Brief regering : Kabinetsreactie op de initiatiefnota van het lid Ceder “Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid” (Kamerstuk 36888)
36 888 Initiatiefnota van de leden Ceder en Stoffer over «Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid»
Nr. 5
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 maart 2026
In deze brief reageert het kabinet op de initiatiefnota van het lid Ceder over christenvervolging:
«Tegen christenvervolging, voor geloofsvrijheid: richtinggevende voorstellen voor
een diplomatiek daadkrachtig buitenlandbeleid» (Kamerstuk 36 888).
Het kabinet waardeert de betrokkenheid van het lid Ceder bij het Nederlandse mensenrechtenbeleid
in het algemeen en de vrijheid van religie en levensovertuiging in het bijzonder.
De initiatiefnemer vraagt specifiek aandacht voor de vervolging, onderdrukking en
discriminatie van christenen wereldwijd en doet voorstellen om christenvervolging
tegen te gaan en vrijheid van religie en levensovertuiging te versterken. Het kabinet
is daar dankbaar voor.
De bescherming en bevordering van mensenrechten vormt een kernonderdeel van het Nederlandse
buitenlandbeleid. Vrijheid van religie en levensovertuiging is sinds 2007 een prioriteit
binnen dit beleid. Een recht dat is verankerd in artikel 18 van de Universele Verklaring
van de Rechten van de Mens en in artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake
Burgerrechten en Politieke Rechten. Het omvat de vrijheid om een religie of levensovertuiging
te hebben of aan te nemen, deze te veranderen, geen religie te belijden en deze individueel
of in gemeenschap met anderen, in het openbaar of privé, te uiten.
Het kabinet ziet dat geloofsvervolging in diverse regio’s een ernstige en hardnekkige
realiteit vormt. Religieuze minderheden, onder wie christenen, worden in uiteenlopende
landen geconfronteerd met discriminatie, geweld, misbruik van wetgeving en beperkingen
op religieuze uitingen. Rapportages van diplomatieke posten, internationale organisaties
en maatschappelijke netwerken bevestigen dat vrijheid van religie en levensovertuiging
wereldwijd onder druk staat. Waar religieuze vrijheid wordt beperkt, is vaak ook sprake
van bredere aantasting van rechtsstatelijke beginselen en andere fundamentele vrijheden.
De inzet van het kabinet richt zich op de bescherming van dit recht voor ieder individu,
ongeacht religie of levensovertuiging. Mensenrechten zijn universeel en ondeelbaar.
Tegelijkertijd is het duidelijk dat christenen in veel landen in absolute aantallen
tot de grootste vervolgde religieuze groepen behoren. Onder andere de jaarlijkse rapportage
van Open Doors over christenvervolging vraagt daar terecht aandacht voor. Voor dit
kabinet verdienen specifieke vormen van christenvervolging daarom gerichte aandacht
binnen de bredere inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging.1
De Nederlandse inzet kent daarbij meerdere dimensies: diplomatieke agendering over
vrijheid van religie en levensovertuiging in bilaterale contacten, multilaterale samenwerking
binnen de Europese Unie en de Verenigde Naties, versterking van religieuze geletterdheid
binnen de diplomatieke dienst en ondersteuning van maatschappelijke initiatieven via
gerichte programmatische instrumenten. Daarbij wordt steeds gezocht naar een effectieve
combinatie van politieke dialoog, normatieve inzet en concrete ondersteuning van lokale
actoren. Aandacht voor het tegengaan van christenvervolging maakt daar, waar relevant,
onderdeel van uit.
Tegelijkertijd geldt, net als bij andere mensenrechtenprioriteiten binnen het Nederlandse
buitenlandbeleid, dat de inzet momenteel plaatsvindt binnen beperkte personele en
financiële kaders. Dit noodzaakt tot scherpe keuzes in waar en hoe Nederland zich
inzet. Dat betekent dat posten en het departement voortdurend afwegen waar diplomatieke
inzet, programmering en multilaterale samenwerking het meeste effect kunnen hebben.
In de praktijk is inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging vaak sterk contextafhankelijk
en kan deze in sommige situaties complexer vorm te geven zijn dan andere mensenrechtenprioriteiten.
Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin blasfemiewetgeving wordt toegepast tegen religieuze
minderheden, waarbij internationale druk zorgvuldig moet worden afgewogen om negatieve
repercussies voor betrokken gemeenschappen te voorkomen. Ook kunnen soms spanningsvelden
ontstaan met andere fundamentele rechten, zoals vrijheid van meningsuiting of gendergelijkheid.
Denk daarbij aan situaties waarin religieuze overtuigingen worden aangevoerd ter rechtvaardiging
van beperkingen op de rechten van vrouwen of lhbtiq+-personen. Het kabinet blijft
zich daarom inzetten voor een benadering waarin mensenrechten in onderlinge samenhang
worden bevorderd en waarin bescherming van een bepaald recht niet ten koste gaat van
andere fundamentele vrijheden. In de context van christenvervolging zal het kabinet
ook altijd sterk meewegen hoe Nederlandse steun het beste de rechten en positie van
christenen beschermt, zonder dat hun positie onverhoopt verder onder druk komt te
staan. In de praktijk betekent dat een mix van maatregelen voor en achter de schermen,
zowel diplomatiek als financieel.
Tegen deze achtergrond gaat het kabinet hieronder in op de specifieke voorstellen
die in de initiatiefnota zijn aangedragen.
Investeer in religieuze geletterdheid en in structurele contacten met religieuze actoren
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te investeren in religieuze geletterdheid
en in structurele contacten met religieuze actoren om geloofsvervolging, waaronder
christenvervolging, effectiever tegen te gaan. Het kabinet onderschrijft het belang
van deze inzet en beschouwt religieuze geletterdheid zondermeer als een voorwaarde
voor effectief mensenrechtenbeleid en diplomatie.
Religie is in veel landen diep verweven met maatschappelijke en politieke structuren.
Begrip van religieuze dynamieken is essentieel voor conflictpreventie, het bevorderen
van sociale cohesie en het beschermen van religieuze minderheden. Binnen het Ministerie
van Buitenlandse Zaken wordt reeds structureel geïnvesteerd in religie-sensitief werken.
Diplomaten volgen acculturatiecursussen voorafgaand aan uitzending, waarin religieuze
en culturele contexten integraal onderdeel vormen van landen- en conflictanalyses.
Daarnaast biedt de Academie voor Internationale Betrekkingen een structureel cursusaanbod
waarin mensenrechten, fragiliteit en de rol van religie in internationale betrekkingen
aan bod komen. Vrijheid van religie en levensovertuiging is tevens vast onderdeel
van de jaarlijkse mensenrechtencursus en van het opleidingstraject voor startende
beleidsmedewerkers (IBBZ). In lijn met de aangenomen motie-Ceder (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 49) wordt binnen de begrotingskaders verkend hoe blijvend kan worden geïnvesteerd in
deskundigheid, capaciteit en netwerken ter bevordering van religieuze geletterdheid.
Ten aanzien van structurele contacten met religieuze actoren deelt het kabinet de
opvatting dat lokale religieuze leiders, kerken en andere faith-based organisaties een belangrijke rol kunnen spelen bij het bevorderen van dialoog, verzoening
en maatschappelijke weerbaarheid. Ambassades worden aangemoedigd hun netwerken met
religieuze actoren te verdiepen en religieuze dynamieken structureel te betrekken
in politieke rapportages en landenstrategieën. Daarbij wordt nadrukkelijk ingezet
op inclusiviteit, zodat ook religieuze minderheden, vrouwenorganisaties en jongerenvertegenwoordigers
worden betrokken. In landen waar christenvervolging of andere vormen van geloofsvervolging
aantoonbaar ernstig zijn, wordt dit onderwerp actief geagendeerd in bilaterale contacten.
Deze diplomatieke inzet wordt aanvullend ondersteund via het subsidieprogramma FOCUS
(Focus on Freedom). Binnen dit programma is voor de periode 2026–2.031 EUR 35 miljoen
gereserveerd voor activiteiten gericht op vrijheid van religie en levensovertuiging.
Met deze middelen worden maatschappelijke organisaties ondersteund die zich inzetten
voor de bescherming van religieuze minderheden, het bevorderen van interreligieuze
dialoog, het versterken van maatschappelijke weerbaarheid tegen discriminatie en uitsluiting
en het bevorderen van inclusieve en vreedzame samenlevingen. Hiermee wordt de diplomatieke
inzet van ambassades verbonden aan concrete maatschappelijke programma’s die lokale
religieuze actoren in staat stellen een constructieve rol te spelen bij conflictpreventie
en verzoening.
Ten aanzien van de versterking van de positie van de Speciaal Gezant voor Religie
en Levensovertuiging verwijst het kabinet naar de aangenomen motie-Ceder c.s. (Kamerstuk
36 800 V, nr. 76). Religieuze geletterdheid en het bevorderen van vrijheid van religie en levensovertuiging
maken nadrukkelijk onderdeel uit van diens portefeuille. Conform genoemde motie wordt
momenteel verkend hoe binnen de bestaande begrotingskaders jaarlijks structureel de
benodigde middelen vrij kunnen worden gemaakt voor de Speciaal Gezant voor Vrijheid
van Religie en Levensovertuiging om deze daarmee een structurele positie te geven
binnen het buitenlandbeleid van de Nederlandse overheid.
Versterk online weerbaarheid tegen religieus gemotiveerde haat en vervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet aandacht te besteden aan de rol van online
platforms bij het aanwakkeren van religieus gemotiveerde haat, desinformatie en oproepen
tot geweld, en te investeren in de online weerbaarheid van religieuze minderheden.
Het kabinet onderschrijft dat de online wereld in toenemende mate een belangrijke
rol speelt bij polarisatie, haatzaaiing en het verspreiden van desinformatie (inclusief
over religieuze minderheden). Online uitingen kunnen bijdragen aan stigmatisering,
maatschappelijke uitsluiting en kunnen leiden tot fysiek geweld. Het versterken van
online weerbaarheid en het adresseren van schadelijke online content is daarom een
integraal onderdeel van de bredere mensenrechteninzet, inclusief de inzet op vrijheid
van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze minderheden.
Nederland zet zich internationaal in voor het versterken van informatie-integriteit
online en het tegengaan van online haatspraak en opruiing. Hierbij wordt consequent
het belang benadrukt van de naleving van internationale mensenrechtenstandaarden,
waaronder de bescherming van vrijheid van meningsuiting en vrijheid van religie. De
aanpak van ongewenste inhoud online mag niet als voorwendsel dienen om online vrijheden
(in het bijzonder de vrijheid van meningsuiting) in te perken.
Internationaal wordt via programmatische inzet steun verleend aan maatschappelijke
organisaties die werken aan digitale weerbaarheid, mediawijsheid en het tegengaan
van online haatcampagnes, waaronder tegen religieuze minderheden. In landen waar online
desinformatie of haatcampagnes bijdragen aan spanningen tussen religieuze groepen,
kunnen ambassades via het Mensenrechtenfonds (MRF) lokale initiatieven ondersteunen
die gericht zijn op het versterken van digitale vaardigheden, het bevorderen van verantwoord
online gedrag en het beschermen van mensenrechtenverdedigers.
Programmatische inzet ter bevordering van digitale weerbaarheid is complementair aan
diplomatieke inzet in contacten met partnerlanden. Nederland benadrukt dat regelgeving
niet mag worden misbruikt om vreedzame religieuze uitingen te beperken en ook maatregelen
tegen online haat niet mogen leiden tot disproportionele beperkingen van fundamentele
vrijheden. Deze inzet is nauw verweven met de inzet van het kabinet ter bevordering
van vrijheid van meningsuiting en persvrijheid online. De inzet ter versterking van
online weerbaarheid enerzijds en ter bescherming van uitingen van vrijheid van religie
en levensovertuiging online anderzijds vormen daarmee een geïntegreerd onderdeel van
het bredere mensenrechtenbeleid, waarin bescherming van religieuze minderheden, bestrijding
van haatzaaiing en bescherming van fundamentele vrijheden in samenhang worden benaderd.
Investeer in interreligieuze dialoog
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te investeren in interreligieuze dialoog als
middel om spanningen tussen religieuze gemeenschappen te verminderen en geloofsvervolging
tegen te gaan.
Het kabinet onderschrijft het belang van interreligieuze dialoog als instrument voor
conflictpreventie, sociale cohesie en duurzame vrede. In veel landen waar religieuze
minderheden onder druk staan, zijn religieuze spanningen verweven met politieke, etnische
en sociaaleconomische factoren. Het bevorderen van dialoog tussen religieuze gemeenschappen
draagt bij aan het verminderen van polarisatie, het versterken van wederzijds begrip
en het vergroten van maatschappelijke weerbaarheid tegen extremisme en geweld.
In de periode 2021–2025 heeft Nederland via het programma Joint Initiative for Strategic Religious Action (JISRA) EUR 37 miljoen geïnvesteerd in interreligieuze samenwerking in zeven landen:
Ethiopië, Indonesië, Irak, Kenia, Mali, Nigeria en Oeganda. Binnen dit strategisch
partnerschap werkten Nederlandse en internationale maatschappelijke organisaties samen
met lokale religieuze actoren aan het bevorderen van vreedzame en inclusieve samenlevingen
waarin vrijheid van religie en levensovertuiging wordt gerespecteerd. De inzet richtte
zich onder meer op capaciteitsversterking van religieuze leiders, het ondersteunen
van lokale dialoogstructuren, het tegengaan van haatzaaiing en het bevorderen van
participatie van vrouwen en jongeren binnen religieuze gemeenschappen.
De ervaringen uit JISRA hebben laten zien dat duurzame vooruitgang vraagt om langdurige
betrokkenheid, lokale verankering en samenwerking tussen religieuze en seculiere actoren.
Mede op basis van deze ervaringen wordt de inzet op vrijheid van religie en levensovertuiging,
waaronder interreligieuze dialoog, voortgezet binnen het nieuwe FOCUS-programma (2026–2031).
Binnen dit beleidskader is EUR 35 miljoen gereserveerd voor activiteiten gericht op
vrijheid van religie en levensovertuiging en de bescherming van religieuze minderheden.
Daarnaast zetten ambassades in landen waar religieuze spanningen bijdragen aan instabiliteit
actief in op het bevorderen van interreligieuze dialoog. Zij doen dit zowel via diplomatieke
contacten als via ondersteuning van lokale initiatieven. Daarbij wordt gebruikgemaakt
van het decentrale Mensenrechtenfonds (MRF), waarmee posten context specifieke projecten
kunnen ondersteunen die gericht zijn op versterking van religieuze tolerantie, samenwerking
tussen geloofsgemeenschappen en bescherming van kwetsbare minderheden. Het MRF stelt
ambassades in staat om flexibel en doelgericht in te spelen op lokale behoeften en
kansen voor dialoog en verzoening.
Ook in multilateraal verband ondersteunt Nederland initiatieven die gericht zijn op
het bevorderen van tolerantie, wederzijds begrip en samenwerking tussen religies en
levensovertuigingen. In dat kader blijft Nederland zich ook inzetten binnen het zogenoemde
Istanbul Proces, dat voortvloeit uit de VN Mensenrechtenraadresolutie 16/18 en gericht
is op het tegengaan van religieuze intolerantie en discriminatie. Nederland heeft
in het verleden een internationale bijeenkomst in dit kader georganiseerd en zet zich
in om via dit proces interreligieuze dialoog en samenwerking tussen landen met verschillende
religieuze tradities te versterken. Daarbij zoekt Nederland nadrukkelijk de verbinding
met landen en partners over religieuze lijnen heen. Het bevorderen van vrijheid van
religie en levensovertuiging vraagt om samenwerking tussen staten, religieuze leiders
en maatschappelijke organisaties uit verschillende religieuze en levensbeschouwelijke
tradities.
Werk aan perspectief voor vervolgde religieuze minderheden
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet niet alleen aandacht te hebben voor acute
vervolging, maar ook te werken aan duurzaam perspectief voor religieuze minderheden
die onder druk staan, zodat zij veilig en met gelijke rechten in hun land kunnen blijven
wonen of, waar van toepassing, kunnen terugkeren.
Ook het kabinet is van mening dat bescherming tegen vervolging alleen duurzaam effect
heeft wanneer ook wordt gewerkt aan toekomstperspectief. Voor veel religieuze minderheden,
waaronder christelijke gemeenschappen, geldt dat langdurige onzekerheid, gebrek aan
rechtsbescherming en beperkte toegang tot basisvoorzieningen leiden tot vertrek of
blijvende marginalisering en instabiliteit. Het bevorderen van perspectief betekent
daarom inzet op bescherming van burgers, een mensgerichte rechtsorde, gelijke burgerrechten,
sociaaleconomische participatie en inclusief bestuur, en veilige leefomstandigheden.
Het kabinet benadrukt dat perspectief in de eerste plaats ligt in het versterken van
omstandigheden waarin mensen veilig in hun eigen land kunnen leven, met gelijke rechten
en bescherming onder de wet. Diplomatieke inzet richt zich daarom niet uitsluitend
op het adresseren van individuele incidenten, maar ook op structurele verbetering
van de positie van religieuze minderheden binnen de samenleving als geheel.
In landen waar religieuze gemeenschappen door conflict of extremistisch geweld zijn
getroffen, wordt in gesprekken over stabilisatie en wederopbouw benadrukt dat inclusiviteit
en gelijke rechten voor alle religieuze groepen randvoorwaarden zijn voor duurzame
vrede. In Irak wordt bijvoorbeeld aandacht besteed aan veilige terugkeer, psychosociale
hulp, sociale cohesie en registratie van landrechten van intern ontheemden, waaronder
Jezidi’s. Ten aanzien van Syrië wordt in alle gesprekken met de overgangsautoriteiten
het belang benadrukt van de borging van de rechten en veiligheid van álle Syrische
gemeenschappen en de cruciale rol die dit speelt voor het bereiken van duurzame vrede
en stabiliteit.
Daarnaast wordt via de OS-inzet vanuit het veiligheid en stabiliteitsbelang, ondersteuning
geboden aan maatschappelijke organisaties die werken aan de versterking van rechtsorde,
rechtsbescherming en versterking van politiek-bestuurlijke vertegenwoordiging van
alle burgers, inclusief minderheden. Ook via het FOCUS-programma (2026–2031) wordt
bijgedragen aan het versterken van de positie van religieuze minderheden en het bevorderen
van inclusieve samenlevingen waarin vrijheid van religie en levensovertuiging daadwerkelijk
wordt gewaarborgd.
Betrek diasporagemeenschappen bij de inzet tegen geloofsvervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet om diasporagemeenschappen in Nederland nadrukkelijker
te betrekken bij de inzet tegen geloofsvervolging en bij de bevordering van vrijheid
van religie en levensovertuiging.
Het kabinet onderschrijft dat diasporagemeenschappen een waardevolle bron van kennis,
ervaring en netwerken vormen. Leden van diaspora beschikken vaak over diepgaand inzicht
in de maatschappelijke en religieuze dynamiek van hun landen van herkomst en onderhouden
contacten met lokale gemeenschappen. Deze betrokkenheid kan bijdragen aan beter geïnformeerde
beleidsvorming en aan effectievere diplomatieke inzet.
In de praktijk vindt ook contact plaats met vertegenwoordigers van diasporagemeenschappen
in Nederland, onder meer via gesprekken met maatschappelijke organisaties, kerken
en andere religieuze netwerken. De Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging
en de Mensenrechtenambassadeur spelen daarin een belangrijke rol. Deze gesprekken dragen bij aan
het signaleren van ontwikkelingen, het duiden van lokale contexten en het verkrijgen
van aanvullende informatie over de positie van religieuze minderheden in specifieke
landen. Maatschappelijke organisaties en andere partners, zoals faith-based organisaties,
worden daarbij aangemoedigd om diasporagemeenschappen waar relevant te betrekken bij
hun programmering. Hierbij wordt zorgvuldig omgegaan met veiligheids- en vertrouwelijkheidsaspecten,
mede gezien de mogelijke risico’s voor familieleden of contacten in het land van herkomst.
Structurele aandacht voor geloofsvervolgingen in diplomatie met consequenties
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te zorgen voor structurele aandacht voor geloofsvervolgingen,
waaronder christenvervolging, binnen het Nederlandse buitenlandbeleid, en deze aandacht
niet vrijblijvend te laten zijn.
Het kabinet is het ermee eens dat geloofsvervolging in diverse regio’s een ernstige
en hardnekkige realiteit vormt. Religieuze minderheden, onder wie christenen, worden
in uiteenlopende landen geconfronteerd met discriminatie, geweld, juridische beperkingen
en maatschappelijke uitsluiting. Structurele aandacht betekent dat dergelijke signalen
niet incidenteel worden opgepakt, maar systematisch worden betrokken bij diplomatieke
inzet, politieke consultaties en multilaterale agendering.
In lijn met de aangenomen SGP-motie (Kamerstuk 36 600 V, nr. 45) is bij buitenlandse werkbezoeken in landen waar christenvervolging voorkomt nadrukkelijker
aandacht besteed aan ontmoetingen met christelijke gemeenschappen en kerkleiders.
Werkbezoeken door bewindspersonen, de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging,
de Mensenrechtenambassadeur en ambassades, onder meer in Nigeria, Pakistan, China
en Syrië, hebben bijgedragen aan beter inzicht in lokale dynamiek en concrete knelpunten.
Deze inzichten worden benut bij bilaterale contacten, bij de Nederlandse inzet in
EU- en VN-verband en bij de programmering van mensenrechteninstrumenten. Over de uitvoering
van deze motie wordt ook gerapporteerd in de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage, die
in het tweede kwartaal aan de Kamer gestuurd wordt.
In specifieke landencontexten krijgt deze inzet nadere invulling.2 In China worden zorgen over de positie van religieuze minderheden, waaronder christenen,
zowel bilateraal als via gezamenlijke EU-verklaringen geadresseerd. In Algerije onderhoudt
de Nederlandse ambassade contact met religieuze vertegenwoordigers en autoriteiten
over onder meer de positie van christenen. In Indonesië worden ontwikkelingen rondom
religieuze bijeenkomsten gevolgd en is er een goede samenwerking op het thema vrijheid
van religie en geloof. In fragiele regio’s zoals delen van Oost-Congo wordt bescherming
van religieuze gemeenschappen betrokken bij bredere gesprekken over veiligheid en
stabilisatie. In de Israëlische en Palestijnse context spreekt Nederland zich uit
tegen de toenemende druk op christelijke en islamitische gemeenschappen en steunt
verschillende projecten gericht op de bevordering van vrijheid van religie.
Ook in Nigeria wordt in gesprekken met autoriteiten aandacht gevraagd voor het tegengaan
van geweld en het waarborgen van bescherming van alle religieuze gemeenschappen. Tijdens
de 57e zitting van de Mensenrechtenraad (september 2024) heeft Nederland Nigeria,
conform motie met Kamerstuk 32 735, nr. 397, opgeroepen om religieuze gemeenschappen beter te beschermen. Daarnaast riep Nederland
tijdens de UPR van Nigeria in 2024 op tot versterkte bescherming van burgers en het
vergroten van accountability. Nederland blijft zich actief inzetten om aandacht te
vragen voor religieus geweld en roept de VN-Speciaal Rapporteur voor vrijheid van
religie of overtuiging (FoRB), Nazila Ghanea, op om de situatie te blijven monitoren.3 In Pakistan worden zorgen over de positie van religieuze minderheden en de toepassing
van religie gerelateerde wetgeving in bilaterale en EU-kaders besproken. Tijdens recent
bezoek van de Mensenrechtenambassadeur aan Pakistan (7–10 februari jl.) zijn deze
zorgen specifiek opgebracht. In Syrië wordt in gesprekken over stabilisatie en wederopbouw
benadrukt dat inclusiviteit en bescherming van religieuze gemeenschappen randvoorwaarden
zijn voor duurzame vrede. In Irak wordt in contacten met de centrale autoriteiten
en de Koerdische regionale autoriteiten aandacht besteed aan de positie van religieuze
minderheden, waaronder Jezidi’s en christelijke gemeenschappen zoals de Aramese (Syrisch-christelijke)
bevolking, met nadruk op gelijke rechten en terugkeer voor Jezidi’s. In lijn met de
aangenomen motie met Kamerstuk 36 800 V, nr. 854 van Kamerlid Stoffer blijft het kabinet zich, ook binnen een bredere strategische
relatie met India, inzetten voor godsdienstvrijheid onder meer door het actief agenderen
van dit onderwerp in de brede EU-India Mensenrechtendialoog. Hiermee komt het kabinet
tegemoet aan de uitvoering van deze motie.
Naast deze bilaterale inzet werkt Nederland samen met gelijkgezinde landen in internationale
coalities, waaronder de International Religious Freedom or Belief Alliance (IRFBA) om zorgelijke situaties gezamenlijk te agenderen en diplomatieke stappen
te coördineren. Nederland blijft zich, samen met gelijkgezinde EU-lidstaten, actief
inzetten voor een spoedige benoeming van een nieuwe EU-gezant voor godsdienstvrijheid
via diplomatieke contacten in Brussel en door het belang van deze functie in relevante
EU-fora te benadrukken. Het kabinet acht een nieuwe EU-gezant van groot belang voor
een consistente, zichtbare en effectieve EU-inzet op het terrein van vrijheid van
religie en levensovertuiging.5
De aandacht voor geloofsvervolging en de vrijheid van religie en levensovertuiging
vormt zo een structureel terugkerend element in gesprekken met landen waar religieuze
minderheden onder druk staan. Signalen die worden opgehaald via werkbezoeken, ambassades
en maatschappelijke contacten worden systematisch betrokken bij politieke consultaties,
mensenrechtendialogen en multilaterale inzet. Bevindingen werken door in de Nederlandse
inzet in EU- en VN-verband, bij stemgedrag over resoluties en bij de prioritering
binnen landenstrategieën.
Wanneer sprake is van ernstige of verslechterende situaties kan dit leiden tot intensivering
van diplomatieke inzet, gezamenlijke stappen in EU- of IRFBA-verband of nadrukkelijkere
politieke agendering in multilaterale fora. Daarmee is de inzet onderdeel van een
bredere mensenrechtendialoog waarin vrijheid van religie en levensovertuiging als
prioriteit is verankerd.
Structurele monitoring en rapportage inzake christenvervolging
De initiatiefnemer verzoekt het kabinet te voorzien in structurele monitoring en rapportage
over christenvervolging en de bredere vrijheid van religie en levensovertuiging, zodat
ontwikkelingen zorgvuldig worden gevolgd en beleidsinzet gericht kan worden vormgegeven.
Het kabinet onderschrijft het belang van consistente en zorgvuldige monitoring van
schendingen van de vrijheid van religie en levensovertuiging. Inzicht in trends, patronen
en contextuele factoren is van wezenlijk belang voor effectieve diplomatieke inzet,
gerichte programmering en tijdige agendering in bilaterale en multilaterale fora.
Het kabinet wijst erop dat reeds op structurele wijze wordt gerapporteerd over de
wereldwijde mensenrechtensituatie, waaronder vrijheid van religie en levensovertuiging,
via de jaarlijkse Mensenrechtenrapportage aan de Tweede Kamer. In deze rapportage
wordt ingegaan op mondiale ontwikkelingen, prioritaire landen en de Nederlandse inzet
in bilaterale contacten, de Europese Unie en multilaterale instellingen zoals de VN-Mensenrechtenraad.
Vrijheid van religie en levensovertuiging vormt daarin een vast onderdeel.
Daarnaast wordt gebruikgemaakt van diplomatieke rapportages van ambassades en politieke
analyses van posten. Binnen de Europese Unie delen lidstaten structureel informatie
over mensenrechtensituaties, waaronder de positie van religieuze minderheden. Ook
rapportages van individuele EU-lidstaten en andere nationale overheden worden betrokken
bij beleidsanalyse en gezamenlijke inzet. Voorts betrekt het kabinet informatie van
VN-mechanismen, waaronder de Speciaal Rapporteur voor vrijheid van religie of levensovertuiging
en het Universal Periodic Review-mechanisme, evenals rapportages van maatschappelijke organisaties, religieuze netwerken
en academische instellingen. Deze bronnen bieden gezamenlijk een breed en diepgaand
beeld van ontwikkelingen op landenniveau.
Gelet op deze reeds bestaande internationale en maatschappelijke monitoringsstructuren
ziet het kabinet geen meerwaarde in het opzetten van een afzonderlijk nationaal monitoringsinstrument
bovenop de reeds bestaande rapportages, ook gelet op de kosten die het met zich zou
meebrengen in tijden van budgettaire krapte. Het kabinet zal blijven bezien hoe beschikbare
informatie zo effectief mogelijk kan worden benut en geïntegreerd in beleidsvorming
en diplomatieke inzet, en hoe relevante bevindingen helder kunnen worden meegenomen
in de jaarlijkse mensenrechtenrapportage en andere reguliere Kamerbrieven. Tegelijkertijd
begrijpt het kabinet de wens om de inhoudelijke dialoog over vrijheid van religie
en levensovertuiging verder te verdiepen. In dat licht kan worden verkend of een periodiek
overleg tussen de Speciaal Gezant voor Religie en Levensovertuiging en de Tweede Kamer,
bijvoorbeeld op jaarlijkse basis, toegevoegde waarde kan hebben.
De Minister van Buitenlandse Zaken,
T.B.W. Berendsen
Indieners
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.