Brief regering : Appreciaties van de amendementen ingediend tijdens het wetgevingsoverleg over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact van 26 maart 2026
36 871 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en enkele andere wetten in verband met de uitvoering en implementatie van het EU-Asiel- en migratiepact 2026 (Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026)
Nr. 64
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 30 maart 2026
Tijdens het wetgevingsoverleg over de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact
2026 op 23 maart jl. heb ik uw Kamer toegezegd schriftelijk mijn appreciatie van het
amendement Dassen (Kamerstuk 36 871, nr. 59) nader toe te lichten. Daarnaast apprecieer ik met deze brief ook het nader gewijzigd
amendement Boomsma/Ceulemans (nr. 58) en het amendement Vondeling/Wilders (Kamerstuk
36 871, nr. 61). Verder maak ik van de gelegenheid gebruik om de tijdens het wetgevingsoverleg gedane
toezegging over het wetsvoorstel uitlezen gegevensdragers te herhalen.
Amendement Dassen nr. 59
Het voorgestelde amendement Dassen (Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 59) beoogt de toepassing van de asielgrensprocedure te beperken tot drie situaties,
te weten: situaties waarin de aanvrager van een verblijfsvergunning asiel de autoriteiten
heeft misleid, de aanvrager een gevaar vormt voor de openbare orde, of de aanvrager
afkomstig is uit een land met een gemiddeld EU-inwilligingspercentage onder 20%.
Een belangrijke doelstelling van het Europese Asiel- en migratiepact is de versterking
van de Europese buitengrenzen. De asielgrensprocedure vormt daartoe een belangrijk
instrument. Op grond van artikel 45, eerste lid, van de Procedureverordening zijn
lidstaten verplicht in de situaties waarnaar de toelichting bij het amendement verwijst
de asielgrensprocedure toe te passen. Daarnaast biedt de Procedureverordening in artikel
43, eerste lid, lidstaten de ruimte om de asielgrensprocedure ook in andere situaties
toe te passen. Zo kan de asielgrensprocedure, naast de situaties waarin toepassing
verplicht is, onder andere ook worden toegepast in alle gevallen waarin aan de buitengrens
een asielaanvraag wordt gedaan en een van de omstandigheden uit artikel 42, lid 1,
punten a), b), d), e), g) of artikel 42, lid 3, punt b) zich voordoen. Het gaat dan
bijvoorbeeld om situaties waarin een derde land kan worden beschouwd als een veilig
land van herkomst en situaties waarin kennelijk tegenstrijdige verklaringen, of verklaringen
die strijdig zijn met de relevante of beschikbare informatie over het land van herkomst
zijn afgelegd. Deze facultatieve toepassingsvoorwaarden komen overeen met de situaties
waarin ook nu al de grensprocedure wordt toegepast. De regering wil om die reden ook
in de toekomst van deze facultatieve ruimte gebruikmaken om zo de huidige wettelijke
grensprocedure, die naar haar oordeel goed functioneert, te kunnen handhaven.
De wettelijke grondslag van de (asiel)grensprocedure kan worden gevonden in artikel
3, derde lid, aanhef van de Vreemdelingenwet 2000. Deze grondslag wordt in lijn met
hetgeen hiervoor is opgemerkt door de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact
2026 niet wezenlijk gewijzigd. De keuze om gebruik te maken van de expliciete ruimte
die het Asiel- en migratiepact op dit punt biedt en dus ook ten aanzien van de voornoemde
additionele groepen asielzoekers het asielverzoek direct bij aankomst aan de buitengrens
te beoordelen en daarmee een snelle terugkeer van asielzoekers zonder recht op asielbescherming
te bewerkstellingen, sluit aan bij de doelstelling van de regering om grip te krijgen
op migratie en daartoe alle ruimte te gebruiken die het Asiel- en migratiepact biedt.
Om voorgaande redenen heb ik tijdens het wetgevingsoverleg het amendement ontraden, en zie ik geen aanleiding nu tot een andere appreciatie te komen.
Amendement Boomsma/Ceulemans nr. 58
Na afloop van het wetgevingsoverleg hebben de leden Boomsma en Ceulemans hun amendement
(Kamerstukken II 2025/26, 36 871, nr. 34) gewijzigd. Tijdens het wetgevingsoverleg heb ik dit amendement ontraden, vanwege
de daarin opgenomen bevoegdheid om een sollicitatieplicht op te leggen. In het nader
gewijzigd amendement (Kamerstuk 36 871, nr. 58) is deze sollicitatieplicht komen te vervallen en is enkel de bevoegdheid voor het
COA behouden om vreemdelingen te verplichten deel te nemen aan cursussen gericht op
het verwerven van mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal
en kennis van de Nederlandse maatschappij. Tijdens het wetgevingsoverleg heb ik al
opgemerkt dat ik voor deze bevoegdheid meer ruimte zie.
Om deze reden geef ik het nader gewijzigd amendement de appreciatie: oordeel Kamer.
Amendement Vondeling/Wilders nr. 61
Het na het wetgevingsoverleg ingediende amendement Vondeling/Wilders (Kamerstukken
II 2025/26, 36 871, nr. 61) beoogt te regelen dat het staatsnoodrecht dat in de Vreemdelingenwet 2000 is opgenomen
onmiddellijk wordt geactiveerd. Daarmee wensen de indieners een asielstop en een stop
op nareis mogelijk te maken. Naar het oordeel van de regering is aan de voorwaarden
voor activatie van het staatsnoodrecht niet voldaan.
Om die reden ontraad ik dit amendement.
Toezegging wetsvoorstel uitlezen gegevensdrager
Verder bevestig ik hierbij ook de toezegging die ik tijdens het wetgevingsoverleg
naar aanleiding van het amendement Boomsma c.s. (Kamerstuk 36 871, nr. 33) heb gedaan, namelijk om het wetsvoorstel dat een grondslag creëert voor het uitlezen
van gegevensdragers met voorrang op te pakken en dit wetsvoorstel in het tweede kwartaal
in consultatie te brengen. De urgentie die de indieners van het amendement voelen,
wordt door mij gedeeld. Tegelijkertijd is het belangrijk dat het wetgevingsproces
zorgvuldig verloopt en dus ook de Autoriteit Persoonsgegevens om advies zal worden
gevraagd. Om er alles aan te doen om het wetsvoorstel zo snel mogelijk bij uw Kamer
te krijgen, zal ik, zoals ik met uw Kamer deelde met de Autoriteit Persoonsgegevens
in contact treden over het met spoed uitbrengen van een advies.
Overige amendementen en moties
Tot slot merk ik op dat alle overige wijzigingen van reeds ingediende amendementen,
tot en met het amendement met stuknummer 61, niet hebben geleid tot een aanpassing
van de eerder gegeven appreciaties. Dat geldt overigens ook voor na het wetgevingsoverleg
ingediende gewijzigde moties.
De Minister van Asiel en Migratie,
G. van den Brink
Indieners
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie