
dat eventuele technische voorschriften in de voorgenomen nationale regels niet verenigbaar
zijn met het Europese recht. Deze standstill-termijn eindigt op 18 mei aanstaande.
Gestreefd wordt naar inwerkingtreding van de regeling voor de zomer.
In de regeling wordt het gebruik van Renure boven de gebruiksnorm voor dierlijke mest
toegestaan wanneer de producent door de overheid is geregistreerd. Daarnaast zal dit
in de toekomst ook mogelijk zijn wanneer de producent is gecertificeerd. Het certificeringsschema
dat aan het certificaat ten grondslag ligt, moet daarvoor eerst bij de EC worden genotificeerd.
Omdat het certificerings-schema nog niet definitief is vastgesteld door de schemabeheerder,
is ervoor gekozen de regeling alvast zonder aanwijzing van een certificeringsschema
te notificeren. Zodra het certificeringsschema is vastgesteld, zal ook de aanwijzing
daarvan worden genotificeerd. Hiermee wordt voorkomen dat de toepassing van Renure
in Nederland onnodig wordt vertraagd.
Mijn voornemen is om certificering in de toekomst voor alle producenten van Renure
verplicht te stellen. Hiervoor is een wetswijziging nodig die certificering op grond
van de Meststoffenwet mogelijk maakt. Dit voorstel voor wijziging van de Meststoffenwet
is reeds eerder in consultatie gebracht. Mijn streven is het wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk aan de Afdeling advisering van de Raad van State voor te leggen voor advies.
Internationaal
Op dit moment loopt in Brussel een evaluatietraject van de Nitraatrichtlijn. In het
afgelopen jaar heeft de EC middels onderzoeken, publieke consultaties en afstemming
met lidstaten via een expertgroep, suggesties en voorstellen opgehaald. De evaluatie
zal naar verwachting binnenkort worden afgerond, waarna voor de zomer vanuit de EC
een verslag wordt verwacht over de resultaten van de evaluatie en een eventueel opvolgend
traject. Het is nog niet zeker of de evaluatie daadwerkelijk zal leiden tot een herziening
van de Nitraatrichtlijn.
Een mogelijke wijziging van de Nitraatrichtlijn kan een opening bieden om de reikwijdte
van de circulaire productie en gebruik van meststoffen afkomstig uit dierlijke mest
(onder andere Renure) verder te kunnen uitbreiden. Op deze manier kan een meer circulaire
vorm van landbouw worden gestimuleerd met mogelijke milieuvoordelen en het verminderen
van de afhankelijkheid van kunstmest uit derde landen, iets wat in de huidige geopolitieke
context aan belang wint. Dit sluit tevens aan bij de recente Mededeling van de EC
over de bioeconomie strategie5 en het Actieplan meststoffen. Dit plan, dat de EC naar verwachting binnenkort zal
presenteren, richt zich op een toename van het gebruik van circulaire meststoffen
in plaats van kunstmest.
Stimuleren mestverwerking en -vergisting
Het verwerken van dierlijke mest maakt het mogelijk om mestproducten te maken die
beter aansluiten bij de behoefte van gewas en bodem en ook de mogelijkheden van aanwending
en transport te vergroten. Ook kan mestverwerking bijdragen aan het verminderen van
ammoniak- en broeikasgasemissies van mest. Om die reden zet ik mij in voor de stimulering
van mestverwerking. Naast de implementatie van Renure in de Nederlandse regelgeving,
als hierboven toegelicht, bezie ik ook hoe de productie van Renure-meststoffen in
Nederland verder opgeschaald kan worden. Ook wordt de vergroting van de mestverwerkingscapaciteit
gestimuleerd ten behoeve van de export van meststoffen als aangegeven in de brief
van 19 december jl.6
Met het Ministerie van Economische Zaken trek ik samen op om de vergisting van dierlijke
mest te stimuleren. Mestvergisting reduceert methaanemissies van mestopslagen en in
combinatie met dagontmesting, biologisch aanzuren van mest en/of de verdere verwerking
van de vergiste mest tot Renure-meststoffen kan een grotere reductie van ammoniak
en methaan worden bereikt. Op deze manier kan mestvergisting bijdragen aan de productie
van groen gas, maar draagt het bij aan het verdienmodel voor de agrarische sector.
Voor stimulering van mestvergisting is in de voorjaarsnota zes miljoen euro gereserveerd
uit het investeringspakket 20 miljard voor 2026.
Het Nederlands Centrum voor Mestverwaarding (NCM)7 is hét kenniscentrum voor mestverwerking dat voor eenieder onafhankelijke informatie
geeft. In de afgelopen jaren heeft het NCM laten zien een verbindende rol tussen wetenschap,
overheden, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties en media te vervullen. Met
haar nieuwsbrief, website en jaarlijkse inventarisatie over de ontwikkeling van mestverwaarding,
bronnen die voor iedereen toegankelijk zijn, is de NCM van grote waarde ten behoeve
van het algemeen belang. Ter bevordering van deze belangrijke, onafhankelijke rol
in de informatie- en kennisuitwisseling over mestverwerking en -verwaarding verstrekt
het Ministerie van LVVN een jaarlijkse subsidie aan de NCM.
Onderwerpen lopend mestbeleid
Onderzoeksresultaten verkenning betere borging van mesttransporten
In de Kamerbrief Voortgang en voortzetting versterkte handhavingsstrategie mest van
31 mei 20238, heeft mijn voorganger aangekondigd een onderzoek voor te bereiden om te verkennen
of er nieuwe en betere technieken op de markt zijn voor de borging van mesttransporten.
In 2024 is dit onderzoek opgestart en eind 2025 afgerond. Ik heb in januari het definitieve
onderzoeksrapport ontvangen. Met deze brief ontvangt de Kamer het onderzoeksrapport
«Verkenning opties voor vernieuwing apparatuur voor automatisch registreren van mesttransporten»
(bijlage 1). Dit rapport biedt goede aanknopingspunten om de monitoring van mesttransporten
via traceringssystemen te verbeteren. Dit vind ik van groot belang om tot een geborgd
en fraudebestendig systeem voor mesttransporten te komen. De komende maanden wil ik
gebruiken om dit rapport nader te bestuderen en een vervolgaanpak op te stellen. Mijn
voornemen is uw Kamer voor de zomer te informeren over deze vervolgaanpak.
Biologisch verzuren van mest
Het biologisch verzuren van mest heeft potentie voor het reduceren van emissies van
ammoniak en methaan uit mestopslagen. Bij dit proces worden specifieke organische
stoffen (bijvoorbeeld melasse, citrusmelasse, appelpulp, fruitpulp of wei) aan dierlijke
mest toegevoegd, waardoor biologische omzettingen plaatsvinden in de mest die leiden
tot verzuring en daarmee de conservering van de mest met minder emissies van ammoniak
en methaan tot gevolg. Bijkomend voordeel is dat deze aangezuurde mest een hogere
biogas opbrengst heeft. Gezien deze potentiële voordelen is hiervoor interesse vanuit
ondernemers.
De Commissie van Deskundigen Meststoffenwet (hierna: CDM) is om advies gevraagd over
verschillende organische stoffen waarmee de mest biologisch verzuurd kan worden. Op
10 november 2025 is het CDM-advies «Biologisch verzuren van mest» gepubliceerd (bijlage 2).
Het opnemen van geschikte stoffen voor het biologisch verzuren van mest in de meststoffenregelgeving
vereist een zorgvuldige beoordeling van hun werking, de samenstelling en eventuele
risico’s. In aanvulling op het eerdere rapport is de CDM is gevraagd hierover advies
uit te brengen. Voor dit advies is ook gevraagd te kijken naar andere mestadditieven.
Op basis van deze rapporten bezie ik of en hoe aanpassing van de meststoffenregelgeving
aan de orde is.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur