Brief regering : Verslag van de JBZ-Raad van 5 en 6 maart 2026
32 317 JBZ-Raad
Nr. 998 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN VAN ASIEL EN MIGRATIE EN VAN
DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 maart 2026
Hierbij bieden wij, mede namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
uw Kamer het verslag aan van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad) van
5 en 6 maart 2026 in Brussel.
Ook informeren wij uw Kamer over de volgende onderwerpen:
Kopgroep contraterrorisme
Voorafgaand aan de JBZ-Raad op 5 maart 2026 organiseerde Nederland een ontbijtbijeenkomst
van de kopgroep terrorismebestrijding. Tijdens deze bijeenkomst onder leiding van
de Minister van Justitie en Veiligheid spraken België, Denemarken, Duitsland, Finland,
Frankrijk, Nederland, Oostenrijk, Spanje, Zweden en de EU Contraterrorismecoördinator
over de impact van de ontwikkelingen in Syrië op de interne veiligheid van de EU en
over het tegengaan van online radicalisering. Uitkomst van het ontbijt was dat Nederland
in de JBZ-Raad mede namens kopgroeplanden de Europese Commissie (hierna: Commissie)
in een interventie opriep om concrete stappen te zetten in het tegengaan van online
radicalisering.1 Daarnaast gaf Nederland een politiek signaal van steun af aan de Commissie, mede
in het licht van kritiek op EU-wetgeving voor het digitale domein.
Kopgroep operationaliseren terugkeerhubs
En marge van deze JBZ-Raad kwam ook een kopgroep, bestaande uit Duitsland, Griekenland,
Nederland en Oostenrijk, Denenmarken en de Commissie, voor een tweede keer bijeen
om concrete afspraken te maken over de verkenning naar het ontwikkelen van een gezamenlijke
terugkeerhub.2 In dit kader benadrukte de Minister van Asiel en Migratie namens Nederland en de
andere aanwezige lidstaten het belang van een snel resultaat ten aanzien van de onderhandelingen
over het voorstel voor een terugkeerverordening. Ten aanzien van de verkenning om
een gezamenlijke terugkeerhub op te zetten spraken de lidstaten af om gecoördineerd
in dialoog te gaan met mogelijke partnerlanden. Ook spraken de aanwezigen lidstaten
af dat zij het van belang achten om internationale organisaties waaronder UNHCR en
IOM vroeg te betrekken in de verkenning. Denemarken nam, gelet op de aanstaande verkiezingen,
geen positie in.
Werkwijze besluit- en vertrekmoratorium voor vreemdelingen
In het commissiedebat JBZ-Raad van 3 maart jl. zegde de Minister van Asiel en Migratie
het lid Kröger toe om schriftelijk terug te komen op de werkwijze bij besluit- en
vertrekmoratoria, meer specifiek binnen de Iraanse context en welke opties daarbij
op tafel liggen. Via deze brief wordt aan deze toezegging tegemoet gekomen.
Zoals de Minister van Asiel en Migratie reeds in het debat aangaf is de IND en DTenV
verzocht om tijdelijk pas op de plaats te maken en geen onomkeerbare stappen te nemen
in Iraanse zaken, maar was ten tijde van het debat nog geen formeel besluit- of vertrekmoratorium
ingesteld. Dit is een vrij gebruikelijke eerste stap in situaties waarin er een plotse
wijziging van de context voordoet waardoor niet meer zorgvuldig kan worden vastgesteld
welke personen om welke reden bij terugkeer een risico lopen. Het lid Kröger stelde
in relatie tot Iran voor om onmiddellijk een vertrekmoratorium af te kondigen voor
Iraanse vreemdelingen, maar gelijktijdig wel door te gaan met beslissen. Om tot besluitvorming
in individuele zaken over te gaan is het noodzakelijk dat de IND over actuele en accurate
landeninformatie beschikt. Gelet op de recente ontwikkelingen is er echter nog veel
onduidelijk en onzeker.
Het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium is een besluit dat gemeld dient
te worden bij de Commissie en gepubliceerd dient te worden in de Staatscourant. Niet
enkel is het rechtsgevolg dat de beslistermijn in individuele zaken wordt verlengd,
ook brengt dit voor de IND een registratie- en informatielast met zich mee. Om die
reden kan het verstandig zijn om bij een ontstane onduidelijke of onoverzichtelijke
situatie eerst een informele pas op de plaats te maken om beter te kunnen inschatten
of deze situatie langer zal aanhouden, om zo een knipperlichtsituatie te vermijden.
Wanneer het beeld ontstaat dat de situatie langer aanhoudt, ligt formele instelling
van moratoria voor de hand.
Inmiddels zien we dat in Iran de onoverzichtelijke situatie langer aanhoudt en lijkt
dit zich niet snel te stabiliseren. Dat maakt het noodzakelijk dat zowel een besluit-
als vertrekmoratorium op dit moment wordt voorbereid. Het kabinet verwacht dat dit
op korte termijn gereed is. Bij het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium
zal over het algemeen de IND zeer terughoudend zijn in het oppakken van asielaanvragen.
Zowel voor afwijzende beslissingen als voor inwilligende beslissingen geldt dat deze
zorgvuldig moeten worden genomen. Onduidelijkheid over de situatie in een herkomstland
maakt beide in de regel onmogelijk. Het kabinet verwacht uw Kamer op korte termijn
nader te informeren over het instellen van een besluit- en vertrekmoratorium.
Toepassing EU-lijst veilige landen van herkomst
In het commissiedebat JBZ-Raad van 3 maart jl. zegde de Minister van Asiel en Migratie
toe om schriftelijk terug te komen op de toepassing van de EU-lijst veilige landen
van herkomst. Uw Kamer vroeg onder meer waarom de landen op deze lijst als geheel
als veilig bestempeld zijn en hoe de waarborgen voor individuele asielverzoeken gegarandeerd
kunnen worden.
De Commissie heeft in het voorstel voor deze specifieke lijst landen geen aanleiding
gezien daarbinnen groepen of gebieden uit te zonderen van de aanwijzing. De lidstaten
en het Europees Parlement hebben met dit voorstel ingestemd. Belangrijke reden voor
Nederland om in te stemmen was dat de lijst bijdraagt aan de verdere harmonisering
van het asielbeleid van de verschillende lidstaten, specifiek de snelle afhandeling
van (in de regel) kansarme asielverzoeken. Op die wijze kan de lijst ook bijdragen
aan minder secundaire migratie tussen lidstaten. De Europese lijst is verplicht; lidstaten
kunnen wel aanvullende nationale lijsten hanteren, maar hebben niet de ruimte om binnen
de EU-lijst zelf wijzigingen te doen. Dat neemt niet weg dat elke asielaanvraag, ook
van personen uit landen op deze lijst, op de eigen merites beoordeeld wordt. Wanneer
daar aanleiding toe is, kan de IND op individuele gronden de behandeling van een asielaanvraag
niet volgens de versnelde procedure, maar de «gewone» asielprocedure behandelen. Anders
dan in het huidige spoor 2, waar aanvragen van personen uit veilige landen in werden
afgedaan, kent de versnelde procedure straks alle stappen die de niet-versnelde procedure
ook kent. Het enige verschil is dat de procedure sneller doorlopen wordt.
Voor zover het beeld zou bestaan dat de bewijslast bij vreemdelingen uit veilige landen
van herkomst bij de vreemdeling ligt en in andere situaties niet, dan is dat onjuist.
In alle asielzaken ligt de bewijslast als vertrekpunt bij de asielzoeker zelf. Als
een vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst, bestaat een algemeen,
maar door de vreemdeling weerlegbaar, rechtsvermoeden dat voor hem daar bij terugkeer
geen vervolging dreigt of risico op ernstige schade bestaat. Het begrip veilig land
van herkomst mag alleen worden toegepast indien de verzoeker in het kader van een
individuele beoordeling geen elementen kan verstrekken die rechtvaardigen dat het
begrip veilig land van herkomst niet op hem of haar van toepassing is. In die zin
is er inhoudelijk dus enkel een beperkt en relatief verschil met de algemene asielbeoordeling
waarbij eveneens de bewijslast als vertrekpunt bij de asielzoeker ligt. Het primaire
doel dat de nieuwe EU-procedureverordening aan het veilig land van herkomst verbindt,
is de versnelde behandeling in een periode van maximaal drie maanden.
Stand van zaken terugkeersamenwerking met derde landen
In het commissiedebat JBZ-Raad van 3 maart jl. zegde de Minister van Asiel en Migratie
toe om schriftelijk terug te komen op de stand van zaken ten aanzien van de terugkeersamenwerking
met derde landen. Verschillende factoren dragen bij aan het realiseren van vertrek,
waaronder de medewerking van derde landen. In de praktijk werken derde landen vrijwel
altijd mee aan vrijwillig vertrek. Er zijn daarentegen landen die niet of onvoldoende
meewerken aan gedwongen terugkeer – ondanks de internationaal breed gedeelde consensus
dat landen hun eigen onderdanen dienen terug te nemen. De mate van medewerking door
derde landen kan veranderen over de tijd. Het delen van specifieke informatie over
landen kan een negatief effect hebben op de lopende trajecten waarmee het kabinet
de terugkeersamenwerking probeert te verbeteren. Het kabinet heeft verschillende instrumenten
tot haar beschikking, de inzet ervan wordt georganiseerd door de taskforce Internationale
migratie. denk bijvoorbeeld aan brede partnerschappen, artikel 25bis van het visuminstrument
en terugkeer-en overname-overeenkomsten. Het verschilt per land of ingezet wordt op
Europees of bilateraal niveau, of een combinatie. De Kamer wordt jaarlijks geïnformeerd
over de resultaten van de terugkeersamenwerking met landen van herkomst in de Staat
van Migratie. De nieuwste Staat van Migratie zal voor de zomer gepubliceerd worden.
Daarnaast kan de kamer door middel van vertrouwelijke technische briefings worden
geïnformeerd over de stand van zaken per land. Laatstelijk is dit gebeurd op 11 september
2025.
Stand van zaken onderhandelingen over het voorstel voor een terugkeerverordening
In het commissiedebat JBZ-Raad van 3 maart jl. zegde de Minister van Asiel en Migratie
toe om schriftelijk terug te komen op de algemene oriëntatie van de Raad inzake het
voorstel voor een terugkeerverordening, in het bijzonder de bepaling over onderzoeksbevoegdheden
(artikel 23a in de algemene oriëntatie van de Raad). Met de desbetreffende bepaling
wordt een rechtsgrondslag op Europees niveau gecreëerd voor bevoegdheden die nationale
autoriteiten kunnen inzetten om – in geval dat noodzakelijk en gerechtvaardigd is –
de terugkeer van een vreemdeling te effectueren. Iedere maatregel die opgelegd wordt
moet in lijn zijn met fundamentele rechten en ook gelden de waarborgen en rechtsmiddelen
die daarvoor beschikbaar zijn volgens het Unierecht en het nationale recht. Momenteel
voorziet de Vreemdelingenwet in een rechtsbasis voor de inzet van soortgelijke maatregelen,
zoals het onderzoeken van de kleding of het lichaam van de vreemdeling, alsmede zaken
van deze persoon te doorzoeken. Eveneens voorziet het nationale recht erin dat de
inzet van deze bevoegdheden door autoriteiten in lijn moet zijn met de beginselen
van noodzakelijkheid en proportionaliteit. De Raad beoogt met het bepaalde in artikel 23a
in het voorstel voor een terugkeerverordening deze reeds bestaande bevoegdheden op
Europees niveau te regelen. Dit sluit aan bij de inzet van het kabinet, zoals uiteengezet
in het BNC-fiche, om meer instrumenten ter beschikking te hebben voor nationale autoriteiten
om de vreemdeling te motiveren – bij voorkeur zelfstandig – te vertrekken en anderzijds
vreemdelingen beschikbaar te houden voor het gedwongen vertrekproces.3
Het kabinet informeert uw Kamer tevens over de recente ontwikkelingen in het Europees
Parlement en daarmee de huidige stand van zaken van de onderhandelingen. Recent is
in de Commissie Burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken van het Europees
Parlement een voorlopige onderhandelingspositie vastgesteld. Dit moet plenair nog
worden goedgekeurd. Het is de verwachting dat dit op korte termijn zal gebeuren, waarna
de onderhandelingen tussen Raad en het Parlement kunnen aanvangen. Het kabinet zet
in op een snel onderhandelingsakkoord, want het Europese terugkeerbeleid moet efficiënter
en doeltreffender worden om meer terugkeer te bewerkstelligen.
Dublinoverdrachten naar België
Naar aanleiding van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State (de Afdeling) van 23 juli 2025, is het op grond van de Dublinverordening
terugsturen van alleenstaande mannen naar België tijdelijk stopgezet. De Afdeling
oordeelde in deze uitspraak dat een niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker
bij overdracht aan België, wegens structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen
voor deze doelgroep, een reëel risico loopt om terecht te komen in een situatie die
in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM.
Naar aanleiding van deze uitspraak is contact gelegd met de Belgische autoriteiten
met het verzoek om (nadere) informatie over de actuele opvangsituatie voor deze groep.
Bij brief van 5 februari jl. hebben de Belgische autoriteiten over deze situatie bericht.
Deze informatie van de Belgische autoriteiten is voor het kabinet aanleiding om Dublinoverdrachten
van alleenstaande mannen aan België per direct weer te hervatten, omdat deze informatie
voldoende verzekert dat de asielzoeker na terugkeer in België kan worden voorzien
in zijn meest elementaire behoeften. Hiermee voert het kabinet de motie Rajkowski
en Van Zanten uit over alles op alles zetten om Dublinclaimanten naar andere Europese
landen terug te sturen, met hierbij extra aandacht voor België.4
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen
Verslag van de bijeenkomst van de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken, 5 en 6 maart
2026
I. Binnenlandse Zaken
Belangrijkste resultaten
• In de Schengenraad verwelkomde een groot aantal lidstaten de daling van het aantal
irreguliere overschrijdingen van de buitengrens en secundaire bewegingen binnen het
Schengengebied ten opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Wel sprak een aantal
lidstaten zorgen uit over de afgifte van toeristenvisa aan Russische staatsburgers.
Er was verder brede steun voor het vergroten van de effectiviteit ten aanzien van
vrijwillige terugkeer waarbij het belang van een snel onderhandelingsresultaat over
de voorstel voor een terugkeerverordening werd benadrukt.
• Tijdens de bespreking over de externe dimensie van migratie in Libanon en Libië was
er brede consensus onder lidstaten dat de huidige inzet in de landen voortgezet moet
worden. Door een groot aantal lidstaten werd aandacht gevraagd voor de precaire situatie
in Libië en de waarborging van mensenrechten. Ook was er in relatie tot Libanon aandacht
voor de ontwikkelingen in het Midden-Oosten.
• De Raadsconclusies over het EU Drugs Strategic Framework werden aangenomen waarmee
de lidstaten in navolging van de Europese Commissie (hierna: Commissie) blijvende
prioriteit en integraliteit bij de aanpak van drugscriminaliteit benadrukten.
• In een brede ronde tafel sessie over de toekomst van Europol spraken lidstaten steun
uit voor een verdere versterking van Europol binnen het huidige mandaat, met speciale
aandacht voor verbeterde informatie-uitwisseling en digitale opsporingscapaciteiten.
• Bij de presentatie van de nieuwe contraterrorisme-agenda spoorde Nederland mede namens
een aantal andere lidstaten de Commissie aan om concrete stappen te zetten bij het
tegengaan van online radicalisering op basis van de voorstellen in het eerdere Nederlandse,
Duitse en Franse non-paper.5 Daarnaast gaf Nederland een politiek signaal van steun af aan de Commissie, mede
in het licht van kritiek op EU-wetgeving voor het digitale domein.
1. Algemene staat van het Schengengebied
a. Schengen barometer
b. Uitvoering van de prioriteiten van de Schengenraadcyclus: stimuleren van vrijwillige
terugkeer
De Schengenraad stond in het teken van een algemene discussie over de staat van het
Schengengebied en in het bijzonder het stimuleren van vrijwillige terugkeer. De Commissie
presenteerde de nieuwste Schengenbarometer en was daarbij positief over de algemene
trend en benadrukte het belang van Schengen, onder andere als aanjager van de Europese
economie. Het aantal irreguliere overschrijdingen van de buitengrens en secundaire
bewegingen binnen het Schengengebied is voor het tweede jaar verder afgenomen ten
opzichte van dezelfde periode vorig jaar. Tegelijkertijd wees de Commissie erop dat,
ondanks deze ontwikkeling, sprake blijft van risico’s, onder meer vanwege conflicten
in de landen om ons heen, waardoor doorlopende inspanningen noodzakelijk blijven.
De Commissie ging verder in op de 29 januari jl. gepresenteerde EU-visumstrategie
en benadrukte het belang van een strategische inzet van het visumbeleid om onder meer
derde landen te stimuleren eigen onderdanen over te nemen en zo terugkeer van vreemdelingen
te bewerkstelligen. Ten slotte stond de Commissie stil bij terugkeer. Het afgelopen
jaar zijn de aantallen geëffectueerde terugkeer gestegen met 8%, met name vrijwillige
terugkeer. Ondersteuning aan vreemdelingen is daarvoor essentieel. De Commissie verwees
verder naar de noodzaak voor stevig juridisch kader voor gedwongen terugkeer en verwees
hierbij naar het belang van de Terugkeerverordening en een snel onderhandelingsakkoord
tussen de Raad en het Europees Parlement.
Verschillende lidstaten, waaronder Nederland, spraken van een positieve ontwikkeling
dat de aantallen irreguliere overschrijdingen van de buitengrens en secundaire bewegingen
zijn gedaald. Nederland benadrukte in dat kader ook het belang van voldoende capaciteit
en middelen voor grensbeheer. Daarnaast verzocht een aantal lidstaten om in de Schengenbarometer
meer aandacht te besteden aan de afgifte van toeristenvisa aan staatsburgers van de
Russische Federatie, met het verzoek deze afgifte te beperken. Enkele lidstaten drongen
zoals gebruikelijk aan op de afschaffing van binnengrenscontroles. Op terugkeer benadrukten
vrijwel alle lidstaten het belang van het vergroten van de effectiviteit van ondersteuning
voor vrijwillige terugkeer en dat dit hand in hand moet gaan met effectieve bevoegdheden
in het kader van gedwongen terugkeer. Nederland benadrukte, net als diverse andere
lidstaten, het belang van een snel onderhandelingsakkoord over het voorstel voor een
terugkeerverordening en de inzet van innovatieve oplossingen, zoals de terugkeerhub.
Ook ging een aantal lidstaten in op het belang van een grotere rol van Frontex bij
de ondersteuning van lidstaten bij terugkeeroperaties en samenwerking met derde landen.
2. Implementatie van interoperabiliteit: herziene routekaart voor na 2026
Tijdens de JBZ-Raad stond de Commissie uitgebreid stil bij ervaringen en de eerste
resultaten van de gefaseerde ingebruikname van het Entry/Exit System (EES) en andere
grootschalige IT-systemen. De Commissie sprak hierbij zorgen uit over achterstanden
in een aantal lidstaten bij de uitrol van het systeem. De Commissie heeft de betreffende
lidstaten een brief gestuurd en is in nauw contact over de implementatie van EES.
Nederland is één van deze landen. Zoals eerder met de Tweede Kamer gedeeld, ligt de
implementatie op Schiphol door technische uitdagingen met de ontwikkeling van nationale
ICT-systemen achter op schema. Nederland staat hierover in nauw contact met de Commissie
en andere lidstaten. Met de Koninklijke Marechaussee, Ministerie van Defensie, Ministerie
van IenW en Schiphol wordt nauw samengewerkt om ervoor te zorgen dat de implementatie
van EES op een verantwoorde manier plaatsvindt. In de afgelopen periode heeft Nederland
belangrijke stappen gezet en is het EES op alle grensdoorlaatposten in gebruik. Een
aanzienlijk deel van niet-EU passagiers wordt inmiddels in het EES geregistreerd.
Momenteel worden alle zeilen bijgezet om de techniek volledig op orde te krijgen.
In nauwe samenspraak met alle betrokkenen koersen we op biografische registratie (middels
gegevens op het reisdocument) van alle niet-EU reizigers per 9 april 2026. Hiervoor
is een aantal (IT-) randvoorwaarden nodig. De komende periode moet blijken of aan
deze randvoorwaarden daadwerkelijk kan worden voldaan. De EES Verordening biedt de
mogelijkheid om de verplichting tot biometrische registratie tijdelijk op te schorten
na 9 april. Het tempo waarmee kan worden toegewerkt naar volledige biometrische registraties
(met vingerafdrukken en gezichtsopname) is nog onderwerp van gesprek.
Verder zijn de voorgelegde resterende onderdelen van de Interoperabliteit Roadmap
ten aanzien van revised VIS en EU-VAP aangenomen.6 Tot slot ziet de Raad het vernieuwde Eurodac, dat in juni 2026 in werking zal treden,
als de volgende stap in het implementatieproces.
3. Externe dimensie van migratie
De JBZ-Raad sprak over de migratiesamenwerking met Libië en Libanon, waarbij breed
steun werd uitgesproken voor de continuering ervan. Bij bespreking van de EU-migratierelaties
met Libanon was er eveneens veel aandacht voor de gevolgen van het conflict in Iran
en de ontwikkelingen in het Midden-Oosten voor de veiligheid en stabiliteit in Libanon.
De Commissie gaf aan dat de inzet op de externe dimensie van migratie vergroot moet
worden de komende tijd. Ze verwelkomde de concrete discussie in de JBZ-Raad over Libië
en Libanon, maar gaf aan dat naar alle relevante regio’s moet worden gekeken. Het
zijn volgens de Commissie uiteindelijk communicerende vaten. Ze noemde in dat verband
landen als Nigeria, Senegal en Mauritanië als belangrijke transit- en herkomstlanden.
Verschillende lidstaten verwelkomden de discussie over de externe dimensie van migratie
en riepen op om de huidige positief opgebouwde migratiesamenwerking met Libanon en
Libië voort te zetten. Ten aanzien van Libië werd door een groot aantal lidstaten
benadrukt dat de politieke situatie in het land complex is en er zorgen zijn over
de mensenrechtensituatie voor migranten. Ten aanzien van Libanon werd de grote betrokkenheid
en inzet van het land bij de opvang van ontheemden in de regio onderstreept. Samenwerking
met de autoriteiten is dan ook van groot belang volgens lidstaten, in het bijzonder
vanwege de grote groep Syriërs die er verblijft.
4. Implementatie van het Asiel- en Migratiepact
Onder dit agendapunt werd de JBZ-Raad door de Commissie en het EU-agentschap voor
het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen (eu-LISA) geïnformeerd over
de stand van zaken van de implementatie van het Asiel- en Migratiepact in de lidstaten.
De Commissie gaf aan alles zorgvuldig te monitoren met nog drie maanden tot de implementatiedeadline
van 12 juni en stelde dat er veel vooruitgang is geboekt de afgelopen tijd. Vervolgens
was er in het bijzonder aandacht voor de implementatie van het vernieuwde Europese
IT-systeem en de centrale gegevensbank met vingerafdrukken voor asielzoekers (Eurodac).
De Commissie benadrukte het belang van vroegtijdig testen van de systemen om gereed
te zijn op 12 juni. Een klein aantal lidstaten blijft nog achter. De Commissie bood
daarop lidstaten aan om samen met ondersteuning van eu-LISA te kijken hoe ervoor gezorgd
kan worden dat alle lidstaten op 12 juni gereed zijn om aangesloten te zijn op het
nieuwe Eurodac.
5. Conclusies over het strategisch kader van de EU inzake drugs
De JBZ-Raad nam de Raadsconclusies over het EU Drugs Strategic Framework aan. Daarbij
werd onderstreept dat de strategie voor de aanpak van drugshandel een richtinggevend
instrument vormt, terwijl het drugsbeleid een nationale competentie blijft. De Commissie
gaf aan dat de integrale strategie meerdere pijlers omvat, waaronder gezondheid en
veiligheid, en legde daarnaast een verband met de recent gepubliceerde havenstrategie
en de toegang tot data voor de opsporing. Nederland benadrukte het belang van de strategie
en van nauwe samenwerking tussen lidstaten bij de bestrijding van drugscriminaliteit.
Een van de lidstaten onderschreef dit en riep op om in de implementatiefase aandacht
te houden voor alle pijlers, inclusief preventie en de bestuursrechtelijke aanpak.
6. Toekomst van Europol
De Commissie lichtte toe dat in het nieuwe EU Meerjarig Financieel Kader (MFK) een
bedrag van 3 miljard euro is voorgesteld om Europol in staat te stellen de lidstaten
in de komende jaren beter te ondersteunen. Daarbij gaf de Commissie aan dat het van
belang is richting te bepalen voor de inzet van dit budget. In dat verband ziet de
Commissie mogelijkheden om bestaande informatie-hiaten te verkleinen, onder meer door
informatiedeling te vergemakkelijken, en om de analytische en technische ondersteuning
van lidstaten verder te versterken. Daarnaast wees de Commissie op het belang van
innovatie en van de ontwikkeling van digitale opsporings- en data-analyse-instrumenten,
evenals op de noodzaak te investeren in internationale samenwerking.
In een brede ronde tafel sessie, spraken alle lidstaten steun uit voor een verdere
versterking van Europol, zolang deze gericht blijft op de ondersteuning van de lidstaten.
Er werd geen aanleiding gezien om het mandaat van Europol uit te breiden, en evenmin
bestond brede steun voor het toevoegen van hybride dreigingen aan de taken van Europol.
Ten aanzien van de governance benadrukten lidstaten dat het niet wenselijk is nieuwe
structuren op te richten.
Nederland onderstreepte het belang van Europol als een zeer waardevolle organisatie
en benadrukte dat Europol in de toekomst een grotere rol zou kunnen vervullen als
centrale hub voor data en informatie en een sterkere positie kan innemen op het terrein
van hybride dreigingen, mits dit plaatsvindt binnen de juiste, met name strafrechtelijke,
context en niet leidt tot een uitbreiding van het mandaat.
7. Werklunch: Impact van de huidige geopolitieke situatie op de interne veiligheid
van de EU: situatie in Syrië
Tijdens de werklunch bespraken lidstaten de recente ontwikkelingen met betrekking
tot de oorlog in het Midden-Oosten en de situatie in Syrië, in het bijzonder met het
oog op de terroristische dreiging. Lidstaten, Commissie en de EU Counter Terrorism
Coordinator (CTC) uitten zorgen over de huidige situatie en mogelijke gevolgen van
de ontwikkelingen in het Midden-Oosten voor de EU.
De zorgen hadden betrekking op een aantal interne zaken. Daarbij werd gewezen op risico’s
voor de energietoevoer, demonstraties binnen lidstaten, de dreiging van cyberaanvallen
en repatriëringsvraagstukken. Daarnaast waren er externe zorgen, onder meer over de
grensbewaking en mogelijke migratiestromen die op gang kunnen komen. Goede informatiedeling
tussen lidstaten werd als essentieel beschouwd om de situatie nauwlettend te kunnen
monitoren.
De Europese Dienst voor Extern Optreden (EDEO) gaf aan dat de ontwikkelingen in het
Midden-Oosten ook gevolgen kunnen hebben voor Oekraïne, onder meer door schaarste
op de wapen- en dronemarkt. Tegelijkertijd werd opgemerkt dat in Oekraïne waardevolle
kennis beschikbaar is over drones van Iraanse makelij, waar partners in het Midden-Oosten
mee geholpen zouden kunnen worden.
Ten aanzien van Syrië werd benadrukt dat lidstaten waakzaam moeten blijven en ondersteuning
moeten blijven bieden aan zowel Syrië als Irak om de situatie zo stabiel mogelijk
te houden. Daarbij werd het belang van adequate informatiedeling met beide landen
onderstreept, inclusief biometrische informatie.
8. Any other business
a. Richtlijn Tijdelijke Bescherming Oekraïne
De Commissie en de speciaal gezant voor Oekraïense ontheemden in de EU benadrukten
onder dit agendapunt het belang van een tijdige discussie in de JBZ-Raad over de transitie
na het aflopen van de toepassing van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming voor Oekraïense
ontheemden. Oekraïense ontheemden hebben tot en met 4 maart 2027 recht op verblijf
in de EU op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. De oorlog duurt echter
onverminderd voort en het is hoogst onzeker of er op termijn uitzicht is op een vredesakkoord.
Tegelijkertijd is de situatie voor Oekraïense ontheemden na vier jaren oorlog volgens
de speciaal gezant wezenlijk veranderd. Veel ontheemden zijn volgens de speciaal gezant
inmiddels geïntegreerd in de samenleving, hebben een baan en kinderen gaan naar school.
Ook wordt er door verschillende lidstaten reeds onderzocht welke scenario’s denkbaar
en uitvoerbaar zijn als de Richtlijn Tijdelijke Bescherming niet langer geldt voor
deze groep vreemdelingen. Hier kan gebruik van worden gemaakt om te komen tot een
gecoördineerde aanpak in de EU.
Een aantal lidstaten ging in op de nationale scenario’s die momenteel worden uitgewerkt.
Tegelijkertijd werd benadrukt dat door de moeilijke voorspelbaarheid van het verloop
van de oorlog de toepassing van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming op 4 maart 2027
niet definitief ten einde zou moeten lopen. De speciaal gezant benoemde in deze context
ook de mogelijkheid om de RTB voor slechts een deel van de Oekraïense ontheemden te
laten voortduren, bijvoorbeeld uitsluitend voor ontheemden uit als onveilig aangemerkte
regio’s in Oekraïne. Lidstaten verwelkomden vanwege het voortduren van de oorlog in
Oekraïne een tijdige discussie op Europees niveau over de toekomst van de Richtlijn
Tijdelijke Bescherming. De komende tijd zal deze discussie geregeld terugkomen in
de daarvoor bestemde EU-gremia.
b. Contraterrorisme-agenda (CT-agenda)
De Commissie gaf toelichting over de op 26 februari jl. gepubliceerde CT-agenda. Daarbij
schetste de Commissie dat de Europese Unie nog steeds tot de veiligste regio’s ter
wereld behoort, maar dat sprake blijft van een blijvende dreiging. Daarbij werd onderstreept
dat daders steeds jonger worden. De situatie in het Midden-Oosten stelt de Unie bovendien
bloot aan nieuwe risico’s en leidt tot een gevaar voor de Joodse gemeenschap en voor
plaatsen en symbolen die verband houden met Israël. Binnen de Interne Veiligheidsstrategie
is contraterrorisme daarom één van de prioriteiten. In de eerste plaats moet worden
ingezet op preventie. In dat kader is het de bedoeling dat een EU-kenniscentrum wordt
opgericht. Daarnaast is 5 miljoen euro geoormerkt voor kennisprojecten die specifiek
op jongeren zijn gericht. Tevens blijft het noodzakelijk online aspecten van terrorisme
tegen te gaan; samenwerking met online aanbieders is hiervoor essentieel.
Verder lichtte de Commissie toe dat de CT-agenda, naast preventie, ook is gericht
op het bestrijden van terroristen. De agenda omvat daarnaast voornemens voor maatregelen
om het gebruik van drones door terroristen en de beschikbaarheid van wapens voor terroristen
tegen te gaan en om financiële stromen te volgen via een EU-breed systeem. Tot slot
wordt ingezet op versterking van internationale samenwerking, onder meer door het
sluiten van aanvullende samenwerkingsakkoorden.
Nederland verwelkomde in een interventie namens een groot aantal landen uit de kopgroep
contraterrorisme het voorstel van de Commissie. Het veiligheidslandschap wordt in
toenemende mate bepaald door online radicalisering, waarbij online platformen een
belangrijke rol spelen in de bescherming van jongeren. Nederland verwees naar het
eerdere non-paper van Nederland, Duitsland en Frankrijk en onderstreepte het belang
van het aanpakken van online radicalisering.7 Daarnaast gaf Nederland een politiek signaal af van steun aan de Commissie, mede
in het licht van recente kritiek op EU-wetgeving voor het digitale domein.
II. Justitie
Belangrijkste resultaten
• De JBZ-Raad bereikte een algemene oriëntatie over de Verordening bescherming kwetsbare
volwassenen. Hiermee is een stap gezet in het waarborgen van rechten van volwassenen
die bescherming of ondersteuning nodig hebben in grensoverschrijdende situaties, zoals
verkoop van eigendom, medische zorg in het buitenland of verhuizing naar een ander
land.
• Lidstaten bevestigden hun sterke inzet voor de aanpak van straffeloosheid in Oekraïne
en onderstreepten het belang van het Speciaal Agressietribunaal en verdere praktische
samenwerking.
• De JBZ-Raad sprak brede steun uit voor snelle ratificatie van het Advocatenverdrag
en benadrukte het belang van onafhankelijke en veilige beroepsuitoefening door advocaten
in het kader van de rechtsstaat.
• In aanwezigheid van twee rechters van het Internationaal Strafhof, spraken Ministers
in de JBZ-Raad hun onvoorwaardelijke steun uit voor de onafhankelijkheid van de rechters
van het Strafhof.
1. Verordening over de bescherming van volwassenen
Het Voorzitterschap benadrukte dat kwetsbare volwassenen in grensoverschrijdende situaties
adequaat moeten kunnen worden beschermd. Een belangrijk punt in de meest recente tekst
van de verordening betrof de bepaling dat plaatsing van een kwetsbare volwassene in
een verzorgingsinstelling in een andere lidstaat niet langer verplicht is, maar dat
een lidstaat zich hiertegen kan verzetten. Daarnaast is de reikwijdte van het vertegenwoordigerscertificaat
uitgebreid, zodat het niet alleen kan worden afgegeven voor vertegenwoordiging maar
ook voor ondersteuning. Het hoofdstuk over onderling verbonden registratieregisters
is geschrapt, omdat dit in deze fase te complex en te kostbaar werd geacht. Hierbij
werd opgemerkt dat dit onderwerp op een later moment opnieuw kan worden bezien. Volgens
het Voorzitterschap komt de compromistekst op evenwichtige wijze tegemoet aan de belangrijkste
bezwaren van lidstaten.
De Commissie verwelkomde de algemene oriëntatie en wees erop dat, ondanks bestaande
verbintenissen, sprake blijft van een lappendeken van regelingen met lacunes die afbreuk
doen aan de rechtszekerheid van kwetsbare volwassenen. Zij betreurde het schrappen
van het hoofdstuk over registratieregisters, dat volgens haar had kunnen bijdragen
aan meer uniformiteit. Daarnaast sprak de Commissie zorgen uit over het feit dat het
vertegenwoordigerscertificaat alleen rechtsgevolgen heeft wanneer de ontvangende lidstaat
het erkent, terwijl burgers idealiter moeten kunnen vertrouwen op één certificaat
dat in alle lidstaten rechtskracht heeft. Desondanks sprak de Commissie waardering
uit voor de geboekte voortgang en de constructieve inzet van Voorzitterschappen en
de lidstaten.
Het Voorzitterschap concludeerde dat de algemene oriëntatie is aangenomen. Nu het
Europees Parlement zijn standpunt eveneens heeft vastgesteld, kunnen de trilogen op
korte termijn van start gaan.
2. De Russische agressieoorlog tegen Oekraïne: strijd tegen straffeloosheid
Het Voorzitterschap herinnerde aan het belang van de aanpak van straffeloosheid in
het kader van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne.
De Commissie gaf aan dat de oprichting van het Agressietribunaal een duidelijke prioriteit
blijft. Op 21 januari rondde het Comité van Ministers van de Raad van Europa het oprichtingsverdrag
af. De Commissie riep zowel de Europese Unie als alle lidstaten op tot toetreding
en drong tevens aan op verdere voortgang bij de Claimscommissie. Op 24 januari jl.
werd een voorstel gepubliceerd voor een Raadsbesluit tot goedkeuring van het verdrag.
Daarnaast wees de Commissie op het in januari aangenomen support loan, waarmee herstelbetalingen kunnen worden uitgevoerd, en meldde zij dat inbreukprocedures
zijn gestart tegen achttien lidstaten die geen melding hadden gemaakt van de omzetting
van de richtlijn niet-naleving sancties.
Nederland benadrukte opnieuw het grote belang dat wordt gehecht aan de bestrijding
van straffeloosheid voor internationale misdrijven in Oekraïne en legde de nadruk
op het belang van nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen. Tevens verwelkomde
Nederland de vrijwillige bijdrage van de Europese Unie van 10 miljoen euro voor de
eerste fase van het Speciaal Agressietribunaal. Het Voorzitterschap concludeerde dat
de Raad nota heeft genomen van de stand van zaken in de strijd tegen straffeloosheid
in het kader van de Russische agressieoorlog tegen Oekraïne.
3. Werklunch: voortgezet crimineel handelen in detentie
Tijdens de besloten werklunch bespraken lidstaten voortgezet crimineel handelen in
detentie. Het detentiewezen is geen EU-competentie, maar de EU heeft wel een rol bij
de uitwisseling van goede praktijken en het stimuleren van onderlinge informatie-uitwisseling.
Onder de lidstaten werden bredere zorgen gedeeld over onder andere toegang tot digitale
communicatie, corruptie onder gevangenispersoneel, benutten van nieuwe technologieën
en misbruik van kwetsbare personen.
Daarop werden nationale praktijken uitgewisseld om deze uitdagingen het hoofd te bieden.
Terugkerende thema’s waren: betere uitwisseling nodig tussen rechtshandhaving en gevangenisautoriteiten
(die vaak stopt na het strafproces, maar dus ook tijdens detentie door moet gaan).
Het EU-project Europris werd door de Commissie en verschillende lidstaten als goed
vehikel benoemd voor uitwisseling tussen lidstaten.
In de interventie bevestigde Nederland in lijn met ons eerdere non-paper dat de bestrijding
van voortgezet crimineel handelen in detentie een hoge prioriteit heeft.8 Voorts werden goede praktijken uit eigen ervaringen gedeeld.
4. De onafhankelijkheid van advocaten in Europa: de rol van de EU en het Verdrag van
de Raad van Europa
Het Voorzitterschap benadrukte dat juristen een belangrijke rol spelen bij het in
stand houden van de rechtsstaat en dat advocaten daarom vrij en onafhankelijk moeten
kunnen werken. In een aantal lidstaten zijn zorgwekkende incidenten geconstateerd.
De Commissie herhaalde eveneens dat advocaten een cruciale rol spelen en erkenning
en bescherming verdienen. De Commissie toonde zich verheugd over de goedkeuring van
het verdrag van de Raad van Europa over de bescherming van de advocatuur. Aangezien
het verdrag een gemengde overeenkomst betreft, delen zowel de lidstaten als de Commissie
bevoegdheden. Lidstaten mogen bij uitzondering tekenen en nationale ratificatie doorvoeren
voordat de Raad het verdrag heeft bekrachtigd. De meeste lidstaten hebben inmiddels
ondertekend. De Commissie gaf aan de interne goedkeuringsprocedure te willen opstarten.
Nederland onderstreepte dat toegang tot het recht een prioriteit is en dat advocaten
hierbij een cruciale rol spelen. Agressie tegen advocaten komt in Nederland bijna
dagelijks voor en treft bijna de helft van de beroepsgroep. Het beroep moet worden
beschermd om de rechtsstaat te waarborgen, zowel nationaal als Europees. De Nederlandse
Orde van Advocaten heeft al maatregelen genomen. Nederland is voornemens het verdrag
van de Raad van Europa zo snel mogelijk te ratificeren en riep de Commissie daarom
op spoedig met een voorstel voor een Raadsbesluit te komen. Nederland gaf verder aan
bereid te zijn om samen met de Commissie te bekijken hoe de Europese rechtsstaat verder
kan worden versterkt en wees daarbij op de mogelijkheid tot aanvullingen in het jaarlijks
door de Commissie gepubliceerde Rechtsstaatrapport.
Het Voorzitterschap merkte op dat uit de interventies van verschillende lidstaten
duidelijk naar voren kwam dat de veiligheid van advocaten onder druk staat. Vertrouwelijkheid
vormt daarbij een aanvullende uitdaging. Vertrouwensbreuken moeten worden voorkomen,
waarbij met name aandacht nodig is voor de communicatie tussen advocaten en cliënten.
Het Advocatenverdrag moet er tevens voor zorgen dat beter kan worden samengewerkt
op dit belangrijke thema. Alle lidstaten spraken steun uit voor een snelle ratificatie
van het verdrag, en de Commissie werkt er momenteel hard aan om dit te realiseren
via het voorstel voor een Raadsbesluit.
5. Conclusies over de toepassing van het Handvest van de grondrechten van de Europese
Unie 2026
Het Voorzitterschap gaf aan dat begin januari de Raadsconclusies over de toepassing
van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn opgesteld. Daarbij
werd benadrukt dat de lidstaten een cruciale rol vervullen, dat nauwe samenwerking
met alle relevante publieke en private praktijken van groot belang is en dat moet
worden gezorgd voor een goed kader waar men mee uit de voeten kan, inclusief passende
financiering.
De Commissie gaf aan de Raadsconclusies te onderschrijven, maar merkte op dat de samenwerking
tussen de Europese instellingen en de lidstaten verder kan worden versterkt. Volgens
de Commissie is het van cruciaal belang dat lidstaten samen met de Commissie goede
trainingen en opleidingen kunnen organiseren. Lidstaten die dit nog niet hebben gedaan,
dienen hun rapport alsnog in te leveren. De toepassing en uitvoering van het Handvest
is een gedeelde verantwoordelijkheid. Daarnaast benadrukte de Commissie dat bewustmaking
van groot belang is en dat alle betrokkenen hieraan bijdragen. Zij zal trainingsmateriaal
over het Handvest blijven ontwikkelen en contactpunten blijven aanbieden voor de uitwisseling
van best practices. Verder gaf de Commissie aan dat het respecteren van de grondrechten
van burgers bij wetsvoorstellen van groot belang is, zoals ook tot uiting komt in
de Digitale Omnibus. Daarbij merkte de Commissie op dat het voorstel sterk is gebaseerd
op arresten van het Hof en op adviezen van de European Data Protection Board, en verzekert
zij dat de grondrechten van burgers te allen tijde worden gerespecteerd.
Het Voorzitterschap concludeerde dat de Raadsconclusies met instemming van alle lidstaten
zijn aangenomen. Een rode draad in de opmerkingen van de lidstaten was het belang
van de rol van het maatschappelijk middenveld en van lokale organisaties.
6. Any other business
a. Onafhankelijkheid Internationaal Strafhof (Slovenië/Frankrijk)
Op uitnodiging van Slovenië en Frankrijk, vertelden twee rechters van het Internationaal
Strafhof (ICC) uit deze lidstaten over de impact van de Amerikaanse sancties op hen
en hun familieleden.
Nederland sprak dank uit aan de rechters en gaf aan zich krachtig tegen elke vorm
van sancties tegen de rechters en andere functionarissen van het ICC te verzetten.
Ook benadrukte Nederland dat het ICC een onafhankelijk hof is dat zijn mandaat zonder
enige vorm van inmenging moet kunnen uitoefenen. Nederland staat pal achter het ICC
en zijn functionarissen, zowel als State Party, als in zijn rol van gastland. In dat verband werkt Nederland nauw samen met het
hof en met de dienstverleners die essentieel zijn om de werkzaamheden van het ICC
zo ongestoord mogelijk te laten plaatsvinden. Nederland verwelkomde bovendien de stappen
die door de EDEO en de Commissie zijn gezet ter ondersteuning van het ICC, onder meer
door het diversifiëren van bancaire dienstverlening.
De Commissie en een groot aantal andere lidstaten onderstreepten hun solidariteit
met deze rechters en hun collega’s. Een van de lidstaten benadrukte dat sancties die
worden opgelegd aan rechters en aanklagers van het ICC raken aan het hart van de Europese
rechtsorde en aan de grondrechten van de Europese Unie. Tevens werd uitgesproken dat
de druk die wordt uitgeoefend op het hof en op organisaties die het ICC ondersteunen
wordt veroordeeld, omdat deze in bredere zin het multilaterale systeem onder druk
zet. Het werd van groot belang geacht dat het ICC volledig onafhankelijk blijft van
derde landen. Door het tweetal lidstaten die dit AOB-punt hadden ingediend werd benadrukt
dat de discussie over het Blocking Statute moet worden voortgezet.
De Commissie wees erop dat dergelijke sancties een ernstige ondermijning vormen van
de internationale rechtsorde. Zij verzekerde dat de Europese Unie het ICC van blijvende
en standvastige steun zal voorzien en dat gebruik zal worden gemaakt van beschikbare
instrumenten om ervoor te zorgen dat het hof zijn werkzaamheden onverminderd kan voortzetten.
Tevens meldde de Commissie dat zij nauw contact onderhoudt met Nederland als gastland
van het ICC, evenals met het ICC zelf, om te bezien op welke manieren het hof verder
kan worden beschermd.
b. Herziening Eurojust verordening
De Commissie lichtte toe dat het voorstel voor de herziening van de Eurojust-verordening
eind juni 2026 wordt verwacht. Dit voorstel bouwt voort op de evaluatie van 2025,
waarin het belang en de toegevoegde waarde van Eurojust duidelijk zijn bevestigd.
Tegelijkertijd liet de evaluatie zien dat er ruimte bestaat om de governance en de
operationele efficiëntie van het Agentschap verder te versterken. In het verlengde
daarvan beoogt de Commissie de taken van Eurojust aan te passen, zodat het Agentschap
beter is toegerust op een crimineel landschap dat voortdurend verandert. Voor de uitwerking
van een robuust en toekomstbestendig voorstel is input vanuit de Lidstaten van groot
belang.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
G. van den Brink, minister van Asiel en Migratie