Brief regering : Reactie op verzoek commissie over postuum eer en rechtsherstel voor drie veroordeelde oorlogsvliegers
36 800 X Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Defensie (X) voor het jaar 2026
Nr. 70
BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 maart 2026
U heeft mij, met uw brief van 19 januari 2026 met kenmerk 2025Z21488/2026D01845, gevraagd te reageren op een petitie waarin wordt verzocht om postuum eer- en rechtsherstel
te verlenen aan drie veroordeelde oorlogsvliegers.
Het gaat in deze zaak over drie militairen van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger
(ML-KNIL) die in 1943 door de zeekrijgsraad te Colombo vanwege poging tot desertie
en verdenking van sabotage zijn veroordeeld. Tweede luitenant vlieger W.J. Burck werd
veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De sergeanten vlieger H. Kelder en
E.H.J. de Lyon werden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig jaar. Na een
detentie van ruim zeven jaar ontvingen zij gratie.
Naast de petitie, heeft de indiener zijn verhaal ook uiteen gezet in een boek waarnaar
hij verwijst. Beide zijn op mijn verzoek bestudeerd door het Nederlands Instituut
voor Militaire Historie. Daaruit blijkt dat noch de petitie noch het boek nieuwe feiten
bevatten. Dit maakt dat ik ook niet tot een ander inzicht ben gekomen dan mijn voorgangers.
Ik blijf daarom bij het standpunt dat zij in diverse brieven met uw Kamer1 hebben gedeeld, dat eer- en rechtsherstel niet aan de orde is.
Vanzelfsprekend begrijp ik de vasthoudendheid van de nabestaanden die streven naar
rehabilitatie van hun familieleden. Ook besef ik dat er een last op hun schouders
rust. Wanneer zij behoefte hebben aan begeleiding bij het verwerken van die last,
kunnen zij voor maatschappelijke ondersteuning en geestelijke gezondheidszorg een
beroep doen op het Nederlands Veteraneninstituut.
De Minister van Defensie,
D. Yeşilgöz-Zegerius
Indieners
D. Yesilgöz-Zegerius, minister van Defensie