Brief regering : Decentrale bevoegdheden staalslak
30 872 Landelijk afvalbeheerplan
30 015
Bodembeleid
Nr. 324
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 13 maart 2026
Eind december is het Circulair Materialenplan (CMP) in werking getreden en is er door
het Ministerie van IenW een brief gestuurd aan bevoegde gezagen en de Omgevingsdiensten.
Deze brief had als doel om decentrale overheden te informeren over de inwerkingtreding
van het CMP. Naar aanleiding van deze brief is het beeld ontstaan dat vanuit het Rijk
beperkingen worden opgelegd aan decentrale overheden om zelfstandig lokale maatregelen
te treffen voor het toepassen van secundaire bouwstoffen, in het bijzonder met betrekking
tot staalslak.
Ik hecht er aan om, mede namens de Minister van Klimaat en Groene Groei, dit recht
te zetten. Afgelopen maandag heb ik dit ook met de VNG besproken. Als het gaat om
milieu en gezondheid dan moeten we als bestuurders snel duidelijkheid schetsen. We
zitten op één lijn en de VNG zal dit ook uitdragen naar haar leden.
Het CMP doet op geen enkele wijze afbreuk aan de verantwoordelijkheden en bevoegdheden
van het bevoegd gezag. De bevoegdheid om op lokaal niveau aanvullende maatregelen
te treffen is verankerd in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving
(Bal). Het CMP roept enkel op om per bouwstof en per toepassingslocatie een afweging
te maken en geen generieke lokale beperkingen in te stellen voor het toepassen van
secundaire bouwstoffen die voldoen aan de kwaliteitseisen van de wetgeving. Het staat
bevoegde gezagen vrij om lokaal beleid vast te stellen op basis van locatiespecifieke
kenmerken ter bescherming van mens en milieu.
Los van het CMP geldt specifiek voor staalslak een tijdelijk landelijk verbod dan
wel vergunningplicht voor nieuwe toepassingen van staalslak vanwege mogelijke milieu-
en gezondheidsrisico’s.1 Dit verbod en de vergunningplicht gelden vooralsnog tot en met 22 juli 2026, met
een mogelijke verlenging tot en met 22 januari 2027. Met deze tijdelijke regeling
worden decentrale overheden al ontlast en is het op dit moment niet meer nodig om
voor een nieuwe toepassing van staalslak die onder het verbod of vergunningplicht
valt maatwerkregels of -voorschriften in te stellen. De periode van het tijdelijk
verbod en de vergunningplicht geeft de gelegenheid om passende maatregelen te treffen,
om daarmee meer grip te krijgen op het toepassen van staalslak en de handhaving daarvan.
De tijdelijke regeling is een van de acht acties die in gang zijn gezet. Deze zijn
in een brief van 18 december jl. met de Kamer gedeeld.2 Om decentrale overheden duidelijkheid te bieden over de periode na de tijdelijke
regeling ligt er momenteel een aantal scenario’s op tafel waarover op korte termijn
een besluit wordt genomen.
De afgelopen decennia is staalslak veelvuldig toegepast. Ook voor het omgaan met dergelijke
bestaande toepassingen ligt de bevoegdheid bij lokale bestuurders. Om decentrale overheden
hierbij te ondersteunen is de Taskforce Bestaande Toepassingen Staalslak opgericht
met vertegenwoordiging van de verschillende overheden. Deze taskforce heeft als opdracht
om tot een gezamenlijke aanpak te komen voor de omgang met bestaande toepassingen
van staalslak. Ook zet de taskforce zich in om relevante kennis over deze toepassingen
en eventuele risico’s beschikbaar te stellen aan burgers en bedrijven. In de week
van 16 maart zal de eerste bijeenkomst van de taskforce plaatsvinden.
Samenvattend roept het CMP op om geen generieke beperkingen voor het toepassen van
secundaire bouwstoffen in te voeren, maar altijd te kijken naar de aard en de kwaliteit
van het materiaal en de specifieke kenmerken van de toepassingslocatie. Het CMP treedt
op geen enkele manier in de bevoegdheden van het lokaal gezag. Een gemeente kan dus
altijd besluiten om maatwerkregels of -voorschriften te stellen voor het toepassen
van secundaire bouwstoffen. Met betrekking tot staalslak geldt, los van het CMP, al
een tijdelijk landelijk verbod en vergunningplicht ten aanzien van het toepassen hiervan
en is het vooralsnog minder relevant voor decentrale overheden om hier aanvullende
maatregelen voor te treffen.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
Ondertekenaars
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat