Brief regering : Economische impact gewapend conflict Midden-Oosten
23 432 De situatie in het Midden-Oosten
Nr. 666
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT, VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID,
VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI EN VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 maart 2026
Naar aanleiding van het verzoek van het lid Van der Lee (Groenlinks-PvdA) om een brief
over de economische effecten van de oorlog, de toezegging van Staatssecretaris Eerenberg
tijdens het vragenuur van 10 maart en naar aanleiding van het debat over Iran van
12 maart sturen we u, mede namens de Minister van Financiën, deze brief.
De Verenigde Staten en Israël voeren sinds zaterdag 28 februari luchtaanvallen uit
op Iraanse doelen. Als tegenreactie heeft Iran aanvallen uitgevoerd op Israël, Amerikaanse
bases in de regio, andere landen in de regio en olietankers in de straat van Hormuz,
welke momenteel niet meer begaanbaar is voor scheepvaart. Ook infrastructuur voor
de productie van olie en LNG in de Golfregio zijn daarbij bewust en onbewust doelwit.
Het conflict is eerst en vooral ontwrichtend voor de burgers in verschillende landen
die ongewild worden getroffen en nu in angst leven. Zoals eerder gemeld in de Kamerbrief
van 3 maart1 veroordeelt het kabinet met klem de Iraanse aanvallen op de civiele infrastructuur
van landen die niet betrokken waren bij dit conflict. De veiligheid van Nederlanders
heeft voor het kabinet de hoogste prioriteit. Het kabinet leeft mee met alle Nederlanders
in de regio en iedereen die zich zorgen maakt over familie en naasten in de regio.
Nederland trekt nauw op met Europese partners en met partners in de regio om te zorgen
voor de-escalatie, het bevorderen van een diplomatieke oplossing en om de gevolgen
van het conflict voor Nederland zoveel als mogelijk te beperken. Tijdens de ingelaste
Raad Buitenlandse Zaken op 1 maart heeft Nederland ook daar aandacht gevraagd voor
de-escalatie, secundaire gevolgen van het conflict voor Europa en solidariteit met
de Golfstaten. Het kabinet blijft alle partijen oproepen zich te houden aan het internationaal
recht.
Het kabinet begrijpt de zorgen van huishoudens en ondernemers over de economische
effecten van dit conflict. Het kabinet neemt deze zorgen serieus. De huidige situatie
duidt het kabinet als volgt. Aan de ene kant zijn de energieprijzen nog niet zo hoog
als in 2022. Zolang er voldoende olie en gas beschikbaar blijft op de wereldmarkt
heeft het kabinet geen acute zorgen over mogelijke fysieke tekorten. Aan de andere
kant is de situatie omgeven met grote onzekerheid en kunnen bredere economische effecten
optreden naar gelang de spanning in de regio aanhoudt. Het kabinet houdt de situatie
nauwlettend in de gaten en brengt de komende tijd potentiële maatregelen in kaart
voor gerichte ondersteuning, inclusief financiële consequenties. Mocht de situatie
verslechteren en in de toekomst vragen om steun, dan heeft het kabinet de benodigde
voorbereidingen getroffen. Deze kunnen in de bredere lasten-/koopkrachtbesluitvorming in augustus meegenomen worden. Bij eventuele maatregelen horen ook keuzes
ten aanzien van de financiële dekking van deze maatregelen.
In het vervolg van deze Kamerbrief gaat het kabinet achtereenvolgens in op de onzekerheid
over de verdere ontwikkeling, de actuele situatie op de energiemarkten, de economische
doorwerking en de voorbereiding op mogelijke handelingsopties.
Onzekerheid over verdere ontwikkeling
De verdere ontwikkeling van het conflict in het Midden-Oosten blijft op dit moment
onzeker. De situatie ter plaatse is dynamisch en kan zich in verschillende richtingen
ontwikkelen. Onder andere om deze reden is het niet verstandig om te snel in te grijpen.
Met name de duur en de omvang van het conflict zijn hierbij bepalend voor de economische
effecten. Over het algemeen geldt, hoe langer en hoe omvangrijker het conflict, hoe
groter de doorwerking op de Nederlandse economie en op huishoudens en bedrijven. Tegelijkertijd
is de economie veerkrachtig. Zo heeft het verleden geleerd dat de economie zich kan
aanpassen naarmate een situatie langer duurt.
Actuele situatie energiemarkten
De ontwikkelingen in het Midden-Oosten hebben geleid tot prijsstijgingen van olie
(16 maart: rond de 105 dollar per vat) en gas (16 maart: rond de 50 euro per megawattuur)
en dit werkt door in de prijzen van energie-intensieve producten. Het kabinet begrijpt
de zorgen die hierover leven in de samenleving. Zo’n plotselinge prijsstijging wordt
meteen zichtbaar aan de pomp en kan doorwerken in de energierekening.
Nederland importeert niet direct veel gas uit de Golfregio, maar via de mondiale markt
worden ook Nederlandse huishoudens en bedrijven wel blootgesteld aan prijsstijgingen.
De Nederlandse en Europese gasvoorraden staan op dit moment laag, wat gebruikelijk
is voor de periode na de winter en voor het vulseizoen dat 1 april van start gaat.
Wel is relevant dat het huidige niveau lager is dan voorgaande jaren in dezelfde periode
en dat de vulopgave het aankomende seizoen dus groter is. Dit komt mede door het stoppen
van de activiteiten van GasTerra, deze bergingen worden leeg opgeleverd voor het nieuwe
vulseizoen.
De wereldwijde markt voor LNG is erg flexibel, wat betekent dat het ook in een langdurig
conflictscenario mogelijk blijft om voldoende LNG tegen hogere prijzen aan te trekken
om de gasopslagen te vullen. Niettemin schuilt er een risico dat de voorraden in de
zomer (het vulseizoen) tegen hogere prijzen gevuld worden dan waartegen ze volgende
winter weer op de markt gebracht kunnen worden. Bij een dergelijke commercieel onaantrekkelijke
situatie zullen marktpartijen de gasbergingen niet of te weinig vullen. Op dit moment
blijven de gasfutures voor de jaren na 2027 stabiel en laag, wat erop wijst dat de
markt verwacht dat er dan voldoende LNG beschikbaar is op de wereldmarkt. In situaties
dat marktpartijen niet vullen, om commerciële redenen of door beperkingen aan toegang,
kan EBN maximaal 80 TWh vullen van het totale vuldoel van 115 TWh.
De huidige olie- en gasprijzen zijn hoog, maar bezien in historisch perspectief niet
uitzonderlijk. Zo zijn er in het verleden vaak prijspieken geweest als gevolg van
langdurige kou of geopolitieke spanningen, neem bijvoorbeeld de energiecrisis van
2022. Toen doorbrak de gasprijs in augustus 2022 kortstondig een uitzonderlijk prijsniveau
van 300 euro per megawattuur, en bleef deze ruim een jaar rond de 100 euro per megawattuur.
Ook zijn er in recentere periodes energieprijzen geweest van een vergelijkbaar niveau
als de huidige prijzen. De wereldwijde gasproductiecapaciteit is sindsdien flink opgeschaald
en wordt nog steeds verder opgeschaald, met name in de vorm van LNG.
Het lijkt op dit moment niet waarschijnlijk dat er een prijsescalatie ontstaat in
de orde grootte van de energiecrisis van 2022. Het ging destijds om een groter deel
van de Europese gastoevoer dat abrupt stopte, waarbij de noodzaak voor alternatieven
directer was en we vanwege de toevoer via hoofdzakelijk pijpleidingen minder flexibiliteit
hadden dan nu op de mondiale LNG-markt via importterminals. Ook moest er destijds
worden overgestapt naar nieuwe aanbieders voor op de lange termijn, terwijl we in
de huidige situatie waarschijnlijk weer bij dezelfde aanbieders terug kunnen keren
als het conflict voorbij is.
Daarbij zijn er factoren die de prijsstijgingen kunnen mitigeren. Zo wordt er een
toename verwacht van het aanbod LNG uit vooral de VS en zien we dat veel Aziatische
landen overschakelen van gas naar kolen. Hoewel dit nadelig is voor het klimaat heeft
dit een dempend effect op de gasprijsstijging.
Daarnaast brengt Nederland samen met 31 andere IEA-lidstaten 400 miljoen vaten olie
uit strategische reserves op de markt om de schade van de disruptie op de oliemarkt
en daarmee de prijspiek te beperken. Het kabinet is voornemens voor het Nederlandse
deel (ruim 5,36 miljoen vaten) vooral de strategische voorraden in te zetten die bedrijven
aanhouden (naar de verplichting uit Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012). De
Nederlandse publieke voorraden onder beheer van het Centraal Orgaan Voorraadvorming
Aardolieproducten blijven dan grotendeels in reserve voor mogelijke schaarste in de
toekomst. Ook hebben diverse OPEC-landen reeds aangegeven hun olieproductie vanaf
april te willen verhogen. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat een deel van de productie
uit de regio wordt omgeleid via de East-West crude oil pipeline in Saoedi-Arabië en
de Abu Dhabi crude oil pipeline in de Verenigde Arabische Emiraten.Desondanks is het
niet waarschijnlijk dat deze ontwikkelingen de volledige prijsstijgingen zullen kunnen
opvangen.
Economische doorwerking voor huishoudens en bedrijven
De potentiële economische impact voor huishoudens en bedrijven loopt hoofdzakelijk
langs vier verschillende kanalen: inflatie, handel (direct en indirect), financiële
markten en investeringen.
Inflatie
Het voornaamste kanaal waarlangs economische impact op de Nederlandse economie kan
optreden is inflatie, die wordt gedreven door hogere energieprijzen. Hoge inflatie
kan impact hebben op zowel huishoudens als bedrijven.
Huishoudens merken stijgende olieprijzen direct doordat deze op korte termijn zichtbaar
zijn aan de pomp. Verreweg het grootste deel van de auto’s in het Nederlandse personenwagenpark
(in 2024) is een benzineauto (83%), een kleine 6% rijdt op diesel. De benzine- en
dieselprijzen zijn inmiddels gestegen naar een adviesprijs van respectievelijk 2,48
euro en 2,47 euro per liter (op 15 maart), een stijging van resp. zo’n 10% en 22%
ten opzichte van vorige maand. Het gemiddelde aandeel van autobrandstof in de uitgaven
van huishoudens is zo’n 5%. Er zijn ook huishoudens die meer uitgeven aan autobrandstof;
doorgaans nemen de uitgaven aan gereden kilometers toe met het huishoudinkomen.
Hogere brandstofprijzen werken door in de bredere inflatie, waarbij het effect groter
is naarmate de hoge brandstofprijzen langer aanhouden. Indirect kan er daarnaast een
prijsopdrijvend effect zijn via bedrijven die hogere energiekosten doorrekenen aan
de consument, of hogere looneisen die de prijzen van diensten opdrijven.
Gasprijzen hebben over het algemeen met meer vertraging impact op huishoudens. Het
verschilt per huishouden hoe snel de groothandelsprijs zich vertaalt naar de energierekening
afhankelijk van de contractvorm. Op dit moment heeft meer dan de helft van alle Nederlanders
een vast contract voor 1 jaar of langer. Rond de 40% huishoudens heeft een variabel
contract waarbij de prijs gedurende het jaar kan worden aangepast. Dit betekent dat
de meeste mensen op korte termijn nog niet geraakt worden door prijsschommelingen,
tenzij hun contract nu afloopt. Huishoudens met een dynamisch contract profiteren
wanneer prijzen laag zijn, maar worden ook geraakt wanneer prijzen oplopen. Zij merken
daarmee nu direct de gevolgen van de gestegen gasprijs. Dit betreft ongeveer 7% van
de huishoudens. Op dit moment ligt de gasprijs voor nieuwe vaste contracten ongeveer
10 cent hoger dan bij lopende contracten, dit betekent voor een gemiddeld huishouden
met een cv-ketel een kostenstijging van zo’n 100 euro op jaarbasis. Dit is een stijging
van 5% op de totale rekening. Ter vergelijking, in juni 2023 betaalden huishoudens
met een gemiddeld energieverbruik zo’n 630 euro (of 37%) meer dan een jaar ervoor
(hierbij is rekening gehouden met het prijsplafond dat in januari 2023 van kracht
werd).
Voor zover hogere olie- en gasprijzen doorwerken in een hogere inflatie, kunnen huishoudens
hiervan de gevolgen ondervinden in de vorm van een lagere koopkrachtgroei. Het kabinet
begrijpt dat mensen hier zorgen over hebben. Het kabinet houdt daarom de situatie
nauwlettend in de gaten en beziet het brede koopkrachtbeeld aan de hand van actuele
inzichten in augustus.
Hogere energieprijzen raken ook het bedrijfsleven op verschillende manieren. Zo is
Nederland een netto energie-importeur met als gevolg dat stijgende energieprijzen
direct leiden tot hogere uitgaven aan energie-importen. Hierdoor blijven minder middelen
beschikbaar voor andere bestedingen die aan het bbp hadden kunnen bijdragen, zoals
investeringen. De feitelijke economische effecten zullen sterk verschillen per sector.
Zo zien energie-intensieve bedrijven die energie inkopen tegen actuele marktprijzen
hun productiekosten direct stijgen. In internationaal perspectief kent de Nederlandse
industrie al relatief hoge energieprijzen. Dit kan de winstgevendheid en investeringsmogelijkheden
drukken.
Verder voorziet de Golfregio in 25–33% van de wereldwijde handel in bepaalde belangrijke
grondstoffen bij de productie van kunstmest, zoals sulfur, ureum en ammoniak. Ook
is de productie van kunstmest zeer energie-intensief en werken de hogere energieprijzen
hier sterk in de prijzen door. Dat kan vervolgens indirect doorwerken in hogere wereldwijde
voedselprijzen.
Handel
Het conflict heeft door beperkingen van vaarroutes ook impact op de Nederlandse handel
met de regio, niet gerelateerd aan energie. Deze handelsstroom is relatief beperkt
en heeft daarmee een beperkte macro-economische doorwerking. Voor bepaalde onderdelen
van het bedrijfsleven, die bijvoorbeeld een groot deel van hun omzet verdienen met
export naar de regio, kan dit echter wel serieuze gevolgen hebben.
Door jarenlange sancties is er geen relevante directe handelsrelatie met Iran die
onder druk kan komen te staan. Met de overige landen in de Golfregio zal de handel
zoveel mogelijk doorgaan, al staat deze onder druk door de afsluiting van de Straat
van Hormuz. De handelsrelatie met deze landen bestaat voor het grootste deel uit energie-invoer.2 Daardoor zal de macro-economische impact primair via de energieprijzen lopen.
Ook de goederenexport naar andere landen in de Golfregio staat onder druk door de
blokkade, mocht deze langdurig aan blijken te houden. In 2025 werd vanuit Nederland
geëxporteerd naar de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Koeweit, Irak en Bahrein.
In totaal beslaat deze handel minder dan 1% van onze goederenexport en zal dus op
macroniveau beperkt tot niet doorwerken. De goederenexport naar Saudi-Arabië en Oman
is deels nog bereikbaar via zeeroutes omdat de landen niet (geheel) achter de straat
van Hormuz liggen, maar is deels ook ontregeld. Ook dit bedraagt in totaal minder
dan 1% van de Nederlandse goederenexport.3 Dit neemt niet weg dat individuele bedrijven wel degelijk geraakt worden door de
handelsverstoringen.
Naast verstoring van directe handelsstromen leidt het conflict tot een bredere verstoring
van de wereldhandel doordat bepaalde vaarroutes gemeden worden. Als gevolg hiervan
raken vaarschema’s van containerschepen verstoord en kunnen containerschepen vast
komen te liggen. Dat kan zorgen voor vertraagde levertijden en druk op containerprijzen.
Dit is momenteel nog niet met een significante ordegrootte aan de hand, containerprijzen
liggen op een relatief laag punt in vergelijking tot de afgelopen jaren.
Financiële markten
Ook financiële markten kunnen reageren op verhoogde geopolitieke spanningen in de
vorm van oplopende risicopremies en volatiliteit op aandelen- en obligatiemarkten.
Direct na het uitbreken van het conflict liepen rentes aanvankelijk op, mede door
de stijgende energieprijzen en hogere inflatieverwachtingen. Tegelijkertijd leidde
de toegenomen geopolitieke onzekerheid tot een vlucht naar relatief veilige staatsobligaties,
wat tussentijds ook neerwaartse druk op rentes gaf. Indien inflatie verder oploopt,
bestaat de mogelijkheid dat centrale banken voorgenomen verlagingen van de beleidsrente
uitstellen of overgaan tot een verhoging, om de inflatie te beperken en inflatieverwachtingen
verankerd te houden.
Ook aandelenmarkten staan in het rood, vooral Aziatische markten, maar functioneren
ordelijk. Er is sprake van hogere volatiliteit, maar vooralsnog geen teken van financiële
stress. In theorie kan aanhoudende volatiliteit, bijvoorbeeld op olie- en gasmarkten,
via margin calls druk zetten op specifieke marktpartijen, maar er zijn vooralsnog
geen signalen dat dit zich voordoet. Het Ministerie van Financiën volgt de situatie
nauw en staat hierover in goed contact met DNB en AFM, die de ontwikkelingen op de
financiële markten en bij individuele instellingen monitoren.
Investeringen
Iran, en andere landen in de regio, behoren niet tot de grootste Nederlandse investeringspartners.4 Door het sanctiebeleid zijn de investeringsbanden met Iran feitelijk verwaarloosbaar.
Bij omringende landen in de regio is het investeringsniveau ook beperkt en kunnen
wederzijdse investeringen ondanks de spanningen in veel scenario’s nog doorgang vinden.
Het ligt daarom niet voor de hand dat er via dit kanaal een grote impact op de Nederlandse
economie zal plaatsvinden.
Wel kunnen investeringen via indirecte kanalen onder druk komen te staan als gevolg
van toegenomen volatiliteit op de financiële markten. Het kabinet herkent de zorgen
uit het bedrijfsleven die ontstaan door de grotere onzekerheid op de wereld. Toenemende
onzekerheid kan ertoe leiden dat bedrijven hun investeringsbeslissingen uitstellen
of heroverwegen, wat de investeringsdynamiek in Nederland kan afremmen. Daarnaast
kan een verslechtering van de vermogenspositie van bedrijven en huishoudens, bijvoorbeeld
door dalende beurskoersen of stijgende obligatierentes, eveneens een neerwaarts effect
hebben op investeringen. Gegeven de opgebouwde buffers lijkt hier vooralsnog geen
sprake van te zijn, en ook de financiële markten functioneren tot nu toe naar behoren.
Economische effecten verschillen sterk per scenario
Het is prematuur om vergaande uitspraken te doen over de feitelijke economische effecten
van het conflict gezien de onvoorspelbaarheid. De Nederlandse economie kent gelukkig
een solide uitgangspositie en het verleden heeft laten zien dat de economie over aanzienlijk
veerkracht beschikt. In haar basisraming waarin het conflict niet is meegenomen gaat
het CPB ervan uit dat de inflatie terugloopt van 3,3% in 2025 tot 2,3% in 2026.
Het CPB heeft in het Centraal Economisch Plan (CEP) het potentiële effect van het
conflict op de inflatie doorgerekend in twee verschillende scenario’s. In het eerste
scenario gaat het CPB uit van de gemiddelde marktverwachting tussen 2 en 9 maart van
de olie- en gasprijzen. Hierin loopt de olieprijs in 2026 van 90 dollar per vat terug
naar ongeveer 70 dollar in 2027. De gasprijs loopt in dit scenario van 50 euro per
MWh in 2026 terug naar ongeveer 35 euro per MWh in 2027. Daarnaast berekent het CPB
een scenario met een hogere piek, bijvoorbeeld omdat er meer productiefaciliteiten
uitgeschakeld worden. In dit tweede scenario gaat het CPB uit van een piek in de olieprijs
van 120 dollar per vat in 2026 die terugloopt naar ongeveer 70 dollar per vat in 2027,
en een piek in de gasprijs in 2026 van 100 euro per MWh die terugloopt naar ongeveer
35 euro per MWh in 2027.
In het hierboven genoemde eerste scenario o.b.v. recente marktverwachtingen komt de
inflatie 0,6%-punt hoger uit op 2,9%. In het tweede scenario met hoger dan verwachte
marktprijzen komt de inflatie 1,5%-punt hoger uit op 3,8%. Hogere olieprijzen vertalen
zich in hogere brandstofprijzen, en de hogere gasprijs kan leiden tot een hogere energierekening.
In de scenario’s is de doorwerking van hogere energieprijzen op andere afzetprijzen
niet meegenomen.
Vergeleken met de energiecrisis in 2022 blijft de oploop van de inflatie in beide
scenario’s relatief gezien beperkt. Dit komt onder andere omdat de gasprijzen destijds
duidelijk harder stegen. Dat neemt niet weg dat hogere inflatie ongunstig is voor
zowel huishoudens als ondernemers.
Voorbereiding op mogelijke handelingsopties
Energiemarkten
Het kabinet begrijpt de zorgen die leven bij huishoudens en bedrijven over het conflict
en de impact op energieprijzen en de economie in den brede. Het kabinet houdt de situatie
dan ook nauwlettend in de gaten. We zijn als land op diverse manieren voorbereid op
deze situatie. Voor nu handhaaft het kabinet het eerste niveau van gascrisis (niveau
vroegtijdige waarschuwing) en houdt het de vinger aan de pols via de coördinatiegroepen
voor olie en gas van de Europese Unie en via het IEA. Ook is er overleg met het Nederlandse
bedrijfsleven.
Acute zorgen om leveringszekerheid of fysieke tekorten aan zowel olie als gas in Nederland
heeft het kabinet op het moment niet, zolang er geen verdere ernstige langdurige verstoringen
op de wereldmarkt optreden. Indien de situatie aanhoudt of verslechtert kan opschaling
naar een hoger niveau van gascrisis worden overwogen, mede in overleg met buurlanden,
en kunnen uiteindelijk bij zeer ernstige verslechtering maatregelen uit het Bescherm-
en Herstelplan Gas en het Landelijk Crisisplan Olie in werking treden. In dat geval
zal met de Europese Commissie en buurlanden worden gesproken over een mogelijke herinrichting
van gasstromen om de gaslevering aan beschermde afnemers zoveel mogelijk in stand
te houden. Ook de inzet van de noodvoorraad, die door EBN wordt aangelegd, kan hierbij
een rol spelen.
Huishoudens
Het kabinet begrijpt dat huishoudens zich zorgen maken over hoe het conflict hen zal
raken en neemt die zorgen serieus. Daarom worden voorbereidingen getroffen op een
situatie waarin energieprijzen onverhoopt langdurig en fors hoger liggen en huishoudens
in de knel dreigen te komen. Het kabinet brengt de komende tijd potentiële opties
in kaart voor gerichte ondersteuning, zodat deze wanneer nodig bij de augustusbesluitvorming
benut kunnen worden. Grofweg geldt dat er in verschillende scenario’s mogelijkheden
zijn om huishoudens te ondersteunen via de energierekening, de inkomstenbelasting
of de toeslagen. Maatregelen die zien op het verlagen van de kosten van energieverbruik
zijn relatief duur omdat ze een groot bereik hebben, en zijn daarmee ongericht in
termen van het verzachten van inkomenseffecten. Maatregelen die gericht zijn op kwetsbare
huishoudens sorteren meer effect voor de groep die wordt bereikt en zijn goedkoper.
Tegelijkertijd is het bereik minder groot.
Het kabinet zal onder meer putten uit de verkenning naar maatregelen voor gerichte
inkomensondersteuning aan kwetsbare huishoudens die in 2023 met de kamer is gedeeld5 en uit recente ervaring met maatregelen die tijdens de energiecrisis van 2022–2023
getroffen zijn. Hierbij verkent het kabinet de voor- en nadelen van een breed palet
aan maatregelen. Het kabinet kijkt onder meer naar: introductie van een energietoeslag,
een energieprijsplafond, tijdelijke verlaging van de energiebelasting en brandstofaccijnzen,
verhoging van de maximale onbelaste reiskostenvergoeding voor zakelijke kilometers6, verhoging van de huurtoeslag en verhoging van het WML. Maatregelen kennen budgettaire
consequenties die eveneens in kaart dienen te worden gebracht en waar dekking voor
gevonden zal moeten worden wanneer de noodzaak bestaat hier toe te besluiten.
Hierbij worden ook de mogelijkheden voor het noodfonds energie meegenomen. Er wordt
al langer gewerkt aan een publiek noodfonds, als onderdeel van het nationale plan
in het kader van het Europese Social Climate Fund. Omdat de uitvoering daarvan een uitdaging blijft en tegelijkertijd de economische
situatie verandert door de onrust in het Midden-Oosten, kijken we dus nadrukkelijk
ook naar alternatieven in de genoemde verkenning zodat een instrument tijdig beschikbaar
is.
Waar relevant worden opties geüpdatet of aangevuld of worden andere opties verkend.
Het kabinet houdt daarbij oog voor de uitvoerbaarheid, effectiviteit en economische
wenselijkheid van maatregelen7 en zal de parameters actualiseren op basis van de ontwikkelingen sindsdien, zoals
veranderd energieverbruik en inflatie. Het kabinet houdt hierbij ook oog het verminderen
van energieafhankelijkheid als structurele oplossing.
Het kabinet houdt de situatie nauwlettend in de gaten en zal in de zomer de macro-economische
ontwikkelingen en bredere koopkrachtontwikkeling voor het volgende jaar bezien op
basis van de meest actuele gegevens en ramingen. Dan bestaat er een duidelijker beeld
over de internationale situatie en de economische doorwerking voor Nederland. Als
op dat moment blijkt dat er een noodzaak is voor ondersteunende maatregelen richting
de komende winter, dan kan daar tijdens de augustusbesluitvorming over worden besloten.
Ondernemers
Het kabinet begrijpt de zorgen die ondernemers hebben. Bedrijven met een grote energie-afhankelijkheid
of een grote exposure aan de conflict-regio ondervinden direct de gevolgen. Daarom
houdt het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, samen met het Ministerie van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, nauw contact met het Nederlandse
bedrijfsleven. Op dinsdag 3 maart vond er een eerste bijeenkomst plaats met meer dan
100 bedrijven. Bedrijven zijn hierbij ook gewezen op de mogelijkheden voor contact
met het Ministerie van Buitenlandse Zaken, onder meer op het gebied van eventuele
consulaire ondersteuning. Op maandag 16 maart organiseert de Minister van Buitenlandse
Handel en Ontwikkelingssamenwerking een CEO roundtable over het Midden-Oosten en daarnaast
is er direct contact met VNO-NCW t.a.v. verdere ontwikkelingen.
Het kabinet heeft oog voor de energiekosten van ondernemers. In het coalitieakkoord
zijn maatregelen opgenomen om de energierekening van de energie-intensieve industrie
te stutten. Zo wordt de Indirecte Kostencompensatie (IKC), die energie-intensieve
grootverbruikers van elektriciteit nu al ontvangen, verlengd, verhoogd en uitgebreid.
De IKC compenseert energie-intensieve grootverbruikers in een deel van hun elektriciteitskosten.
Ze ontvangen de compensatie in het lopende jaar. Door de uitbreiding zullen meer bedrijven
de compensatie gaan ontvangen, zoals een deel van de chemische sector. Daarnaast is
in het coalitieakkoord een bedrag vrijgemaakt voor tegemoetkoming van de elektriciteitsprijs
voor bedrijven vanaf 2028.
Daarnaast biedt de Kamer van Koophandel ondernemers informatie en eerstelijnsadvies.
Adviseurs helpen bij vragen over bedrijfscontinuïteit, zodat ondernemers goed onderbouwde
beslissingen kunnen nemen en hun bedrijfsvoering waar nodig kunnen aanpassen. Bedrijven
kunnen ook contact opnemen met de afdeling internationaal ondernemen van de Rijksdienst
Voor Ondernemend Nederland.
Lange termijn weerbaarheid
Het conflict heeft direct effecten voor huishoudens en ondernemers; de opties die
verkend worden zullen vooral gericht zijn op het verlichten van de korte termijn pijn,
als de situatie daarom vraagt. Tegelijkertijd houdt het kabinet ook oog voor de lange
termijn en voorbereiding op verstoringen in de toekomst, door te voorkomen dat we
als land kwetsbaar zijn voor prijsschokken zoals deze. Dat kunnen we doen door onze
economie weerbaarder te maken en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen.
Daarmee zullen ook huishoudens en bedrijven minder hard geraakt worden bij prijsschokken
op de wereldmarkt. Het kabinet zet in op een snelle opschaling van schone-energieproductie
via wind-, zon- en kernenergie en energiebesparing, zodat de noodzaak van veel fossiele
import fors afneemt. We kijken daarvoor naar bijvoorbeeld gasbesparende maatregelen
en ondersteuning van huishoudens en ondernemers in de energietransitie, zoals ook
in het coalitieakkoord aangekondigd met aanvullende maatregelen. Deze worden ook meegewogen
in de augustusbesluitvorming.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
H.G. Herbert
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
De Staatssecretaris van Financiën,
E. Eerenberg
Indieners
-
Indiener
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat -
Medeindiener
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Medeindiener
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Medeindiener
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking -
Medeindiener
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën