Brief regering : Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof
36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026
Nr. 80
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 maart 2026
Nederland wil vooruit. Het kabinet geeft daarom grote prioriteit aan het oplossen
van de stikstofproblematiek. We maken duidelijke keuzes voor een sterke en toekomstbestendige
agrarische sector en het structureel verbeteren van de natuur. Zodat vergunningverlening
stapsgewijs weer mogelijk wordt voor het bouwen van de woningen die zo hard nodig
zijn, verduurzaming van de landbouw en de industrie, het mogelijk maken van de noodzakelijke
uitbreiding van Defensie, projecten in de bereikbaarheid en waterveiligheid, perspectief
en duidelijkheid over nieuwe investeringen voor het brede bedrijfsleven, en voor een
economie die werkt. Kortom, voor een land dat ook vooruit kan. Dat vraagt op korte
termijn om diverse, soms ingrijpende besluiten, maar deze leiden tot duidelijkheid
en duurzaam perspectief voor boeren, natuur en Nederland. Daarom heeft het kabinet
duidelijke doelen gesteld, concrete maatregelen aangekondigd en een bijpassende investering
van € 20 miljard tot en met 2035 zeker gesteld. Het kabinet heeft direct de Taskforce
Landbouw, Natuur en Stikstof in het leven geroepen om doorbraken op dit dossier te
realiseren en heeft daarvoor een duidelijke opdracht meegekregen1.
Het kabinet pakt deze opdracht niet alleen op. We geloven in het vakmanschap en de
innovatiekracht van de Nederlandse agrarische sector. De energie en kennis van boeren,
in de sector en in de gebieden zijn van groot belang om betekenisvolle stappen te
kunnen zetten. Daarom kiezen we ervoor om samen met boeren en ketenpartijen te werken
aan een toekomstbestendige landbouw en met nog veel meer partijen aan een sterke natuur
en een vitaal platteland. Dit omvat medeoverheden, natuurbeheerders, landbouworganisaties,
het bredere bedrijfsleven, natuur- en milieuorganisaties en lokale initiatieven en
samenwerkingsverbanden van bewoners.
In deze brief schetst het kabinet de aanpak. Uw Kamer ontvangt op een later moment
de beleidsbrief van LVVN, die breder ingaat op het LVVN-beleid. en wordt achtereenvolgens
ingegaan op: I.) de uitgangspunten van de aanpak; II.) de belangrijkste inhoudelijke
pijlers; III.) samenwerking met de Kamer, medeoverheden en maatschappelijke partijen;
en IV.) prioriteiten tot de zomer. Met deze brief geef ik ook invulling aan het verzoek
van de vaste Commissie voor LVVN om een brief naar de Kamer te sturen met de wijzigingen
in het beleid van dit kabinet ten opzichte van het kabinet-Schoof2.
I. Uitgangspunten van de aanpak
Het kabinet heeft een aantal duidelijke uitgangspunten geformuleerd voor de aanpak:
• De aanpak richt zich op de opgaven voor natuur en stikstof, in samenhang met de opgaven
op water en gewasbeschermingsmiddelen, klimaat en dierwaardigheid, gericht het vormgeven
van een toekomstbestendige landbouw en een toekomstgericht voedselsysteem.
• De inzet van de aanpak is voldoende en zekere stikstofreductie in de sectoren landbouw,
industrie en mobiliteit, in combinatie met aanvullende gebiedsgerichte emissiereductie
en natuurverbetering gericht op alle drukfactoren. Dit is nodig om stapsgewijs en
per gebied de vergunningverlening weer los te trekken, om onze natuur duurzaam te
herstellen, en om invulling te geven aan de Vogel- en Habitatrichtlijn: dat betekent
dat (dreigende) verslechtering van de natuur wordt voorkomen en op termijn de instandhoudingsdoelstellingen
worden bereikt. Dit helpt tevens bevoegde gezagen, zoals provincies, om af te zien
van handhaving bij PAS-melders Daarnaast kan deze inzet PAS-melders en andere ondernemers
die als gevolg van onrechtmatig overheidshandelen in de problemen zijn gekomen op
termijn aan een structurele oplossing helpen.
• We kiezen voor een geborgde aanpak. Dat betekent dat aanvullende maatregelen worden
getroffen als de emissiedoelen voor de landbouw, industrie en mobiliteit voor 2035,
of het tussenliggende streefdoel voor de landbouw voor 2030, niet worden bereikt («bijsturing»).
• We maken gebruik van de bestaande monitoringssystematiek om inzicht te krijgen in
de voortgang richting doelbereik, en richten waar nodig aanvullende monitoring in.
• Het kabinet kiest ervoor om de verschillende opgaven in onderlinge samenhang en synergie
met elkaar te realiseren. Dit is effectiever en doelmatiger en heeft ook als doel
het voorkomen dat (agrarische) ondernemers steeds nieuwe investeringen moeten doen
en voor nieuwe uitdagingen komen te staan.
• We houden rekening met de bredere maatschappelijk context en de impact op het landelijk
gebied en op de robuustheid van de landbouwsector en bijbehorende ketens. Een maatschappelijk
vitaal landelijk gebied en perspectief voor de landbouw staan centraal. Waar nodig
plegen we hiervoor aanvullende inzet.
• We slaan de handen ineen met medeoverheden, maatschappelijke partijen, natuurorganisaties,
(agrarische) keten- en sectorpartijen en andere belanghebbenden, waarbij de wijze
van betrokkenheid en benodigde inzet verschilt per dossier. We werken samen op basis
van onderling vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid.
• We slaan een nieuwe weg in met een nieuwe aanpak op basis van zeven pijlers. Waar
dat versnelling met zich meebrengt, bouwen we voort op plannen, ideeën en onderdelen
van beleid van de afgelopen jaren.
• We maken gebruik van de energie die er is in de samenleving en van lopende plannen,
gebiedsprocessen en initiatieven in provincies.
• We trekken lessen uit het verleden en bouwen voort op wetenschappelijke inzichten
en rapporten, voorstellen van medeoverheden en maatschappelijke partijen en adviezen
en publicaties van onder andere het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), de Raad
voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli), de Nationale ombudsman en de Algemene
Rekenkamer.
II. Een aanpak op basis van zeven samenhangende pijlers
Het kabinet werkt de opdracht uit via een aanpak op basis van zeven pijlers. Van belang
is om de samenhang en synergie tussen de afzonderlijke pijlers te borgen vanwege de
grote afhankelijkheden. Zo wordt met de inzet als geheel invulling gegeven aan de
verschillende opgaven en doelen.
Pijler 1: Generieke stikstofreductie
Het kabinet werkt aan een pakket generieke maatregelen om boeren duidelijkheid te
geven en een vitale landbouwsector vorm te geven. Onderdeel daarvan is het behalen
van de beoogde emissiereductie van ammoniak van 23%–25% in 2030 en benodigde 42%–46%
reductie in 2035 ten opzichte van 2019. De bijdrage van deze maatregelen aan de klimaatopgave
en de klimaatdoelen voor 2030 zal waar mogelijk daarbij in beeld gebracht worden.
Daarnaast onderzoekt het kabinet of de landelijke emissiereductiedoelen voor ammoniak
en broeikasgassen kunnen worden vertaald naar de afzonderlijke deelsectoren zodat
voor elke deelsector duidelijk is wat hun opgave is. Het kabinet zal voor de zomer
maatregelen nemen gericht op generieke emissiereductie, zoals het vaststellen van
afromingspercentages voor de sectoren melkvee, varkens en pluimvee (bij overdracht
buiten familieverband). Het kabinet zal voor de zomer ook duidelijkheid bieden over
de invulling van andere specifieke generieke reductiemaatregelen.
Om aan de slag te kunnen gaan met het generieke pakket is het van het grootste belang
dat individuele boeren duidelijkheid krijgen over wat er van hen wordt verwacht. Daarom
werkt het kabinet de bedrijfsspecifieke emissienormen voor ammoniak en broeikasgasemissies
met prioriteit uit. Dat betekent dat er ook keuzes nodig zijn over de toekomst van
de landbouw. Een belangrijke keuze in het coalitieakkoord is om toe te werken naar
grondgebondenheid en daarmee een zoveel mogelijk gesloten kringloop op melkveebedrijven,
door een betere balans aan te brengen tussen de dieraantallen en de mestproductie
enerzijds, en het grondareaal en de mestplaatsingsruimte in de landbouw anderzijds.
Daarom voert het kabinet uiterlijk in 2032 een norm voor grondgebondenheid in.
Voor het kabinet is handelingsperspectief voor agrarische ondernemers essentieel om
aan emissiereductie te werken. Het kabinet heeft hiervoor financiële middelen beschikbaar
gesteld en zal een concreet ondersteuningspakket uitwerken (zie ook pijler 3). Het
handelingsperspectief moet ruimte geven voor de kennis en kunde van de boeren, die
weer vertrouwen krijgen om het werk te doen waar ze goed in zijn en verantwoordelijkheid
kunnen nemen. Dit betekent ook dat als boeren ervoor kiezen om te stoppen, we dat
mogelijk willen maken door de vrijwillige beëindigingsregelingen voort te zetten.
Boeren die stoppen kunnen hun grond aanbieden aan de overheid, conform de bestaande
werkwijze van de Nationale Grondbank LVVN voor extensivering en natuur. Deze richten
we meer op veehouderijlocaties gelegen binnen de zones (zie ook pijler 2). Het kabinet
gaat er alles aan doen om via deze pijlers het streefdoel voor 2030 en het stikstofdoel
voor 2035 voor de landbouw te halen. Mocht het stikstofdoel voor de landbouw van 2035
niet wordt gehaald, zal als ultieme remedie worden gekort op dier- of fosfaatrechten
bij landbouwbedrijven. Daarvoor zal het Kabinet de wettelijke basis voor het bestaande
stelsel van dier- en fosfaatrechten verbreden.
Voor de industrie zet het kabinet in op een reductie van ammoniakemissies van 50% in 2035, en voor de mobiliteit van 50% emissiereductie van stikstofoxiden
in 2035, beide ten opzichte van 2019. De komende periode werkt het kabinet aan de
verdere invulling van de inzet die nodig is om deze emissiedoelen te bereiken.
Pijler 2: Gebiedsgerichte inzet
In aanvulling op het generieke beleid zet dit kabinet in op een gebiedsgerichte aanpak.
In veel gebieden wordt al samengewerkt aan gebiedsopgaven. Het kabinet bouwt hierop
voort en werkt hiervoor voorstellen uit in nauwe samenspraak met medeoverheden waarbij
de inzet is dat in vergelijkbare gebieden dezelfde regels gaan gelden, zodat er voor
ondernemers een zo gelijk mogelijk speelveld ontstaat. Het kabinet heeft daarbij in
het bijzonder aandacht voor de vier kwetsbare gebiedstypen: overgangszones rondom
Natura 2000-gebieden, veenweiden, beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden. Hiervoor
zijn passende instrumenten en financiering beschikbaar.
Het kabinet maakt de keuze om rond kwetsbare Natura 2000-gebieden te gaan zoneren.
In deze zones is een hogere emissiereductie nodig dan elders en worden het landbouwkundig
gebruik en de inrichting van de zone, waar dat nodig is, aangepast aan de doelstellingen
van het Natura 2000-gebied. Extensief grondgebruik, bijvoorbeeld door extensieve vormen
van grondgebonden landbouw en emissiearme veehouderij, met een toekomstbestendig verdienmodel,
zijn voor deze gebieden een belangrijk onderdeel van het eindbeeld. Door bedrijven
duidelijke, op extensivering gerichte, kaders mee te geven ontstaat helderheid en
zullen gebiedsprocessen en grondmobiliteit worden versneld. Gezien de urgentie van
de opgaven is het nodig om hiervoor al op korte termijn een zorgvuldig proces in te
richten, waarbij boeren de tijd en ondersteuning krijgen om de benodigde transitie
te maken door te innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen of beëindigen.
Het kabinet erkent dit en neemt hierin ook haar verantwoordelijkheid (zie Pijler 5).
Voor natuurherstel in de Natura 2000-gebieden zijn ook maatregelen nodig in de omliggende
zones, bijvoorbeeld ten aanzien van hydrologie. Herstel van watersystemen en in te
passen natuuropgaven zijn onderdeel van de ruimtelijke puzzel. Dit betekent dat de
ruimtelijke invulling rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden ook wordt opgenomen in
de definitieve Nota Ruimte.
Het is van belang dat we snel aan de slag gaan en versterken wat al loopt. Op die
manier komen Rijk en medeoverheden samen tot realisatie. Het verleden leert ons dat
niet alles overal tegelijk kan. Om die reden gaan we door met de gebiedsgerichte en
interbestuurlijke inzet in de prioritaire gebieden, Veluwe, de Peel, Groene Hart,
Hart van het Noorden en Noordwest Overijssel, en starten we in 2026 met de uitvoering.
In deze prioritaire gebieden liggen ook een fors aantal overbelaste Natura 2000-gebieden.
Daarom is zonering daar een belangrijk onderdeel van de bredere integrale aanpak.
Het kabinet kiest er daarnaast voor om, in aanvulling op de inzet in prioritaire gebieden,
in een aantal specifieke gebieden met prioriteit aan de kansen voor de economie te
werken. Door in te zetten op het verbeteren van de natuur op specifieke plekken kan
de vergunningverlening ook in belangrijke economische clusters mogelijk gemakkelijker
worden gemaakt. Daarom zet het kabinet de aanpak in economische clusters, waaronder
Brainport Eindhoven en de Haven van Rotterdam, voort. Het kabinet zal blijven kijken
naar mogelijkheden voor versnelling in andere gebieden.
Pijler 3: Natuurbehoud en -verbetering
Het kabinet werkt aan een gezonde, veerkrachtige en diverse natuur, die nodig is voor
de economie en onze samenleving, en waarvan we nu en in de toekomst kunnen genieten.
Het kabinet onderschrijft de intrinsieke waarde van de Nederlandse natuur en gaat
aan de slag om die te versterken en te herstellen. De gecombineerde inzet uit alle
pijlers van deze taskforce heeft tot doel hier een grote bijdrage aan te leveren.
Conform het coalitieakkoord verbeteren we verslechterde natuurgebieden, onder meer
door de aanpak van belemmerende drukfactoren, zoals stikstof, verdroging en invasieve
exoten. Voor het duurzaam herstel van onze natuur is een aanzienlijke beperking van
de drukfactoren en daarmee een verbetering van de ruimtelijke en milieucondities noodzakelijk.
Daarbij zoeken we nadrukkelijk de synergie met aanpalende beleidsopgaven uit het coalitieakkoord,
zoals de aanpak in de zones rondom Natura 2000-gebieden. Onder meer in de zoneringsaanpak
leggen we ook de koppeling met het waar nodig uitbreiden en verbinden van natuurgebieden
en het tegengaan van versnippering van onze natuur.
Ook investeert het kabinet structureel in natuurbeheer door terreinbeherende organisaties
en andere natuurbeheerders. Adequaat natuurbeheer draagt in combinatie met andere
maatregelen wezenlijk bij aan het realiseren van de natuurdoelen. Via blijvende aandacht
voor agrarisch natuurbeheer wil het kabinet boeren langjarig ondersteunen bij het
treffen van effectieve natuurmaatregelen.
Aan deze aanpak werkt het kabinet samen met onder andere natuurorganisaties, boeren
en andere overheden. Met provincies gaan we in gesprek over de huidige uitvoering
van het Natuurpact, onder meer over de realisatie van Natuurnetwerk Nederland. Daarnaast
gaat het kabinet aan de slag met nieuwe bestuurlijke afspraken voor de periode na
2027, inclusief heldere afspraken over verantwoordelijkheidsverdeling en verantwoording.
Veel van het werk voor de verbetering van de Nederlandse natuur binnen en buiten beschermde
gebieden komt ook samen in het Natuurplan, waarin staat hoe Nederland de verplichtingen
vanuit de Natuurherstelverordening gaat uitvoeren.
Pijler 4: Vergunningverlening en juridische agenda
De juridische agenda van het kabinet is gericht op het beter kunnen onderbouwen van
additionaliteit, het invoeren van een rekenkundige ondergrens en het wettelijk vastleggen
van emissiedoelen. Om op termijn en stapsgewijs een structurele oplossing te bieden
aan PAS-melders en weer ruimte voor natuurvergunningverlening te creëren is in de
eerste plaats een geborgd maatregelenpakket nodig. Bovendien is het nodig om goed
te weten wat de toekomstige effecten van de maatregelen in Natura 2000-gebieden zijn.
De kenbaarheid van de kwaliteit van Natura 2000-gebieden vraagt om nauwe samenwerking
met de provincies.
Om emissies te kunnen reduceren is ook van belang dat activiteiten die op de langere
termijn bijdragen aan verduurzaming en emissiereductie, zoals hernieuwbare-energieprojecten,
verduurzaming van de landbouw en industriële verduurzamingsprojecten mogelijk worden
gemaakt. Het additionaliteitsvereiste zou dit niet in de weg moeten staan. Daarom
werkt het kabinet met urgentie aan een aanpak gericht op het onderbouwen van additionaliteit
en zet het kabinet specifiek in op het mogelijk maken van verduurzaming en stikstofreductie.
We werken samen met provincies om hier stappen in te zetten. Het kabinet verkent daarnaast
de mogelijkheid om op Europees niveau een uitzondering te krijgen die het mogelijk
maakt om soepeler om te gaan met (tijdelijke) stikstofemissies van industriële verduurzamingsprojecten.
Ook werkt het kabinet aan de voorbereiding om zo snel mogelijk, bij een gebleken en
geborgd reductiepakket, een juridisch houdbare rekenkundige ondergrens in te voeren.
Hiermee geeft het kabinet ook invulling aan de motie-Bromet c.s.3 en motie-van der Plas4. Het vorige kabinet heeft professor Backes en professor Petersen gevraagd te reflecteren
op de noodzaak van flankerend beleid bij de invoering van de rekenkundige ondergrens,
deze reflectie is bijgevoegd bij deze brief. Ik deel de conclusie van Backes en Petersen
dat een rekenkundige ondergrens alleen kan worden ingevoerd wanneer dit gepaard gaat
met flankerende maatregelen. In de komende periode ga ik, in samenwerking met de provincies,
onderzoeken hoe er invulling gegeven kan worden aan deze flankerende maatregelen en
hoe deze zich verhouden tot het reductiepakket.
Ten slotte vervangen we zo snel mogelijk de huidige op de KDW-gebaseerde stikstofdoelen door de emissiedoelen voor de industrie, landbouw en mobiliteit
en leggen ze wettelijk vast, zodra er een voldoende geborgd maatregelpakket ligt.
Voor de landbouw gaat dit om een ammoniakreductie van 42–46%, voor de industrie om
50% ammoniakreductie, en voor de mobiliteit een reductie van stikstofoxiden van 50%, in 2035 ten
opzichte van 2019. Hiertoe werkt het kabinet verder aan het herziene wetsvoorstel
«vervangen omgevingswaarde stikstof» dat reeds door de Raad van State van advies voorzien
is. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt het wetsvoorstel en
het bijbehorende programma van maatregelen verder uitgewerkt. Na besluitvorming over
het maatregelpakket kan het wetsvoorstel naar de Kamer worden verstuurd.
Pijler 5: Een toekomstbestendige landbouwsector
Om Nederland van het slot te krijgen, worden landbouwbedrijven gevraagd grote aanpassingen
door te voeren in de individuele bedrijfsvoering. Om beweging bij de ondernemers in
de verschillende deelsectoren te krijgen, beleidsdoelen en wettelijke normen te kunnen
halen en voor economisch toekomstperspectief is de komende tien jaar financiële en
faciliterende ondersteuning van boeren nodig. Voor een integrale aanpak van de verschillende
opgaven in de landbouw is (door)ontwikkeling van technieken noodzakelijk, zullen boeren
de komende jaren ondersteund moeten worden bij investeringen en aanpassingen van de
bedrijfsvoering, en zal ook de keten haar verantwoordelijkheid moeten nemen. Ook zet
het Kabinet in op persoonlijke begeleiding, onder meer met zaakbegeleiding, de aanpak
ondernemingsplannen en waar nodig het leveren van maatwerk. Onderdeel van het ondersteuningspakket
hiervan is ook een kennis- en innovatieagenda. Een stevige, brede inzet op kennis
en innovatie is van belang voor de toekomst van de landbouw, voor de aanpak van stikstof
en voor natuurherstel.
Pijler 6: Een sociaal en economisch vitaal platteland
De verschillende pijlers hebben elk op hun manier een uitwerking op de inrichting
van het platteland. Van belang is om de regionale uitdagingen die hieruit voortkomen,
zoals het herbestemmen van gronden, het op peil houden van werkgelegenheid en het
behoud van sociale cohesie, in samenhang aan te pakken met andere vraagstukken die
regionaal spelen. Door dat te doen kan de leefbaarheid van plattelandsregio’s de komende
jaren juist worden versterkt. Dat is van direct belang voor alle inwoners en gebruikers
van het landelijk gebied, waar van oudsher een grote verbondenheid is met het eigen
dorp, de eigen streek of de eigen regio, maar waar de sociale en economische structuren
ook onder druk staan.
Aandacht voor sociaaleconomische aspecten ziet het kabinet als essentieel onderdeel
van het beleid om landbouw en natuur in evenwicht te brengen en de vergunningenproblematiek
op te lossen. Het beleid op dit vlak pakt het kabinet de komende tijd op met medeoverheden
en diverse andere organisaties. Dit, met oog voor wat er lokaal speelt en bouwend
op de bestaande kracht van het platteland, andere onderdelen van het kabinetsbeleid
en met nauwe betrokkenheid van inwoners en lokale organisaties.
Het kabinet koppelt de inzet op dit thema in de eerste plaats aan de bestaande rijksinzet
en samenwerkingsverbanden rond de gebieden waar de opgaven het grootst zijn, zoals
de Veluwe en de Peel. Daarnaast ontwikkelt het kabinet beleid om ook in andere gebieden,
in samenhang met de inzet op landbouw en natuur de sociale en economische vitaliteit
te behouden of te versterken.
Pijler 7: Klimaat, water, gewasbeschermingsmiddelen en dierwaardigheid
De inzet gericht op stikstofreductie en natuurverbetering hangt nauw samen met de
andere opgaven in het landelijk gebied, namelijk klimaat, water, gewasbeschermingsmiddelen
en dierwaardigheid. Voor de Kaderrichtlijn Water geldt dat in 2027 doelen behaald
moeten zijn en dat er een risico is voor vergunningverlening als er onvoldoende maatregelen
worden getroffen. Dat betekent onder meer dat het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn in lijn moet worden gebracht met de verplichtingen
van de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
is hier ook aan verbonden. Daarvoor kiest het kabinet voor het sluiten van een convenant
gewasbeschermingsmiddelen. Uw kamer wordt nog per brief geïnformeerd over het proces
hiervoor. De inzet op klimaat is gericht op de klimaatdoelen voor de landbouw en landgebruik
in 2030, waarvoor naast de maatregelen uit pijler 1 wordt ingezet op invoering per
2029 van een normering gericht op de inzet van methaanremmers in veevoer, inzet op
veenweide en minerale landbouwbodems, en inzet rondom de bossenstrategie.
Voor dierwaardigheid werkt het kabinet, ten slotte, aan een ontwerp-AMvB Dierwaardige Veehouderij en het instellen van een landelijke autoriteit dierwaardige
veehouderij, en wordt geïnvesteerd in dierwaardige veehouderij via subsidies en fiscale
regelingen. De stappen naar dierwaardige veehouderij hebben een sterke relatie met
alle andere opgaven, zoals vanuit milieu en klimaat, die op het boerenerf afkomen,
in lijn met de motie van de leden Bromet en Ouwehand5. In de verdere uitwerking van stappen zal daarom ook steeds naar de integraliteit
van de opgaven worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde
investeringsbeslissingen kunnen nemen voor integraal duurzame stallen.
Uitgangspunt van het kabinet is dat maatregelen gericht op stikstof integraal worden
ingericht, zodanig dat rekening wordt gehouden met deze andere opgaven en maatregelen
hier, waar mogelijk, aan bijdragen. Zo wordt het risico op lock-in effecten beperkt
en wordt voorkomen dat maatregelen die worden getroffen in het kader van de ene opgave,
worden afgewenteld op een andere opgave. Een voorbeeld hiervan is de opgave voor gezonde
leefomgeving die gericht is op het verbeteren van de luchtkwaliteit, volgend uit de
EU-richtlijn luchtkwaliteit, en het verminderen van geurhinder van veehouderijen.
In de verdere uitwerking zal daarom ook steeds naar de integraliteit van de opgaven
worden gekeken zodat boeren weten waar ze aan toe zijn en verantwoorde investeringsbeslissingen
kunnen nemen.
III. Werkwijze en samenwerking
Om deze opgaven met urgentie op te kunnen pakken, heeft het kabinet de Ministeriële
Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof ingericht. Het kabinet draagt zorg voor de
samenhang van deze Ministeriële Taskforce met de Ministeriële Taskforces op aanverwante
thema’s, zoals de Taskforce Versnelling Woningbouw en de Taskforce Toekomstige Welvaart
en Vestigingsklimaat.
Het kabinet realiseert zich dat we er alleen met beleidsdoelen niet komen en dat uitvoeringskracht
van de overheden cruciaal is om tot daadwerkelijke realisatie te kunnen komen. Daarom
werkt het kabinet in een werkgroep uitvoeringskracht nauw samen met de verschillende
uitvoeringsorganisaties en overheden. Deze werkgroep zal benoemen hoe opgaven, ook
in een tijd met een krappe arbeidsmarkt, zo snel mogelijk kunnen worden gerealiseerd.
Daarnaast zal het kabinet zorgen voor uitwerking van de inrichting van toezicht en
handhaving.
We doen dit als Rijk niet alleen. We kunnen alleen invulling geven aan de verschillende
opgaven als we nauw samenwerken met medeoverheden en samen optrekken maatschappelijke
partijen. Voor samenwerking met maatschappelijke partijen en medeoverheden komt er
daarnaast een maatschappelijk overleg Landbouw, Natuur en Stikstof, en worden de reeds
bestaande overlegtafels op de verschillende deelonderwerpen benut. Dit maatschappelijk
overleg heeft als doel om te komen tot afspraken over de uitgangspunten voor een duurzame,
toekomstbestendige landbouw en een sterke natuur in Nederland, in samenhang met de
onderwerpen waarover wordt besloten in de verschillende inhoudelijke bestuurlijke
overleggen. Ik streef ernaar een breed overleg in te richten met deelnemers vanuit
de landbouwsector zelf, ketenorganisaties, sectorpartijen, natuur- en milieuorganisaties.
De partijen die aansluiten zijn Avined, Biohuis, BO Akkerbouw, BoerenNatuur, Bouwend
Nederland, CoViVa, Dierenbescherming, FNLI, Greenports Nederland/Glastuinbouw Nederland,
LandschappenNL, LTO Nederland, NAJK, Natuur & Milieu, Natuurmonumenten, Rabobank,
VNO-NCW, ZuivelNL. Aan dit maatschappelijk overleg zullen ook verschillende bewindspersonen,
waaronder ikzelf, deelnemen. De heer Elbert Dijkgraaf zal het maatschappelijk overleg
als onafhankelijk voorzitter leiden.
We bouwen voort op de verschillende voorstellen die al zijn gedaan door medeoverheden
en maatschappelijke partijen, zoals de bouwsteen landbouw, de bouwsteen natuur en
het versnellingsplan («Een robuuste route voor vergunningverlening en natuurherstel
in Nederland»). Hiermee wordt de motie van het lid Bromet6 over het meewegen van de voorstellen van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuurmonumenten
en Natuur & Milieu afgedaan. Ook benutten we uiteraard recente wetenschappelijke kennis,
zoals de Landbouw- en Natuurverkenning van het PBL. Aan het PBL en andere kennisinstellingen
zal gevraagd worden te reflecteren op het totaal aan maatregelen.
Gezien de urgentie van de verschillende opgaven voor Nederland en het gegeven dat
dit kabinet geen vaste meerderheid heeft, vindt het kabinet het van belang om te streven
naar brede steun in het parlement. Daarom ga ik het gesprek graag aan met de Kamer
over de verdere invulling van de aanpak en zal ik voorstellen vanuit de Kamer zorgvuldig
bestuderen en benutten.
IV. Prioriteiten tot de zomer
Met deze aanpak werken we aan een aantal grote en urgente opgaven, maar we kunnen
niet alles tegelijk. Voor een aantal pijlers en maatregelen geldt dat op de korte
termijn keuzes nodig zijn die bepalend zijn voor de aanpak als geheel. We kiezen er
daarom voor om tot de zomer prioriteit te geven aan uitwerking van de volgende onderdelen
van de aanpak:
• Komen tot een maatregelpakket met generieke reductiemaatregelen (pijler 1), waaronder
beleidsmatige invulling van:
○ Bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat in de melkveehouderij (pijler
1);
○ Grondgebondenheid (pijler 1);
○ Vrijwillige beëindigingsregelingen;
○ Het verbreden en verbeteren van het stelsel van productierechten (pijler 1);
○ Afroming van productierechten bij verhandeling (pijler 1);
○ De inzet die nodig is voor industrie en mobiliteit (pijler 1);
• Komen tot een beleidsmatige invulling van de zoneringsaanpak, waaronder keuze voor
gebieden, breedte van de zones, hoofdlijnen van de regels en beoogde datum van inwerkingtreding
(pijler 2);
• Afronden van ontwerp-Natuurplan en indienen bij de Europese Commissie, gesprekken
met provincies over het optimaliseren van het huidige Natuurpact, ten behoeve van
een duidelijk proces richting een nieuw Natuurpact (pijler 3);
• Komen tot een gedragen oplossing voor het mogelijk maken van vergunningverlening van
verduurzamingsactiviteiten (pijler 4);
• Komen tot een opvolger van het legalisatieprogramma PAS-melders (pijler 4);
• Komen tot een maatregelpakket met faciliterende en stimulerende instrumenten om boeren
te ondersteunen bij verduurzaming en omschakeling naar minder intensieve of meer natuur-inclusieve
landbouw (pijler 5);
• Bepalen van kaders en invulling van het beleid gericht op sociaaleconomische vitaliteit
(pijler 6);
• Aanbieden van de ontwerp-AMvB Dierwaardige Veehouderij voor behandeling aan de Tweede
Kamer (pijler 7);
• Bepalen van de hoofdkeuzes en maatregelen binnen het convenant gewasbeschermingsmiddelen
(pijler 7).
Voor andere onderdelen van de aanpak geldt dat de komende periode voorbereidingen
worden getroffen die nodig zijn om na de zomer vervolgstappen te kunnen zetten.
Tot slot
Het kabinet werkt de komende periode, samen met medeoverheden en maatschappelijke
partijen, aan de verdere uitwerking van de aanpak. Vóór de zomer zal ik de Kamer informeren
over de verdere invulling van de pijlers en in het bijzonder van eerdergenoemde prioriteiten.
Ook ontvangt uw Kamer op korte termijn een beleidsbrief met daarin nadere uitwerking
van de planning, en wat dat betekent voor de wetgevingsbehandeling en voor het delen
van voorstellen met de Kamer. De komende maanden ga ik hierover graag met uw Kamer
in gesprek.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Indieners
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur