Brief regering : Publicatie CBS Monitor fosfaat- en stikstofexcretie in dierlijke mest vierde kwartaal 2025
33 037 Mestbeleid
Nr. 642
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 april 2026
Met deze brief informeer ik de Kamer dat het Centraal Bureau voor de Statistiek (hierna:
CBS) op 8 april 2026 de vierde kwartaalrapportage 2025 over de fosfaat- en stikstofexcretie
door de Nederlandse veestapel1 heeft gepubliceerd. Tevens kom ik met deze brief tegemoet aan de motie Vedder c.s.2 waarin mij verzocht wordt in deze brief ook in te gaan op de meest actuele inschatting
van de deelname aan de Lbv en Lbv-plus en het effect daarvan op de mestproductie.
Op mijn verzoek stelt het CBS na afloop van ieder kwartaal een berekening samen van
de verwachte fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel. Aan de rapportage
is eveneens op mijn verzoek toegevoegd een prognose van het ruweiwitgehalte in het
melkveevoerrantsoen. De vierde kwartaalrapportage 2025 geeft een momentopname van
de verwachte fosfaat- en stikstofexcretie en het ruweiwitgehalte over geheel 2025
op basis van de op 1 januari 2026 beschikbaar gekomen nieuwe en actuele gegevens over
de omvang van de rundveestapel, de melkproductie per koe, de beschikbaarheid en samenstelling
van krachtvoer en ruwvoer. Voor de omvang van de overige dieren is uitgegaan van de
(geactualiseerde) voorlopige cijfers van de Landbouwtelling op peildatum 1 april 2025
voor varkens en peildatum 1 december 2025 voor pluimvee.
Ook in deze vierde kwartaalrapportage is er sprake van een mate van onzekerheid in
de prognose van de fosfaat- en stikstofexcretie in 2025. Die onzekerheid is een gevolg
van het feit dat er nog geen definitieve cijfers bekend zijn over de hoeveelheden
en samenstelling van het ruwvoer en krachtvoer. Hierdoor is het CBS in zijn berekening
uitgegaan van voorlopige cijfers, zoals het ook is uitgegaan van voorlopige cijfers
over de omvang van de veestapel. De in tabel 1 en tabel 2 vermelde cijfers betreffen
dan ook een verwachting van de mestproductie. De definitieve mestproductiecijfers
over 2025 zullen in het najaar van 2026 bekend worden.
Verwachte mestproductie 2025
De door het CBS voor 2025 verwachte fosfaat- en stikstofexcretie van de Nederlandse
veestapel is weergegeven in tabel 1 respectievelijk tabel 2.
Tabel 1: Momentopname van de verwachte fosfaatexcretie van de Nederlandse veestapel
over 2025 (in miljoen kg)
Plafond 2025
1e kw. 2025
2e kw. 2025
3e kw. 2025
4e kw. 2025
Nationaal
135,0
142,7
140,6
141,6
140,7
Melkvee
71,8
73,6
73,8
74,6
75,0
Varkens
27,8
32,3
30,2
30,3
29,7
Pluimvee1
20,3
20,7
20,4
20,0
19,8
Overig2
15,1
16,1
16,1
16,7
16,3
N.B. Door afrondingen kan de som van de cijfers afwijken van het totaal.
Tabel 2: Momentopname van de verwachte stikstofexcretie van de Nederlandse veestapel
over 2025 (in miljoen kg)
Plafond 2025
1e kw. 2025
2e kw. 2025
3e kw. 2025
4e kw. 2025
Nationaal
440,0
433,7
428,1
433,7
432,9
Melkvee
267,8
252,8
252,8
257,3
259,3
Varkens
70,3
80,1
75,1
75,2
73,8
Pluimvee1
48,4
48,5
48,1
47,1
46,7
Overig2
53,5
52,4
52,1
54,2
53,1
X Noot
1
Het sectoraal plafond voor de pluimveehouderij heeft alleen betrekking op de mestproductie
van die diersoorten waarop het stelsel van pluimveerechten van toepassing is, te weten
kippen en kalkoenen.
X Noot
2
Voor «overig» is in de Meststoffenwet geen sectoraal plafond vermeld. Het hier vermelde
plafond is afgeleid van het nationale plafond en de plafonds voor melkvee, varkens
en pluimvee
N.B. Door afrondingen kan de som van de cijfers afwijken van het totaal.
Uit tabel 1 en 2 blijkt dat het CBS verwacht dat in 2025 de fosfaatexcretie van de
Nederlandse veestapel het nationale plafond met 4,2% zal overschrijden. De stikstofexcretie
van de Nederlandse veestapel in 2025 zal naar verwachting 1,6% onder het nationale
plafond uitkomen. Vergeleken met de vorige kwartaalrapportage is de verwachte excretie
van fosfaat en stikstof afgenomen als gevolg van een afname in het aantal varkens
en pluimvee.
Verwacht ruweiwitgehalte in melkveevoerrantsoen
In het kader van de stikstofproblematiek is met de melkveesector afgesproken om op
sectorniveau te streven het ruweiwitgehalte in het melkveevoerrantsoen te verlagen
en deze in 2025 niet hoger te laten zijn dan 160 gr RE/kg droge stof3. In februari 2025 is er een convenant opgesteld en ondertekend door de partijen in
de zuivelketen4. De convenantpartners verbinden zich aan het doel om het gemiddelde ruw eiwitgehalte
van het rantsoen te verlagen naar maximaal 160 gram per kilogram droge stof in 2025
en 158 gram per kilogram droge stof in 2026. CBS monitort de voortgang op dit voerspoor
door een prognose te geven van het ruweiwitgehalte in het melkveevoerrantsoen. Deze
prognose is in tabel 3 weergegeven.
Tabel 3: RE-gehalte in het melkveevoerrantsoen in 2022, 2023, 2024 en het verwachte
RE-gehalte in 2025 (in g/kg droge stof)
2022
2023
2024
1e kw. 2025
2e kw. 2025
3e kw. 2025
4e kw. 2025
Melkveevoerrantsoen
(melk- en kalfkoeien en bijbehorend jongvee)
161
163
161
–1
156
157
158
X Noot
1
Er waren onvoldoende gegevens beschikbaar om een indicatie te kunnen geven
In de cijfers in tabel 3 is de samenstelling verwerkt van het ruwvoer van 2024 en
2025 en van het krachtvoer tot en met het vierde kwartaal 2025. Uit tabel 3 blijkt
dat het CBS verwacht dat de afgesproken streefwaarde voor 2025 van maximaal 160 gram
ruw eiwit per kilogram droge stof gehaald wordt.
Potentieel effect LBV en LBV-plus op mestproductie
Op 12 januari 2026 stonden er bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)
in het kader van de beëindigingsregelingen Lbv en Lbv-plus 960 verleningsbeschikkingen5 geregistreerd. Veehouders die in het kader van de Lbv of de Lbv-plus een subsidieaanvraag
hebben ingediend, hebben daarbij moeten aangeven hoeveel productierechten doorgehaald
moeten worden. Hiermee is het mogelijk om een indicatie te krijgen van het potentiële
effect van deelname aan deze regelingen op de mestproductie vanuit de melkvee-, varkens-
en pluimveehouderij. De vleeskalverhouderij kent geen systeem van productierechten,
maar door uit te gaan van het gemiddeld aantal in een kalenderjaar gehouden dieren,
is het ook voor deze sector mogelijk om een indicatie te krijgen van het potentiële
effect van deelname aan deze regelingen op de mestproductie. Op basis van de op 12 januari
2026 bij RVO geregistreerde verleningsbeschikkingen gaat het om 2.034.708 fosfaatrechten,
1.188.216 varkensrechten, 5.117.727 pluimveerechten en 90.873 vleeskalveren.
Als alle veehouders van peildatum 12 januari 2026 daadwerkelijk tot beëindiging overgaan,
dan komt het potentiële effect op de nationale mestproductie uit op een vermindering
van 9,7 miljoen kilogram fosfaat en 26,8 miljoen kilogram stikstof. Omdat niet aannemelijk
is dat alle veehouders daadwerkelijk zullen stoppen, is in tabel 4 een inschatting
weergegeven van de mestproductie bij een verondersteld deelnamepercentage van 90%
van de groep veehouders van peildatum 12 januari 2026.
Tabel 4: Inschatting van de mestproductie op termijn (2026/2027) op basis van de gerealiseerde
mestproductie 2024 en het potentiële effect van deelname aan Lbv en Lbv-plus bij 90%
deelname (in miljoen kg)
Nationaal
Melkvee
Varkens
Pluimvee
fosfaat
stikstof
fosfaat
stikstof
fosfaat
stikstof
fosfaat
stikstof
Productie1
146,7
448,9
76,7
265,2
32,3
80,1
20,6
48,5
Effect2
8,7
24,1
1,8
6,3
4,6
12,4
1,8
3,6
Inschatting
138,0
424,8
74,9
258,9
27,7
67,7
18,8
44,9
Plafond
135,0
440,0
71,8
267,8
27,8
70,3
20,3
48,4
Overschrijding3
3,0
– 15,2
3,1
– 8,9
– -0,1
– 2,6
– 1,5
– 3,5
X Noot
1
Betreft de in 2024 gerealiseerde mestproductie (bron: CBS)
X Noot
2
Betreft het potentiële effect op de mestproductie bij 90% deelname aan Lbv en Lbv-plus
op basis van de op 12 januari 2026 bij RVO geregistreerde verleningsbeschikkingen.
X Noot
3
Er is sprake van een overschrijding van het plafond als het vermelde getal positief
(+) is. Is het getal negatief (–) dan is er sprake van een onderschrijding van het
plafond.
Het volledige effect van deelname aan Lbv en Lbv-plus zal niet al in de definitieve
mestproductiecijfers over 2025 tot uiting komen, maar in de loop van de twee jaren
daarna. Ingeschat wordt dat het nationaal fosfaatproductieplafond op termijn met 2,2%
(+ 3,0 miljoen kg) overschreden wordt, terwijl het nationaal stikstofplafond met 3,5%
(– 15,2 miljoen kg) onderschreden wordt.
Op basis van de vierde kwartaalrapportage verwacht het CBS op nationaal niveau dat
in 2025 de fosfaatproductie hoger zal zijn dan het nationale productieplafond. Op
sectoraal niveau verwacht het CBS dat in 2025 de fosfaatproductie van melkvee en varkens
boven het sectorale fosfaatproductieplafond uitkomt. Voor wat betreft de nationale
stikstofproductie verwacht het CBS dat deze in 2025 lager zal zijn dan het nationale
productieplafond. Op sectoraal niveau verwacht het CBS dat alleen de stikstofproductie
van varkens in 2025 hoger uit zal vallen dan het sectorale stikstofproductieplafond.
De definitieve cijfers over de mestproductie in 2025 zullen in het najaar van 2026
beschikbaar komen. Op dit moment beschik ik nog niet over de prognose van de mestproductie
in 2026. Deze prognose publiceert het CBS in de eerste kwartaalrapportage 2026, die
naar verwachting begin juni beschikbaar zal zijn. Ik zal uw Kamer dan nader over de
ontwikkeling van de mestproductie informeren.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Indieners
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur