Brief regering : Voorhang aanwijzing beschikbaarheidsbijdrage (medische) vervolgopleidingen 2024 en 2025
29 282 Arbeidsmarktbeleid en opleidingen zorgsector
Nr. 624
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Ontvangen ter Griffie op 2 april 2026.
Het besluit tot het doen van een aanwijzing kan niet eerder worden genomen dan op 3 mei 2026.
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 2 april 2026
Middels deze voorhangbrief informeer ik u, conform artikel 8 van de Wet marktordening
gezondheidszorg (Wmg), over mijn voornemen om een aanwijzing aan de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa) te geven op grond van artikel 7 van de Wmg. Deze aanwijzing is bedoeld om de
grondslag te herstellen voor het vaststellen van de beschikbaarheidbijdrage voor (medische)
vervolgopleidingen voor de jaren 2024 en 2025. Ik zal niet eerder overgaan tot het
geven van deze aanwijzing dan nadat dertig dagen zijn verstreken na de verzending
van deze brief. Van de vaststelling van de aanwijzing zal ik mededeling doen door
plaatsing in de Staatscourant.
In deze brief zal ik eerst een korte toelichting geven op de aanleiding en de noodzaak
van deze aanwijzing met terugwerkende kracht voor de jaren 2024 en 2025. In het laatste
deel van deze brief treft u de zakelijke inhoud van de voorgenomen aanwijzing.
Aanleiding
Op 14 oktober 2025 heeft het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) uitspraak
gedaan in de zaak van de Onderwijs- en Opleidingsregio Noordwest Nederland tegen de
Minister van VWS (Minister) over de verdeelplannen 2024 en 2025.1 In deze uitspraak heeft het CBb alle toekenningsbeschikkingen voor 2024 en 2025 herroepen,
waarmee de voor beschikbaarheidbijdragen in aanmerking komende instroomplaatsen voor
die jaren zijn verdeeld, als bedoeld in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit
beschikbaarheidbijdrage WMG.
Met deze aanwijzing wordt de grondslag voor de toekenningsbeschikkingen voor de jaren
2024 en 2025 hersteld, zodat de NZa een grondslag heeft voor het vaststellen van de
beschikbaarheidbijdrage voor deze jaren.
Toelichting
In de genoemde uitspraak2 heeft het CBb geoordeeld dat voor 2026 en verder er geen bevoegdheid is voor zowel
de Minister als de NZa om een verdeeloverzicht vast te stellen voor de beschikbaarheidbijdrage
(medische) vervolgopleidingen. De Minister is uitsluitend bevoegd om verdeelcriteria
en de totale aantallen per opleiding vast te leggen. Op 16 december 2025 is de Kamer
geïnformeerd over de aanwijzing die is verstrekt aan de NZa inzake de uitvoering van
de beschikbaarheidbijdrage op grond van artikel 56a van de Wmg voor de jaren 2026
en verder.3
Daarnaast heeft het CBb alle beschikkingen voor de jaren 2024 en 2025 herroepen. Met
de onderhavige aanwijzing wordt gehoor gegeven aan de uitspraak van het CBb, zodat
de NZa de beschikbaarheidbijdragen voor de jaren 2024 en 2025 rechtmatig kan vaststellen.
Zakelijke inhoud van de voorgenomen aanwijzing
Om uitvoering te kunnen geven aan het vaststellen van de beschikbaarheidbijdrage voor
(medische) vervolgopleidingen voor de jaren 2024 en 2025, ben ik voornemens de NZa
een aanwijzing te geven. Met deze aanwijzing draag ik de NZa op om met terugwerkende
kracht vanaf 1 januari 2024 in haar beleidsregels te voorzien in het rechtmatig vaststellen
van de beschikbaarheidbijdrage voor de jaren 2024 en 2025.
De NZa stelt de beschikbaarheidbijdrage over zorgaanbieders vast, rekening houdend
met de maximale aantallen per opleiding zoals opgenomen in Bijlage A bij deze aanwijzing.
Daarnaast zal ik de NZa vragen om bij het vaststellen van de beschikbaarheidbijdrage
rekening te houden met de volgende uitgangspunten, uitgesplitst naar 2024 en 2025:
Ad 1. Jaar 2024
De NZa hanteert bij de verdeling van de medisch-specialistische instroomplaatsen4 over de OOR’s een verdeling op basis van het criterium 100% adherentie alle instellingen
(de basisverdeling). Dit houdt in dat bij de verdeling van de medisch-specialistische
instroomplaatsen over de OOR’s wordt gekeken naar de omvang van de zorgvraag van de
bevolking in het verzorgingsgebied voor alle instellingen binnen de OOR’s.
Daarbij geldt de mogelijkheid om – binnen het totaal aantal beschikbaar gestelde opleidingsplaatsen
– met maximaal vijf instroomplaatsen tussen OOR’s te schuiven ten opzichte van de
basisverdeling.
Voor de verdeling van instroomplaatsen voor de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog,
klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut en verpleegkundig specialist
GGZ houdt NZa rekening met de volgende uitgangspunten:
a. de instroomplaatsen worden verdeeld per sector, gebruikmakend van de ramingen van
het Capaciteitsorgaan;
b. instroomplaatsen waarvoor in een voorgaand jaar geen beschikbaarheidbijdrage is verleend,
worden niet meegeteld indien bij de verdeling van de instroomplaatsen rekening wordt
gehouden met het historisch opleidingsvolume;
c. zowel bestaande als nieuwe opleidende zorgaanbieders komen in aanmerking voor instroomplaatsen.
Ad 2. Jaar 2025
De NZa hanteert bij de verdeling van de medisch-specialistische instroomplaatsen5 over de OOR’s een verdeling op basis van het criterium 100% adherentie alle instellingen
(de basisverdeling). Dit houdt in dat bij de verdeling van de medisch-specialistische
instroomplaatsen over de OOR’s wordt gekeken naar de omvang van de zorgvraag van de
bevolking in het verzorgingsgebied voor alle instellingen binnen de OOR’s.
Om grote schommelingen in de instroomverdeling per OOR per jaar te voorkomen houdt
de NZa bij de invulling van het criterium 100% adherentie alle instellingen rekening
met:
– een ondergrens van 10% van de landelijke instroom per OOR voor het in stand houden
van de infrastructuur die nodig is voor het opleiden van artsen in opleiding tot (medisch)
specialist. Als deze grens in een OOR niet wordt bereikt, dient de NZa aan de betreffende
OOR instroomplaatsen van andere OOR's toe te wijzen. Dit dient naar rato verrekend
te worden over de andere OOR's.
– de mogelijkheid om te schuiven met maximaal 30 instroomplaatsen tussen OORs ten opzichte
van de basisverdeling, met een bandbreedte van maximaal –8 tot +10 plaatsen per OOR.
Het criterium 100% adherentie alle instellingen, met de daarbij behorende aandachtspunten,
geldt niet voor de opleidingen psychiatrie, sportgeneeskunde en orthodontie.
Voor de verdeling van instroomplaatsen voor de opleidingen tot gezondheidszorgpsycholoog,
klinisch psycholoog, klinisch neuropsycholoog, psychotherapeut en verpleegkundig specialist
GGZ houdt de NZa rekening met de volgende uitgangspunten:
a. de instroomplaatsen worden verdeeld per sector, gebruikmakend van de ramingen van
het Capaciteitsorgaan;
b. instroomplaatsen waarvoor in een voorgaand jaar geen beschikbaarheidbijdrage is verleend,
worden niet meegeteld indien bij de verdeling van de instroomplaatsen rekening wordt
gehouden met het historisch opleidingsvolume;
c. zowel bestaande als nieuwe opleidende zorgaanbieders komen in aanmerking voor instroomplaatsen.
Voor de verdeling van 2025 is een extra uitgangspunt genomen, naar aanleiding van
de motie-Van den Berg6, waarin bij de allocatie van instroomplaatsen in de verdeelsleutel de voorkeur wordt
gegeven aan ggz-aanbieders die deelnemen aan crisisdiensten, hoogcomplexe zorg en
multizorg leveren en afspraken maken over kwantiteit in relatie tot kwaliteit, voordat
vrijgevestigde praktijken opleidingsplekken toegekend krijgen. Hiermee wordt tegemoetgekomen
aan de eerder ingeslagen richting om opleiden binnen samenwerkingsverbanden te stimuleren.
De insteek is om gz-psychologen in opleiding in meerdere sectoren hun ervaring te
kunnen laten op doen en met name in die sectoren waar zij ervaring kunnen opdoen met
gespecialiseerde en geïntegreerde geestelijke gezondheidszorg (ambulante en klinische
zorg).
In aanvulling op de voorgaande uitgangspunten houdt de NZa tevens rekening met:
d. gestimuleerd wordt dat in samenwerkingsverbanden wordt opgeleid waaraan ten minste
één zorgaanbieder deelneemt die gespecialiseerde geïntegreerde ggz (specialistische
ggz – ambulante en klinische zorg) levert en beschikt over een geldig kwaliteitsstatuut,
sectie III (Instellingen).
Ten slotte
Ik ben verheugd dat we met deze aanwijzing de juridische grondslag voor de verdeling
van de instroomplaatsen voor de jaren 2024 en 2025 adequaat hebben hersteld. Hiermee
bieden we de noodzakelijke duidelijkheid en stabiliteit aan de zorgaanbieders en opleidingsregio's.
Zo borgen we gezamenlijk dat de (medische) vervolgopleidingen onverminderd en zorgvuldig
doorgang kunnen vinden, wat essentieel is voor de toekomstige kwaliteit en toegankelijkheid
van onze zorg.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport