Brief regering : Mogelijkheden onderzoek gezondheidseffecten beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen
25 883 Arbeidsomstandigheden
27 858
Gewasbeschermingsbeleid
28 089
Gezondheid en milieu
Nr. 547
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 31 maart 2026
Hierbij informeer ik uw Kamer over een haalbaarheidsonderzoek dat het RIVM heeft uitgevoerd.
Het RIVM onderzocht de mogelijkheden om gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen
te bestuderen bij agrariërs en andere mensen die hieraan beroepsmatig blootgesteld
worden. Directe aanleiding voor dit onderzoek was de motie van het lid Tjeerd de Groot
uit juni 20231 die de regering verzocht om op grond van statistisch onderzoek te bezien of Parkinson
moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. In deze brief geef ik
mijn reactie op het onderzoek en licht ik de aanleiding en de belangrijkste bevindingen
toe.
Het RIVM concludeert dat een agrarisch cohortonderzoek het meest geschikt is om gezondheidseffecten
van beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te bestuderen. In zo’n onderzoek
volgen onderzoekers gedurende minimaal 10 tot 20 jaar een grote groep werkenden in
de agrarische sector.
Na weging van alle factoren heb ik besloten om het RIVM niet te vragen een dergelijk
cohortonderzoek op te zetten. De motie De Groot vormde de directe aanleiding voor
het haalbaarheidsonderzoek en vroeg de regering te bezien of Parkinson kan worden
aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. De onafhankelijke Adviescommissie
Lijst beroepsziekten (ALb) werkt aan een advies over de mogelijke toevoeging van Parkinson
aan de regeling Tegemoetkoming Stoffengerelateerde Beroepsziekten (TSB-regeling).
Tegelijkertijd voeren andere landen al agrarische cohortstudies uit. Deze studies
leveren kennis op die ook relevant kan zijn voor de Nederlandse situatie, bijvoorbeeld
voor het bevorderen van gezond en veilig werken met bestrijdingsmiddelen. Gezien het
aankomende advies van de ALb, de lopende cohortonderzoeken in andere landen en het
feit dat een nieuw cohortonderzoek een grote investering in tijd en middelen vraagt
(van zowel de overheid als de sector) heb ik besloten om het RIVM niet te vragen om
zo’n onderzoek in Nederland op te starten.
Toelichting
Aanleiding haalbaarheidsonderzoek
Al langere tijd bestaat er onrust en leven er vragen over de relatie tussen blootstelling
aan bestrijdingsmiddelen en ziekten als Parkinson. De genoemde motie van het lid De
Groot verzocht de regering om op grond van statistisch onderzoek te bezien of Parkinson
moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. Met dit type onderzoek
kunnen verschillende gezondheidseffecten in relatie tot werk in de agrarische sector
worden onderzocht. Hierbij wordt de ziekte van Parkinson ook meegenomen. Het RIVM
heeft dit haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd op verzoek van mijn ministerie, mede namens
de ministeries van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS).
Agrarisch cohortonderzoek
Het RIVM concludeert dat een agrarisch cohortonderzoek het meest geschikt is om gezondheidseffecten
van beroepsmatige blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te onderzoeken. In een cohortonderzoek
volgen onderzoekers een grote groep werkenden in de agrarische sector gedurende langere
tijd. Bij de start en tijdens het onderzoek inventariseren onderzoekers blootstellingen
aan bestrijdingsmiddelen en registreren eventuele ziekten of gezondheidsproblemen.
Zo kunnen ziektegevallen en gezondheidsproblemen in verband worden gebracht met blootstelling
aan bestrijdingsmiddelen en aan specifieke (groepen van) middelen of werkzame stoffen.
Een cohortonderzoek is geschikt om verschillende typen gezondheidseffecten te bestuderen.
Dit sluit aan bij de vraag vanuit de ministeries om te bekijken hoe diverse gezondheidseffecten
van bestrijdingsmiddelen onderzocht kunnen worden. En niet te focussen op één of enkele
ziekten. Daarnaast kan je met dit type onderzoek ook andere vragen over gezondheid
in relatie tot werk in de agrarische sector bestuderen.
Nadeel van een cohortonderzoek is dat een zeer grote groep agrariërs en andere beroepsmatig
blootgestelde mensen nodig is voor voldoende statistische zeggingskracht. Het RIVM
geeft aan dat ongeveer 30.000 agrariërs moeten deelnemen aan dit onderzoek. En dat
dit in Nederland haalbaar is, aangezien er ongeveer 120.000 mensen op stabiele basis
werken in de agrarische sector.2 Om 30.000 mensen te bereiken is medewerking van belanghebbende partijen en uitgebreide
communicatie essentieel. Het is daarom belangrijk om de brancheorganisaties en hun
adviseurs om medewerking te vragen om vertrouwen op te bouwen en aandacht te vragen
voor het belang van zo’n onderzoek.
Tot slot geeft het RIVM aan dat een grote investering van mensen en tijd nodig is
voor het opzetten en onderhouden van een infrastructuur en (vervolg)contacten. Het
RIVM schat dat een cohortonderzoek 2,5 miljoen euro kost in de opstartfase van drie
jaar. Het vervolgens blijven volgen van de deelnemers, bijvoorbeeld elke 5 tot 10
jaar, kost ongeveer 1 miljoen euro per volgronde.
Onderzoek naar Parkinson
Directe aanleiding voor het haalbaarheidsonderzoek was de genoemde motie van het lid
De Groot die de regering verzocht om op grond van statistisch onderzoek te bezien
of Parkinson moet worden aangewezen als beroepsziekte onder landbouwers. Bij Parkinson
als beroepsziekte is relevant dat de ALb mijn ministerie hierover naar verwachting
dit najaar adviseert. Deze commissie geeft dan aan of Parkinson aan de TSB-regeling
kan worden toegevoegd. De motie van de leden Podt en Grinwis3 vroeg hierom. De ALb heeft eerder geadviseerd dat Parkinson mogelijk toegevoegd kan
worden aan de TSB-regeling. Voor een definitief advies moet de ALb eerst de laatste
stand van wetenschap in kaart brengen en beoordelen of een protocol kan worden ontwikkeld
voor de beoordeling van aanvragen voor de TSB bij Parkinson.
Cohortstudies in andere landen
Uit het RIVM-haalbaarheidsonderzoek blijkt dat in andere landen al agrarische cohortonderzoeken
lopen. Bijvoorbeeld in Noorwegen, de Verenigde Staten, Frankrijk en Denemarken. De
vraag is in hoeverre een aanvullend cohortonderzoek in Nederland extra inzichten zou
opleveren. Dit maakt het misschien wel mogelijk om conclusies te trekken die specifiek
zijn voor de Nederlandse situatie. Want hier vindt bijvoorbeeld intensieve landbouw
plaats op een relatief klein oppervlak. Tegelijkertijd leveren lopende onderzoeken
in andere landen inzichten op die ook relevant kunnen zijn voor de Nederlandse situatie.
Praktische haalbaarheid en kosten cohortonderzoek
Een cohortonderzoek vraagt om een grote investering in tijd en middelen, van zowel
de overheid als de sector. De financiering moet voor de gehele looptijd van de cohortstudie
worden gegarandeerd om het onderzoek af te ronden. Op dit moment zijn hiervoor geen
middelen beschikbaar. Daarnaast brengt een cohortonderzoek ook aanzienlijke praktische
uitdagingen met zich mee. Ongeveer 30.000 agrariërs moeten minimaal 10 jaar bereid
zijn om deel te nemen aan dit onderzoek. Dat is ongeveer een kwart van de totale groep
mensen die op stabiele basis in de agrarische sector werkt.
Afrondend
Alles afwegend heb ik besloten het RIVM niet te vragen om een agrarisch cohortonderzoek
in Nederland op te starten. Mocht een andere partij, zoals een wetenschappelijk instituut
of sectororganisatie, het initiatief willen nemen voor een dergelijke studie, dan
ben ik bereid te verkennen welke rol mijn ministerie daarbij kan spelen.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie