Brief regering : Prioritering Mobiliteitsfonds en Deltafonds
36 800 A Vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026
36 800 J Vaststelling van de begrotingsstaat van het Deltafonds voor het jaar 2026
Nr. 39
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
Onze wegen, spoorwegen, vaarwegen en waterwerken vormen samen de ruggengraat van onze
samenleving en economie en zijn daarmee van cruciaal belang voor het behoud en de
versterking van de brede welvaart in Nederland. De waterwerken zorgen ervoor dat Nederland
droge voeten houdt. De wegen, spoorwegen en vaarwegen samen zorgen voor een goede
(inter)nationale bereikbaarheid. Deze netwerken moeten zoveel mogelijk beschikbaar
en veilig te gebruiken zijn. Mensen moeten bestemmingen zoals werk, zorg, onderwijs,
winkels, maar ook familie en vrienden kunnen bereiken. Ook moeten bedrijven en consumenten
kunnen rekenen op snel, betrouwbaar en betaalbaar goederenvervoer. De instandhouding
van de basisfunctionaliteiten van deze infrastructuur staat voorop, maar ontwikkelingen
als bevolkingsgroei en klimaatverandering vragen ook om investeringen in de ontwikkeling
van onze netwerken.
Financiële opgaven Mobiliteitsfonds en Deltafonds
De Kamer is in januari jl. over de grote financiële opgaven op het Mobiliteitsfonds
en Deltafonds geïnformeerd.1 Bij elkaar opgeteld gaat het om meer dan € 80 miljard over de looptijd van de fondsen,
en dus vele miljarden gemiddeld per jaar. De Algemene Rekenkamer heeft in haar verantwoordingsonderzoek
over 2024 het tekort voor exploitatie, onderhoud en vernieuwing van de netwerken van
Rijkswaterstaat geraamd op € 34,5 miljard voor de periode tot en met 2038.2 Het betreft de instandhouding van het hoofdwegennet, hoofdvaarwegennet en hoofdwatersysteem.
Door financiële schaarste kunnen noodzakelijke vernieuwingsprojecten, zoals het spui-
en gemaalcomplex IJmuiden en de Haringvlietbrug, op dit moment niet worden gestart.
Met als gevolg dat de waterveiligheid en bereikbaarheid die deze en andere objecten
bieden, onder druk komen te staan. Tijdens de technische briefing over instandhouding
op 16 december jl. is toegelicht dat het tekort voor de instandhouding van het netwerk
van ProRail circa € 20 miljard bedraagt. Daarnaast kennen diverse lopende ontwikkelingsprojecten
grote tekorten. Verder staan voor de gepauzeerde projecten en structuurversterkende
investeringen nagenoeg geen middelen gereserveerd. Tot slot zijn de begrotingsfondsen
geconfronteerd met extra tegenvallers door het gedeeltelijk wegvallen van prijsbijstellingen.
Opgaven coalitieakkoord en inzet op prioriteren
Ondanks de in het coalitieakkoord beschikbaar gestelde middelen, zonder welke we nog
veel verder van huis waren geweest, moeten we dus scherpe keuzes maken. Niets doen
is geen optie, maar niet alles kan en niet alles kan tegelijkertijd. We moeten prioriteren
om te kunnen presteren. Dit draagt ook bij aan de inzet van het kabinet om te komen
tot een meer efficiënte, slagvaardige en betrouwbare overheid. Om maximaal te kunnen
presteren, moeten we prioriteren over de volle breedte van de opgaven, het MIRT en
de fondsen. In deze brief zetten wij uiteen hoe we dit willen doen. Met deze brief
geven we ook invulling aan de toezegging aan het lid Stoffer om voorafgaand aan het
commissiedebat Staat van de infrastructuur te beschrijven wat kan worden gedaan met
de extra middelen die in het coalitieakkoord voor infrastructuur zijn vrijgemaakt.3
Prioriteren over de volle breedte kan beteken dat bepaald moet worden welke MIRT-projecten
voorlopig geen doorgang meer kunnen vinden. Hoewel instandhouding van de basisinfrastructuur
voorop staat, is ook binnen de instandhoudingsopgave een prioritering nodig. De totale
instandhoudingsopgave is, ondanks de gestegen productie de afgelopen jaren, binnen
de looptijd van de fondsen niet uitvoerbaar en niet betaalbaar. Vertraging van instandhoudingswerkzaamheden
leidt tot een verdere toename van uitgesteld onderhoud en dat is duurder en leidt
uiteindelijk tot meer hinder voor de gebruikers van de netwerken. Er zullen dus nadere
keuzes moeten worden gemaakt, gelet op de functie van de infrastructuur en de mate
waarin deze bijdraagt aan de doelstellingen van IenW en de ambities van dit kabinet.
Bij een prioritering van de instandhoudingswerkzaamheden zullen de constructieve veiligheid
en naleving van de wet- en regelgeving in acht worden genomen.
Inzet is de prioritering voor de zomer van 2026 af te ronden, zodat dit in de (ontwerp)begroting
2027 verwerkt kan worden, want er is sprake van hoge urgentie. Zo kan Rijkwaterstaat
op dit moment de benodigde vernieuwingsprojecten alleen nog starten door de uitvoering
van andere noodzakelijke vernieuwingsprojecten te vertragen of uit te stellen. Voor
exploitatie en onderhoud betekent het dat Rijkswaterstaat, om binnen de financiële
kaders te blijven voor 2026–2030, nu al scherpe keuzes moet maken en werkzaamheden
in tijd naar achteren moet schuiven. Daarnaast heeft ProRail dit jaar duidelijkheid
nodig over het herstel van de kunstwerken op de HSL-Zuid en moeten bij diverse ontwikkelingsprojecten
die al in realisatie zijn, dit jaar besluiten worden genomen over het aangaan van
extra contractuele verplichtingen. Voorkomen moet worden dat besluitvorming per project
of contract plaatsvindt en niet integraal.
We kijken naar alle beschikbare middelen en houden vanzelfsprekend rekening met de
uitvoeringscapaciteit en milieuruimte (stikstofruimte). De ruimte om binnen het Mobiliteitsfonds
en Deltafonds reeds gealloceerde budgetten te verschuiven van de ene opgave naar de
andere opgave is beperkt, omdat een aanzienlijk deel van de budgetten van het Mobiliteitsfonds
en Deltafonds juridisch verplicht is, en/of omdat er wettelijke vereisten zijn waaraan
moet worden voldaan.
Prioriteren gaat ons voor dilemma’s plaatsen. De bestaande opgaven verdwijnen immers
niet omdat we er geen prioriteit meer aan geven. De primaire verantwoordelijkheid
van het Ministerie van IenW is het waarborgen van de waterveiligheid en het goed functioneren
van de hoofdnetwerken in elke regio. Er zijn ook mee te koppelen belangen en kansen.
Infrastructuur draagt ook bij aan het bereikbaar houden en maken van nieuwe en bestaande
woningen, de economische ontwikkeling van Nederland in een internationale context
en het versterken van onze maatschappelijke weerbaarheid (waaronder dual-use op militaire
corridors) en klimaatbestendigheid. De nationale netwerken dragen natuurlijk ook bij
aan alle regionale en lokale opgaven.
Wij beseffen dat niet iedereen eenzelfde afweging zal maken. Daarom nodigen wij de
Kamer uit om bij het komende commissiedebat op 19 maart op hoofdlijnen hun wensen,
bedenkingen en afwegingen voor een samenhangende prioritering aan te dragen, zodat
wij die verder kunnen meenemen in het proces van de afweging die moet plaatsvinden.
De komende tijd zullen we daarnaast ook in gesprek gaan met medeoverheden over de
prioritering.
Waar verder op wordt ingezet
Naast een prioritering wordt ook ingezet op andere maatregelen om per saldo meer te
kunnen presteren:
• Er zal worden ingezet op een verdere verhoging van de productie in de keten. Dit moet
wel worden bezien in de context van de apparaatstaakstelling die ook de uitvoering
raakt.
• De beheersing van projecten wordt verder aangescherpt. Om recht te doen aan de onzekerheid
zal in de verkenningsfase met een bandbreedte voor de kostenraming worden gewerkt.
Verder moet de trefzekerheid van de kostenraming en de uitvoerbaarheid moeten geborgd
zijn en er moet een getoetst beheersplan zijn om binnen tijd, scope en budget te blijven.
Eventuele toekomstige overschrijdingen moeten in beginsel binnen het projectbudget
worden ingepast.
• Zoals aangekondigd de MIRT-brief van 13 januari 2026 wordt de MIRT-systematiek in
overleg met de regio’s herijkt.4 Het MIRT wordt toekomstvast vormgegeven en blijft het gremium voor het gesprek tussen
Rijk en regio over mobiliteit en bereikbaarheid. Rijk en regio geven hier gezamenlijke
invulling aan. Toegezegd is om de Kamer met de MIRT-brief in het najaar van 2026 over
de uitkomsten te informeren.
• Er zal worden gekeken hoe juridische obstakels en regeldruk voor infrastructuur kunnen
worden verminderd, zodat kosten en doorlooptijden kunnen worden teruggebracht.
• Bij projecten die prioriteit krijgen zullen we kansen benutten die meekoppelende belangen
bieden op het gebied van woningbouw, economie en weerbaarheid.
• Er zal worden gekeken naar de mogelijkheden om baathebbers, zoals bedrijven, grond-
en vastgoedeigenaren, en gebruikers meer te betrekken bij de bekostiging van infrastructuur.
De inzet van alternatieve bekostigingsbronnen vergt maatwerk per MIRT-project, maar
kan kansen bieden om de koek te vergroten. Ook blijven we kijken naar de mogelijkheden
van Europese financiering.
Een prioritering blijft onvermijdelijk omdat deze maatregelen beperkt oplossend vermogen
hebben. Bovendien kost het tijd en inspanning om de kansen volledig te benutten.
Tot slot
Voor ons staat één ding vast: we willen het maximale bereiken met de middelen die
ons ter beschikking staan. We trekken hiervoor alles uit de kast. We maken werk-met-werk
en zorgen ervoor dat geld zo effectief mogelijk wordt ingezet. We hebben iedereen
daarvoor nodig.
Op basis van de inbreng van de Kamer en van de medeoverheden met wie wij hierover
ook overleg zullen voeren, komen wij voorafgaand aan het commissiedebat Strategische
keuzes bereikbaarheid op 22 april met een aanpak voor een prioritering. De regio’s
zullen in de verschillende stappen in dit proces worden geïnformeerd en geconsulteerd.
De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,
V.P.G. Karremans
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat