Brief regering : Reactie op de brief van de Dwarslaesie Organisatie Nederland over knelpunten binnen het huidige stelsel van sociale zekerheid
26 448 Structuur van de uitvoering werk en inkomen (SUWI)
Nr. 869
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 24 maart 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in de procedurevergadering
van 27 januari 2026 verzocht om een reactie op de brief van de Dwarslaesie Organisatie
Nederland over knelpunten binnen het huidige stelsel van sociale zekerheid. Hierbij
reageer ik mede namens de Staatssecretaris van Financiën op de gestelde punten en
verbetervoorstellen in de brief.
Ik wil de afzender van de brief allereerst bedanken. In de brief worden ervaren knelpunten
binnen het stelsel van sociale zekerheid en ondersteuning onder de aandacht gebracht
die met name mensen raken die op jonge leeftijd ernstig lichamelijk beperkt raken.
Op basis daarvan worden ook verbetervoorstellen gedaan. Ik realiseer me hoeveel impact
deze situatie kan hebben voor mensen die hiermee te maken hebben. Het ontvangen van
deze signalen en ervaringen is van grote waarde. Zij bieden inzicht hoe beleid kan
uitwerken en benadrukken het belang om bij wijzigingen en verbeteringen van het stelsel
oog te hebben voor deze doelgroep.
De brief bevat onderwerpen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de Ministeries
van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) (arbeidsongeschiktheid), Financiën (fiscale
behandeling van letselschadevergoeding) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS),
(Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de Wet langdurige zorg (Wlz)).
In deze reactiebrief wordt ieder afzonderlijk punt uit de brief in cursief herhaald
en wordt er een reactie gegeven.
WIA – Structurele bestaansonzekerheid bij jonge, duurzaam arbeidsongeschikten
Wanneer iemand op jonge leeftijd door aantoonbare medische oorzaken duurzaam niet
of nauwelijks belastbaar raakt, blijkt het in de praktijk vrijwel onmogelijk om boven
bijstandsniveau uit te komen. Tegelijkertijd is deze groep sterk afhankelijk van aanvullende
ondersteuning, zoals Wmo voorzieningen, die vaak beperkt of niet worden toegekend.
(...) Het huidige stelsel zet deze jongeren onder druk om (gedeeltelijk) te participeren
op de arbeidsmarkt, terwijl dit veelal leidt tot overbelasting, terugval en frustratie,
zowel voor henzelf als voor werkgevers.
Voorstel:
Introduceer een structurele uitkering boven bijstandsniveau voor mensen die aantoonbaar
en duurzaam volledig arbeidsongeschikt zijn geraakt door lichamelijke of medische
oorzaken, zonder reëel perspectief op herstel of arbeidsparticipatie.
Het is niet de bedoeling dat mensen die duurzaam en volledig arbeidsongeschikt zijn
verklaard, druk voelen om te participeren naar werk. Voor hen, bestaan er uitkeringen
op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) en
de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
De Wajong-uitkering dient als vangnet voor mensen die al op jonge leeftijd – nog vóór
hun start op de arbeidsmarkt – duurzaam geen arbeidsvermogen hebben door een ziekte
of handicap. Deze uitkering biedt hen een inkomensvoorziening op het sociaal minimum,
waarbij de hoogte 75% van het bruto wettelijk minimumloon bedraagt. Ook komen zij
in aanmerking voor de jonggehandicaptenkorting. Het totale inkomen van deze doelgroep
komt daardoor boven het netto sociaal minimum terecht.
Voor degenen die wel al op de arbeidsmarkt actief waren, maar dit wellicht nog maar
kort waren of tegen een (relatief) laag loon, is er de WIA-uitkering. Deze uitkering
biedt, bij volledige arbeidsongeschiktheid een IVA-uitkering van 70% of 75% van het
(gemaximeerde) oude loon.1 Wanneer de inkomsten uit deze uitkeringen en daarmee het gezinsinkomen minder zijn
dan het geldend sociaal minimum (bijstandsniveau), kan een aanvulling vanuit de Toeslagenwet
en/of de Participatiewet worden verstrekt.
Kenmerk van de UWV-uitkeringen (zoals Wajong, WIA en Toeslagenwet), is dat er geen
sprake is van een partnerinkomens- of vermogenstoets, zoals de Participatiewet kent.
Voorts kunnen mensen met een Wajong- of WIA-uitkering in aanmerking komen voor aanvullende
inkomensregelingen zoals fiscale toeslagen of gemeentelijk minimabeleid. Er zijn geen
voornemens om een andere uitkering voor deze doelgroep te creëren.
IVA – Behoud van een vangnet voor aantoonbaar blijvend letsel
Op 12 december jl. verscheen in het Algemeen Dagblad een artikel waarin wordt geadviseerd
de hogere IVA-uitkering af te schaffen. Daarbij werd expliciet benoemd dat mensen
met terminale kanker en mensen met een dwarslaesie hierdoor ernstig zouden worden
benadeeld.
Voorstel:
Voer herbeoordelingen uit waarbij uitsluitend mensen met aantoonbaar en blijvend lichamelijk
letsel, zonder arbeidsmogelijkheden, voor 100% in de IVA blijven. Voor mensen met
psychische klachten kan een andere WIA-vorm worden ingericht, waarin re-integratie
en herstel centraal staan. Hiermee wordt de IVA weer een gericht vangnet voor wie
dit daadwerkelijk nodig heeft. Een vangnet, geen hangmat.
In het coalitieakkoord2 is afgesproken om de toegang tot de IVA-uitkering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikte
werknemers af te sluiten voor nieuwe instroom. Dit betekent dat werknemers die na
2029 aan de criteria voldoen geen IVA-uitkering, maar een WGA-uitkering krijgen die
70% van het (gemaximeerde) oude loon bedraagt. Hiermee wordt de WIA vereenvoudigd
en worden de wachtlijsten, complexiteit en uitvoeringsproblemen bij het UWV verminderd.
Het voorstel om de IVA voor een groep te behouden is begrijpelijk, maar een onderscheid
naar de ziekteoorzaak, zoals door de Dwarslaesie Organisatie Nederland wordt voorgesteld,
past niet in het huidige arbeidsongeschiktheidsstelsel dat in Nederland geldt. Iedere
werknemer die ziek wordt kan recht krijgen op de arbeidsongeschiktheidsuitkering,
ongeacht de oorzaak ervan of het type ziekte. Hierdoor wordt aan iedere werknemer
een gelijk vangnet geboden bij langdurige arbeidsbeperkingen. Mensen die op het moment
van inwerkingtreding al recht op een IVA-uitkering hebben, houden recht op een IVA-uitkering.
Letselschade – Onbedoelde fiscale en vermogensgevolgen
Letselschadevergoedingen worden momenteel aangemerkt als belastbaar vermogen, terwijl
deze vergoedingen in de praktijk vaak slechts een beperkte compensatie vormen voor
levenslange extra kosten.
Voorstel:
Introduceer een geblokkeerde letselschaderekening waarop vergoedingen worden gestort.
Het vermogen op deze rekening valt buiten belastingheffing en vermogenstoetsen; opnames
zijn uitsluitend mogelijk door de betrokkene zelf.
Naar aanleiding van de vraagstelling wordt ervan uitgegaan dat het voorstel gericht
is op de belastingheffing in box 3 van de inkomstenbelasting en op inkomensafhankelijke
regelingen. Gepleit wordt voor de introductie van een geblokkeerde letselschaderekening
die voor de vermogensrendementsheffing in box 3 en voor de vermogenstoetsen voor toeslagen
is vrijgesteld. Wij hebben begrip voor het verzoek. De vergoeding is voor deze personen
geen «extraatje», maar vaak noodzakelijk om te kunnen voorzien in bepaalde kosten.
Daarom is het belangrijk om duidelijk op het netvlies te hebben dat in box 3 niet
over het bedrag van de letselschadevergoeding zelf wordt geheven, maar alleen over
het daarmee behaalde rendement. Uitgaande van een bankrekening zal het om rente gaan.
In het huidige stelsel van box 3 wordt over banktegoeden een forfaitair rendement
van 1,28% (voorlopige percentage voor 2026) tot het box 3-inkomen gerekend. Dat forfaitaire
percentage ligt dicht bij de rente die banken op dit moment op spaarrekeningen vergoeden.
In gevallen waar het werkelijke rendement lager is dan het wettelijke forfait, bestaat
de mogelijkheid om gebruik te maken van de wettelijke tegenbewijsregeling. Is het
werkelijke rendement lager dan het forfaitair berekende rendement, dan vormt alleen
het lagere werkelijke rendement de grondslag voor de box 3-heffing van 36% (2026).
Wij zien geen goede reden waarom dergelijke rendementen uitgezonderd zouden moeten
worden in box 3, terwijl het rendement alleen een uitvloeisel is uit het bedrag dat
als schadevergoeding is ontvangen en geen onderdeel uitmaakt van de eigenlijke schadevergoeding.
Ook met het oog op bijvoorbeeld een derdengeldenrekening van een notaris, die vergelijkbaar
is met een geblokkeerde rekening en waarvan het rendement eveneens in de box 3-heffing
van de gerechtigde tot dat tegoed wordt betrokken, ligt een afwijkende behandeling
van een geblokkeerde letselschaderekening niet voor de hand.
Daarnaast is het gebruikelijk dat bij het bepalen van de omvang van de schade rekening
wordt gehouden met gevolgschade. De ingeschatte belastingheffing als gevolg van de
te ontvangen schadevergoeding is een gevolgschade waardoor de schadevergoeding hoger
zal worden vastgesteld. In het geval er door een vrijstelling geen belastingheffing
wordt verwacht zal de schadevergoeding dientengevolge ook lager worden vastgesteld.3
Dit geldt eveneens voor inkomensafhankelijke regelingen. Het kabinet gaat ervan uit
dat bij het vaststellen van de hoogte van een vergoeding voor letselschade rekening
wordt gehouden met het feit dat het ontvangen van een hoog bedrag kan betekenen dat
burgers hun aanspraak verliezen op een regeling, zoals een toeslag.4 Deze werkwijze zorgt ervoor dat slachtoffers niet nog apart een verzoek bij de Dienst
Toeslagen hoeven in te dienen of met andere administratieve lasten die horen bij het
aanvragen van een toeslag te maken krijgen. Een ander belangrijk voordeel is dat slachtoffers
aan de voorkant zekerheid hebben over het te ontvangen bedrag en aan de hand daarvan
geplande uitgaven kunnen doen. Daarom is voor de toeslagen geen specifieke vermogenstoetsuitzondering
voor letselschadevergoedingen nodig.
Naast deze beleidsmatige overwegingen dienen ook administratieve en uitvoeringstechnische
aspecten meegewogen te worden. De toenmalige Staatssecretaris van Financiën heeft
een vergelijkbare vraag begin 2020 grondig onderzocht. Ik verwijs voor de uitgebreide
onderbouwing naar de Kamerbrief van 21 februari 20205 en geef hier in het kort de belangrijkste overwegingen weer. De belangrijkste conclusie
uit dat onderzoek was dat «een aparte rekening voor de schadevergoeding geen oplossing
biedt. Een voorwaarde voor een vrijstelling in box 3 is weliswaar dat bepaalbaar moet
zijn wat onder de vrijstelling valt. De schadevergoeding is echter vrij besteedbaar
en een slachtoffer kan zelf bepalen van welke rekening hij uitgaven betaalt. Bij een
afname van het vermogen als gevolg van uitgaven in verband met de schade zou dit vanaf
de aparte rekening moeten worden gedaan. Het is echter niet traceerbaar of deze uitgaven
van de aparte rekening worden gedaan of op andere wijze.» Ook een geblokkeerde rekening
zou dus niet kunnen voorkomen dat de gerechtigde zijn kosten in verband met de geleden
schade uit andere geldmiddelen betaalt die op niet vrijgestelde bankrekeningen staan
en de geblokkeerde rekening juist vanwege de daarop toe te kennen vrijstelling niet
aantast. Dat is niet de bedoeling en zou oneigenlijk gebruik van een fiscale regeling
– de vrijstelling – bevorderen.
Een geblokkeerde letselschaderekening zou het inregelen van een «volgsystematiek»
noodzakelijk maken.
Dat betekent dat de ontvanger van een schadevergoeding een administratie moet bijhouden
en zich steeds bewust moet zijn van welke rekening hij uitgaven doet. Een volgsysteem
is ook noodzakelijk om een dergelijke uitzondering voor de Belastingdienst uitvoerbaar
te laten zijn. Bij een volgsysteem is bijvoorbeeld te denken aan opnamevoorwaarden,
geen mogelijkheid hebben tot het doen van stortingen en een renseigneringsverplichting.6 Dit zou veel vragen van het slachtoffer, de banken en financiële instellingen die
met een hierop gerichte controletaak zouden moeten worden belast, en van de Belastingdienst.
Wmo – Ongelijkheid, gebrek aan deskundigheid en beperkte keuzevrijheid
De uitvoering van de Wmo verschilt sterk per gemeente en leidt tot grote ongelijkheid.
Beslissingen worden vaak genomen door beleidsmedewerkers zonder ervaringskennis van
leven met een (ernstige) lichamelijke beperking, terwijl deze beslissingen langdurige
en ingrijpende gevolgen hebben voor de zelfstandigheid van aanvragers. Daarnaast leidt
gemeentelijke autonomie tot schrijnende situaties bij verhuizingen, waarbij mensen
hun hulpmiddelen moeten inleveren of opnieuw moeten aanvragen. Ook de huidige inkoopstructuur,
met langdurige contracten met enkele grote leveranciers, leidt in de praktijk tot
beperkte keuzevrijheid en een focus op kostenbeheersing boven kwaliteit van leven.
Voorstellen:
– Verplicht de inzet van een ervaringsdeskundige (bij voorkeur een rolstoelgebruiker)
bij Wmo-beoordelingen.
– Overweeg hercentralisatie van de Wmo op landelijk niveau om rechtsgelijkheid te waarborgen.
– Herzie de inkoopstructuur van hulpmiddelen om keuzevrijheid, kwaliteit en maatwerk
te verbeteren.
De Wmo is een voorzieningenwet die is gedecentraliseerd naar gemeenten. Daarmee bestaat
de ruimte voor gemeenten om lokaal maatwerk te kunnen bieden en zijn verschillen tussen
bijv. de toegang en het voorzieningenaanbod van gemeenten te verklaren. Gemeenten
beoordelen per burger (via het keukentafelgesprek) de persoonlijke ondersteuningsbehoefte
en doen een passend ondersteuningsaanbod.
Bij het in kaart brengen van een ondersteuningsbehoefte is de gemeente volgens de
Wmo verplicht om de burger met een ondersteuningsbehoefte desgewenst onafhankelijke
cliëntondersteuning te bieden. Deze cliëntondersteuning mag in de vorm van een ervaringsdeskundige
worden ingezet, maar kan ook een maatschappelijk werker of een specialistische ondersteuner
zijn die alles weet van het Wmo-voorzieningenaanbod in betreffende gemeenten en het
aanvraagproces. Een cliëntondersteuner kan helpen bij het in kaart brengen van de
situatie en de specifieke behoeften en dat omzetten naar een duidelijke hulpvraag
aan gemeente. Ook kan een cliëntondersteuner meegaan naar gesprekken met de gemeente
of zorgaanbieder. Een cliëntondersteuner helpt ook Wmo-cliënten die ontevreden zijn
over het aangeboden Wmo-hulpmiddel of ondersteuning.
Het benoemde knelpunt rondom verhuizen wordt herkend en is inmiddels aangepakt door
de VNG. Er is een convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen afgesloten. Daardoor kunnen hulpmiddelen meeverhuizen naar een nieuwe gemeente bij
verhuizing hun hulpmiddel behouden bij verhuizing. Ook aanbieders zijn hierbij betrokken.
Dit convenant betekent een grote verbetering voor Wmo-cliënten met een op maat-gemaakt
hulpmiddel (bijvoorbeeld door een dwarslaesie) die naar een andere gemeente verhuizen.
Het Ministerie van VWS (h)erkent ook de signalen dat de Wmo in specifieke gevallen
niet goed uitwerkt, VWS heeft de afgelopen jaren een uitgebreide houdbaarheidsstudie
gedaan en heeft op dit moment in overweging welke aanpassingen het in de kaders kan
doen om zorg en ondersteuning ook in de toekomst beschikbaar en houdbaar te houden.
De aanbeveling van Dwarslaesie Organisatie Nederland om de Wmo als geheel weer te
centraliseren wordt op dit moment niet overwogen.
Wlz – Oneigenlijk gebruik en verdringing van zorg
Binnen de Wlz bestaat een groep cliënten die naast een WIA-uitkering gebruikmaakt
van langdurige zorg zonder dat hier altijd een reële medische noodzaak voor is, met
name in de persoongebonden budget (pgb) vorm. Oneigenlijk gebruik leidt tot druk op
budgetten, waardoor aanscherpingen juist de mensen treffen die de Wlz wél dringend
nodig hebben, zoals mantelzorgende partners en ouders van meervoudig gehandicapte
kinderen.
Voorstel:
Versterk controle, herbeoordeling en medische objectivering binnen de WLZ om middelen
doelgericht en rechtvaardig in te zetten
Het signaal van onnodig zorggebruik binnen de Wlz wordt niet herkend door het Ministerie
van VWS. De Wlz is bedoeld voor de meest kwetsbare mensen die blijvend zijn aangewezen
op 24 uur per dag zorg of toezicht. Toegang tot de Wlz is uitsluitend mogelijk na
een onafhankelijke indicatiestelling door het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ),
dat vaststelt of iemand (medisch gezien) recht heeft op Wlz-zorg en of er sprake is
van een blijvende zorgbehoefte. Instroom in de Wlz zonder vastgestelde (medische)
noodzaak door het CIZ is niet mogelijk en de veronderstellingen hierover zijn onjuist.
De voorgestelde maatregelen sluiten daarmee tevens niet aan bij de feitelijke inrichting
en werking van de Wlz.
Aanvullend – Gevolgen harmonisatie arbeidsrecht Wlz per 1 januari 2026
Per 1 januari 2026 leidt de harmonisatie van arbeidsrechtelijke regels binnen de Wlz
ertoe dat alle zorgverleners, inclusief pgb-gefinancierde zorgverleners, onder dezelfde
werkgeversverplichtingen vallen. Voor cliënten die zorgverleners meer dan drie dagen
per week inzetten, betekent dit een aanzienlijke toename van werkgeverslasten (gemiddeld
circa 20% van het brutoloon), die worden betaald uit het individuele zorgbudget. Met
als gevolg dat er minder budget beschikbaar is voor daadwerkelijke zorg. Er een toenemende
druk op Wlz-middelen komt. Het zorgt voor een onevenredige impact op zwaar zorgafhankelijke
cliënten. Met risico op zorgverschraling en discontinuïteit
Voorstellen:
– Introduceer een structurele compensatieregeling binnen de Wlz voor extra werkgeverslasten.
– Creëer een uitzonderingspositie voor aantoonbaar zwaar zorgafhankelijke cliënten.
– Richt een aparte financieringslijn in voor werkgeverslasten, los van individuele zorgbudgetten.
– Differentieer tussen professionele zorgrelaties en informele of familiale zorg binnen
pgb-constructies.
Een deel van de zorgen die de Dwarslaesie Organisatie Nederland beschrijft rond het
werkgeverschap worden herkend. Na parlementaire goedkeuring, treedt het Wetsvoorstel
aanpassing Regeling dienstverlening aan huis met terugwerkende kracht per 1 januari
2026 in werking.
Dit wetsvoorstel heeft betrekking op de rechten van pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst
van minder dan vier dagen per week. De rechten worden zoveel mogelijk gelijkgetrokken
met de rechten van de pgb-zorgverleners met een arbeidsovereenkomst van vier of meer
dagen per week.
Het kabinet zet zich verder in om, onder andere via de Sociale Verzekeringsbank (SVB),
budgethouders zo goed mogelijk te ondersteunen. Dit betekent ook dat er een compensatie
voor de werkgeverspremies is georganiseerd voor dit en volgend jaar. Na deze periode
geldt dat het kabinet samen met de verstrekkers van het persoonsgebonden budget de
gevolgen van deze wetswijziging nauwlettend volgt.
Tegelijkertijd wordt herkend dat werkgeversverplichtingen voor mensen met een pgb
zwaar kunnen vallen. Daarom wordt, mede naar aanleiding van de «stand van de uitvoering»
die de SVB vorig jaar heeft gemaakt, gezocht naar mogelijkheden voor passende oplossingen
voor het werkgeverschap in het pgb. Uw Kamer wordt hierover op een later moment geïnformeerd
door de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid