Brief regering : Beantwoording vragen gesteld tijdens de procedurevergadering over het rapport recidive voorkomen (opgesteld door de rapporteurs van het kennisthema recidive voorkomen)
36 800 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2026
Nr. 134 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 maart 2026
In de procedurevergadering van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van
22 januari 2026 is gesproken over het rapport recidive voorkomen (opgesteld door de
rapporteurs van het kennisthema recidive voorkomen). De rapporteurs over recidive
hebben vragen gesteld, met het verzoek deze te beantwoorden. Door middel van deze
brief geef ik antwoord op de vragen.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen
Vraag 1:
Is de Staatssecretaris voorstander van een wettelijke verplichting voor gemeenten
om de nazorg en re-integratie van (ex-)gedetineerden uit te voeren? Zo ja, hoe en
wanneer wil zij dit regelen? Zo nee, hoe wil zij dan zorgen voor betere informatie-uitwisseling,
voldoende financiering en meer gelijkheid tussen gemeenten?
Antwoord op vraag 1:
Nee, momenteel zie ik geen noodzaak om een extra wettelijke verplichting te regelen
voor gemeenten, naast de wettelijke verplichtingen die zij al hebben.
In de handreiking bij het bestuurlijk akkoord «Kansen bieden voor re-integratie»,1 getekend door de VNG, de drie Reclasseringsorganisaties2, DJI en de Staatssecretaris van JenV zijn de rollen van de verschillende organisaties
beschreven, zo ook van gemeenten. Gemeenten hebben een belangrijke taak bij het ondersteunen
van gedetineerden bij het op orde krijgen van de basisvoorwaarden: een geldig identiteitsbewijs,
huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schulden en zorg. De wettelijke opdracht
voor gemeenten is zaken voor haar burgers te regelen als ze dat zelf niet kunnen of
een aanvulling te bieden op de eigen inspanningen van burgers. Gemeenten hebben voor
deze ondersteuning al wettelijke taken en instrumenten, onder meer op grond van de
Participatiewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
In de handreiking Bestuurlijk Akkoord (bijlage II) is dit overzichtelijk samengebracht.
Daarom vind ik een extra wettelijke verplichting op dit moment niet nodig.
Een goede informatie-uitwisseling is cruciaal voor ketensamenwerking bij re-integratie.
Dit blijkt ook uit het rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid «Samen werken
aan een nieuwe start3». De samenwerking tussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten is de
laatste jaren verbeterd, vooral als het gaat om het delen van het detentie- en re-integratieplan
met gemeenten en de Reclassering en het delen van gegevens binnen het bestel van de
Penitentiaire Beginselenwet (artikelen 18a en 18b). Het optimaal gebruik maken van
deze mogelijkheden en elkaar actief benaderen blijft een belangrijk punt van aandacht
in de ketensamenwerking.
Voor aanvullende financiering voor projecten voor (ex-)gedetineerde burgers kunnen
gemeenten ondersteuning aanvragen. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid stelt
jaarlijks via de Bijdrageregeling Wonen & Werken 4,4 miljoen euro beschikbaar aan
gemeenten. De bijdrageregeling is bedoeld als stimulans en niet als volledige dekking
van alle re-integratiewerkzaamheden. Financiering van andere domeinen verloopt primair
via andere gemeentelijke middelen, zoals hierboven genoemd.
Met behulp van het bestuurlijk akkoord en de handreiking wordt gestreefd naar het
meer uniformiseren van re-integratie. Daarbij geldt wel dat een gemeente een zelfstandige
overheidslaag is. Zolang de gemeente haar wettelijke taak vervult, is er beleidsruimte
om zaken anders te regelen dan bij de buurgemeente en andere prioriteiten te stellen.
Daarom is het niet haalbaar een werkproces te beschrijven dat uniform is ingericht
voor alle gemeenten. Regionale werkafspraken tussen gemeenten, reclassering en DJI
kunnen helpend zijn in hoe deze werkprocessen per gemeente worden ingericht.
De uitvoering van het bestuurlijk akkoord behoeft nog steeds aandacht en daarom werk
ik samen met DJI, de Reclassering, de VNG en gemeenten aan de verdere verbetering
van informatie-uitwisseling en versterking van de ketensamenwerking.
Vraag 2:
Heeft de Staatssecretaris inzicht in welke gemeenten de nazorgtaak momenteel onvoldoende
uitvoeren? Zo ja, welke stappen worden gezet om deze gemeenten te ondersteunen? Zo
nee, is zij bereid dit inzicht alsnog te verkrijgen?
Antwoord op vraag 2:
Vanwege de hierboven geschetste verantwoordelijkheidsverdeling is er geen overzicht
per gemeente ten aanzien van de uitvoering van de nazorgtaak. Mijn ministerie verkrijgt
inzicht in de uitvoering door periodieke gesprekken met de VNG de G4 (Amsterdam, Rotterdam,
Den Haag en Utrecht), DJI en reclassering en op basis van recente onderzoeken zoals
Van Bajes naar Buiten4. Ik acht deze werkwijze passend en het geeft mij voldoende inzicht in de uitvoering
van de nazorgtaak. Ik ben daarom niet voornemens aanvullende stappen te ondernemen.
Vraag 3:
In hoeverre herkennen gemeenten dat zij vaak pas laat, of zelfs pas na vrijlating,
worden geïnformeerd over de uitstroom van gedetineerden, vooral bij korte detenties
en voorlopige hechtenis, en wat is nodig om deze informatievoorziening structureel
te verbeteren?
Antwoord op vraag 3:
Vanuit gemeenten bezien is het belangrijk dat zij op tijd geïnformeerd worden, zodat
zij contact kunnen opnemen met de betrokkene en re-integratieactiviteiten kunnen voorbereiden.
Tegelijk hebben gemeenten er ook begrip voor dat het niet altijd lukt deze informatie
(tijdig) te delen.
Het werken aan re-integratie start al meteen bij aanvang in de PI. In het detentie-
en integratieplan (D&R-plan) van de gedetineerden wordt, op basis van beschikbare
informatie, door DJI alles vastgelegd wat van belang is om de gedetineerde zo gericht
mogelijk te kunnen begeleiden en ondersteunen. De afspraak is dat DJI binnen 10 (werk)dagen
de informatie over het traject van de gedetineerde aan de gemeente van herkomst stuurt.
Hierdoor is de gemeente beter betrokken bij de re-integratie van de gedetineerde.
Goede betrokkenheid van gemeenten direct bij aanvang detentie zorgt uiteindelijk ook
voor een betere informatiepositie van gemeenten bij uitstroom. In de praktijk worden
deze tien (werk)dagen niet altijd gehaald.
Er zijn verschillende situaties denkbaar waardoor gemeenten niet tijdig geïnformeerd
worden. Als een persoon bijvoorbeeld een geldboete niet betaalt, kan vervangende hechtenis
worden toegepast. Als de boete wordt betaald tijdens detentie, stopt de vervangende
hechtenis en kan een betrokkene meteen vrijkomen. Ook kan het voorkomen dat een betrokkene
in voorlopige hechtenis zit, en de uitspraak onherroepelijk wordt. De opgelegde straf
kan gelijk zijn of korter dan de tijd dat een persoon al vastzat, waardoor iemand
direct kan vrijkomen. Zo zijn er meer situaties te bedenken waarbij er sprake kan
zijn van plotselinge vrijlating. In deze gevallen kan niet van te laat informeren
worden gesproken, omdat de termijnen in het strafrecht zo geregeld zijn dat plotselinge
vrijlating juridisch gezien mogelijk is.
Binnen een werkgroep met ketenpartners, waaronder gemeenten, worden verbeteringen
in de informatievoorziening en gegevensdeling met elkaar besproken en doorgevoerd.
Zo wordt er momenteel gewerkt aan een verbetering van meldingen rondom voorwaardelijke
invrijheidsstellingen. Tevens helpt het inzetten op goed contact tussen DJI en gemeenten
om de informatievoorziening over de uitstroom van gedetineerden te verbeteren. Dit
wordt onder meer gedaan door het organiseren van re-integratiepleinen bij verschillende
PI’s.
Vraag 4:
Kan de Staatssecretaris in kaart brengen welke regels en knelpunten er zijn bij gegevensuitwisseling
tussen gemeenten, DJI, reclassering en maatschappelijke organisaties, en welke oplossingen
zij hiervoor ziet?
Antwoord op vraag 4:
Er vinden verschillende stromen van gegevensuitwisseling plaats tussen DJI en andere
organisaties, bijvoorbeeld in het kader van plaatsing in de forensische zorg of het
strafproces. Tevens vindt er tussen DJI en gemeenten gegevensuitwisseling plaats in
het kader van re-integratie. Gezien de scope van dit VKC-verzoek zal in de beantwoording
van deze vraag alleen in worden gegaan op de gegevensuitwisseling in het kader van
re-integratie.
Zoals genoemd in antwoord 1 werkt mijn ministerie samen met DJI, de Reclassering,
de VNG en gemeenten aan het verbeteren van informatie-uitwisseling en versterken van
de ketensamenwerking. De regelgeving omtrent informatie uitwisseling tussen ketenpartners
is niet het knelpunt. De onbekendheid met de informatie-uitwisseling tussen de functionarissen
onder het Bestuurlijk Akkoord is dat wel. Deze onduidelijkheid kan eventueel worden
weggenomen door de huidige «handreiking gegevensuitwisseling Detentie & Re-integratie»
te actualiseren of indien blijkt dat dit niet volstaat een convenant op te stellen
en deze actief onder de aandacht te brengen van relevante partijen. Hier wordt momenteel
aan gewerkt.
Vraag 5:
Welke belemmeringen ervaren DJI, gemeenten en reclassering om vanaf de eerste dag
van detentie te werken aan het behoud of verkrijgen van basisvoorwaarden, zoals werk
en huisvesting?
Antwoord op vraag 5:
Uit onderzoeken blijken verschillende belemmeringen om vanaf de eerste dag van detentie
te werken aan het behoud of verkrijgen van de basisvoorwaarden. Zo oordeelt de Inspectie
Justitie en Veiligheid (Inspectie JenV) in «Samen werken aan een nieuwe start»5, dat de samenwerking tussen het gevangeniswezen, de reclassering en gemeenten de
laatste jaren beter verloopt, mede door het Bestuurlijk Akkoord. Uit het onderzoek
blijkt dat ketenorganisaties elkaar nog intensiever zouden moeten betrekken. Ook het
WODC concludeert in het onderzoek «Van bajes naar buiten»6 dat niet altijd al vanaf de aanvang van detentie wordt begonnen met werken aan de
basisvoorwaarden.
Zoals aangegeven in mijn antwoord op vraag 1 werk ik samen met DJI, de Reclassering,
de VNG en gemeenten aan het verbeteren van de ketensamenwerking, om daarmee het verkrijgen
van de basisvoorwaarden te optimaliseren.
Andere belemmeringen die ervaren worden bij het op orde krijgen van de basisvoorwaarden
zijn de krapte op de woningmarkt waardoor het verkrijgen van huisvesting moeilijk
is. Daarnaast kan het feit dat iemand gedetineerd is geweest belemmerend kan zijn
voor het vinden van werk.
Vraag 6:
Hoe snel vindt de screening op problemen en basisbehoeften, met name huisvesting,
momenteel plaats bij voorlopig gehechten en gedetineerden met een straf korter dan
drie maanden, en welke knelpunten doen zich hierbij voor?
Antwoord op vraag 6:
De casemanager van DJI neemt binnen de eerste 10 (werk)dagen de intake af, waarin
de basisvoorwaarden in kaart worden gebracht. De resultaten worden verwerkt in het
D&R-plan. Daarnaast wordt het sociaal netwerk in kaart gebracht. Vervolgens wordt
dit D&R-plan gedeeld met de gemeente. Dit gebeurt bij alle instromende gedetineerden
ongeacht de strafduur.
Knelpunten die zich voordoen zijn onder andere de hoge werkdruk onder casemanagers7. Om hier meer inzicht in te krijgen wordt momenteel door DJI een werklastmeting uitgevoerd.
Daarnaast is bij vragen over huisvesting is niet altijd duidelijk of een gedetineerde
een woonadres heeft en is ingeschreven in het Basisregistratie Personen (BRP)8. Dat maakt het afstemmen tussen DJI en gemeenten soms lastiger.
Vraag 7:
Waarop is in het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting de aanname gebaseerd
dat mensen met een gevangenisstraf korter dan drie maanden hun woning behouden, en
hoe vaak gebeurt dit in de praktijk, gezien signalen dat juist bij korte detenties
huisvesting vaak verloren gaat?
Antwoord vraag 7:
Het grootste deel van de ex-gedetineerden, ruim twee derde, zit minder dan drie maanden
vast. Op grond van de handreiking bij het bestuurlijk akkoord Nazorg ex-gedetineerden
wordt verondersteld dat indien de gedetineerde voorafgaand aan detentie over woonruimte
beschikt, deze bij een straf korter dan drie maanden behouden kan blijven. Bijvoorbeeld
door afspraken over huisbewaring, het doorbetalen van de huur door de partner of doorbetaling
van de huur met ondersteuning vanuit de bijzondere bijstand. Deze veronderstelling
is meegenomen in de keuze de groep ex-gedetineerden af te kaderen in het Wetvoorstel
Versterking regie volkshuisvesting. In de praktijk gebeurt dit niet altijd. Zo vindt
niet iedere gemeente het wenselijk deze kosten door te betalen.
Vraag 8:
Welke rol ziet de Staatssecretaris voor gemeenten bij (ex-) gedetineerden zonder duidelijke
regiobinding, en hoe wordt voorkomen dat deze groep tussen gemeenten in valt?
Antwoord op vraag 8:
In principe keert de gedetineerde terug naar de gemeente van herkomst. Indien de gedetineerde
zich in een andere gemeente wil vestigen, neemt de gemeente van herkomst contact op
met de gemeente van hervestiging. Hier ligt een rol voor gemeenten. Dit staat ook
beschreven in het Bestuurlijk Akkoord.
(Ex-)gedetineerden mogen zelf beslissen in welke gemeente zij willen uitstromen. Op
grond van de Wet basisregistratie personen is een burger verplicht aangifte te doen
van verblijf en adres, en is een gemeente verplicht die aangifte te verwerken. Om
te voorkomen dat een gedetineerde tussen gemeenten invalt wordt in de PI met de gedetineerde
besproken waar de gedetineerde wil uitstromen en wordt er contact gelegd met de betreffende
gemeente of Zorg- en Veiligheidshuis.
Vraag 9:
In hoeverre is het huidige financieringsinstrumentarium voldoende voor gemeenten om
maatwerk te leveren aan (ex-)gedetineerden met complexe problematiek, gezien signalen
dat begeleiding veel tijd en capaciteit vraagt die niet altijd wordt vergoed?
Antwoord op vraag 9:
De nazorgtaken voor (ex-)gedetineerden zien op de volgende basisvoorwaarden: een geldig
identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schulden en zorg. Deze
vallen onder het reguliere takenpakket van gemeenten en worden uit bestaande geldstromen
binnen het sociaal domein bekostigd. Daarnaast kunnen gemeenten gebruikmaken van de
in het antwoord op vraag 1 genoemde Bijdrageregeling Wonen & Werken voor re-integratie.
Deze regeling is bedoeld als stimulans en biedt geen volledige dekking van alle re-integratiewerkzaamheden.
Daarnaast is de nieuwe werkwijze ID-kaarten in werking getreden. De extra kosten als
gevolg van die werkwijze worden vergoed door mijn Ministerie.
Gemeenten herkennen dat maatwerk voor inwoners met complexe problematiek veel tijd
en capaciteit vraagt en dat dit tot knelpunten kan leiden. Dat beeld is generiek binnen
het sociaal domein en niet specifiek voor de doelgroep (ex-) gedetineerden. Gemeenten
hebben wettelijke taken, waaronder het bieden van schuldhulpverlening of maatschappelijke
opvang. Een goede uitvoering van die taken draagt bij aan vermindering van recidive.
Vraag 10:
Hoeveel gemeenten hebben in 2024 en 2025 gebruikgemaakt van de Bijdrageregeling Begeleiden
(ex-)gedetineerden voor Wonen en Werken, waaraan zijn deze middelen besteed en zijn
deze activiteiten aantoonbaar effectief? Wordt de regeling jaarlijks volledig benut?
Antwoord op vraag 10:
DJI heeft in 2024 in totaal 52 aanvragen ontvangen van 276 gemeenten voor in totaal
2.983 (ex-)gedetineerden. In 2025 waren er 54 aanvragen namens 276 gemeenten voor
2.884 (ex-)gedetineerden en voor 2026 zijn er 57 aanvragen namens 279 gemeenten voor
2.972 (ex-)gedetineerden.
Een gemeente kan een aanvraag indienen namens meerdere gemeenten en het toegekende
bedrag onderling verdelen. Het genoemde aantal ziet daarom op het aantal aanvragen
en niet op het aantal afzonderlijke gemeenten.
De regeling wordt ingezet voor activiteiten gericht op begeleiding naar werk of opleiding,
ondersteuning bij huisvesting en het versterken van de samenwerking tussen betrokken
partijen, zoals gemeenten, uitvoeringsorganisaties en maatschappelijke instellingen.
De activiteiten waaraan de gelden worden besteed verschillen per gemeente maar dienen
wel te voldoen aan het doel van de regeling welke verder is uitgewerkt in het beleidskader
van de bijdrageregeling. In hoeverre de activiteiten aantoonbaar effectief zijn is
aan de gemeenten om te bepalen. Wel leggen gemeenten verantwoording af over de besteding
van de middelen aan het projectbureau van DJI.
Vanaf 2023 is 2 miljoen euro extra toegevoegd aan de regeling, omdat het oorspronkelijke
budget van de regeling niet toereikend was. Deze komt daarmee op 4.4 miljoen euro.
Dit bedrag wordt tot op heden niet volledig benut. In 2023 is ongeveer 800.000 euro
niet benut, in 2024 ongeveer 500.000 euro. Dit kan allerlei oorzaken hebben, zoals
dat de regeling niet bij iedere gemeente bekend is. Ook is er bij niet-deelnemende
gemeenten gemiddeld sprake van weinig terugkerende ex-gedetineerden.Ook zijn er diverse
criteria waar gemeenten aan moeten voldoen voor een aanvraag. Elk jaar wordt de bijdrage
regeling actief onder aandacht gebracht onder andere op de sites van de VNG en DJI.
Vraag 11:
Hoe kan meer uniformiteit worden bereikt in de inzet van gemeenten rond huisvesting
voor ex-gedetineerden, en zijn er bewezen werkwijzen die breder toegepast kunnen worden?
Antwoord op vraag 11:
Meer uniformiteit in de inzet van gemeenten rond huisvesting voor ex-gedetineerden
wordt getracht te bereiken met het Wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting,
dat beoogt landelijke regels te geven voor ex-gedetineerden die langer dan drie maanden
in detentie hebben gezeten. Volledige uniformiteit is momenteel niet mogelijk en begrensd,
omdat gemeenten deels eigen regels rondom huisvesting mogen toepassen. Een effectieve
werkwijze die breder kan worden toegepast, is het tijdelijk doorbetalen van de huur
tijdens detentie, zodat de woning niet wordt ontruimd. Deze oplossing wordt echter
niet overal toegepast, omdat niet elke gemeente het wenselijk vindt deze kosten voor
te schieten of door te betalen.
Vraag 12:
Hoe wordt geborgd dat kennis en expertise over re-integratie en huisvesting binnen
gemeenten behouden blijft, gezien personeelswisselingen en de kwetsbaarheid van dit
dossier, met name in kleinere gemeenten?
Antwoord op vraag 12:
De VNG geeft aan dat, net zoals iedere organisatie, een gemeente soms moeite heeft
met het vinden en behouden van voldoende deskundig personeel. Details over veel onderwerpen
worden ook niet in reguliere opleiding aangeboden maar worden in de praktijk van collega’s
geleerd. Specifiek voor kleinere gemeenten geldt dat een ambtenaar een hele brede
portefeuille heeft. Een veel gekozen oplossing is om een specialistisch onderwerp
te beleggen bij een gezamenlijke organisatie, zoals bijvoorbeeld het Zorg- en Veiligheidshuis.
Het is daarnaast een taak van de VNG om (blijvend) te bouwen aan een netwerk van gemeenten,
waardoor de uitwisseling van kennis en goede voorbeelden bevorderd wordt.
Vraag 13:
Welke formele positie en bevoegdheden heeft een re-integratieofficier die sommige
gemeenten kennen momenteel binnen de samenwerking tussen Dienst Justitiële Inrichtingen,
gemeenten en Reclassering Nederland? Wat gaat goed, en tegen welke knelpunten lopen
ze aan? In hoeverre is het mogelijk dat de inzet van deze officieren structureel wordt
gemaakt en voor alle gemeenten beschikbaar wordt?
Antwoord op vraag 13:
De functie van De Re-Integratie Officier (RIO) is ontstaan vanuit een pilot van het
Ministerie van Justitie en Veiligheid. De RIO heeft als doel het voorkomen van recidive
bij (ex-)gedetineerden van 18 tot 35 jaar door in te zetten op persoonlijke, intensieve
en oplossingsgerichte begeleiding. RIO’s zijn werkzaam bij een gemeente of Zorg- en
Veiligheidshuis en treden in de nazorg op als vertegenwoordiger van de gemeente. De
RIO vervult een centrale rol in domeinoverstijgende samenwerking met andere professionals,
om ondersteuning te bieden op bijvoorbeeld huisvesting en inkomen. RIO’s werken intensief
samen met partners als DJI (casemanagers), de Reclassering, politie en gemeentelijke
afdelingen. De RIO heeft een andere taak dan de reclassering.
Reclasseringstoezicht is vaak opgelegd via de rechter, en dit is bij RIO’s niet het
geval. De Reclassering is in de nazorg verantwoordelijk voor het toezicht en zorgt
voor naleving van de bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht of een locatieverbod.
Ook onderscheidt de RIO zich van de reguliere gemeentelijke nazorg door intensieve
begeleiding (mentoring) te bieden aan de (ex-) gedetineerde. In de samenwerking heeft
de re-integratieofficier geen formele positie of bevoegdheden.
Zowel vanuit (ex-)gedetineerden als de keten wordt de meerwaarde van de re-integratieofficier
gezien. In de keten is in de afgelopen jaren de bekendheid over de werkwijze van de
re-integratieofficier vergroot, mede door de uitbreiding van het aantal re-integratieofficieren.
Op sommige punten kunnen de samenwerkingsafspraken met ketenpartners nog worden aangescherpt.
Hierover is contact met de Reclassering.
Vanuit het Ministerie van Justitie en Veiligheid zijn er onvoldoende middelen om de
re-integratieofficieren structureel in te zetten in alle gemeenten. De beschikbare
middelen worden op dit moment ingezet om gemeenten te ondersteunen waar de problematiek
het grootst is. Voor de gemeenten en Zorg- en Veiligheidshuizen waar de re-integratieofficieren
al worden ingezet zijn er de aankomende jaren middelen beschikbaar.
Vraag 14:
Deelt de Staatssecretaris de constatering van gemeenten dat recidive niet beperkt
is tot (ex-)gedetineerden, maar ook voorkomt bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke
straffen of herhaald justitiecontact zonder detentie?
Antwoord op vraag 14:
Ja, deze constatering deel ik. Recidive komt voor onder zowel ex-gedetineerden als
bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke straffen of herhaald justitiecontact
zonder detentie. Het WODC monitort de recidivecijfers op verschillende groepen.9
Vraag 15:
In hoeverre zijn gemeenten juridisch, organisatorisch en financieel toegerust om recidive
te voorkomen bij deze bredere groep, die wel een beroep doet op gemeentelijke voorzieningen
zoals schuldhulpverlening, Wmo en maatschappelijke opvang?
Antwoord op vraag 15:
Gemeenten hebben wettelijke taken, waaronder het bieden van schuldhulpverlening of
maatschappelijke opvang. Hier draagt een goede uitvoering van die taken bij aan vermindering
van recidive. De VNG geeft aan dat gemeenten zich vooral zorgen maken over de groep
die het loket van de gemeente niet weet te vinden. Die groep is breder dan de groep
die uit detentie terugkeert.
Vraag 16:
Welke knelpunten ervaren gemeenten bij het vroegtijdig signaleren en aanpakken van
recidiverisico’s buiten detentie, met name in de samenwerking en gegevensdeling met
justitiële partners?
Antwoord op vraag 16:
Hierover is navraag gedaan bij de VNG. De VNG geeft aan dat zij niet bekend is met
de knelpunten waarover wordt gesproken in de vraag. Hier zou een uitvraag aan (individuele)
gemeentes voor nodig zijn.
Vraag 17:
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de samenhang tussen recidivebeleid en andere gemeentelijke
beleidsterreinen, zoals zorg, veiligheid, wonen en bestaanszekerheid, en belemmert
verkokering een effectieve aanpak?
Antwoord op vraag 17:
Het landelijk re-integratiebeleid bevordert ook samenhang tussen andere beleidsterreinen.
Er wordt namelijk ingezet op het op orde krijgen van de basisvoorwaarden: een geldig
identiteitsbewijs, huisvesting (onderdak), werk en inkomen, schuldenaanpak, en zorg.
Deze basisvoorwaarden liggen op verschillende beleidsterreinen. Ook vanuit gemeenten
wordt ingezet op deze basisvoorwaarden. Zoals hierboven genoemd zijn gemeenten een
zelfstandige overheidslaag, die over het algemeen geen verantwoording hoeven af te
leggen aan andere overheden. De lokale invulling van de samenhang tussen re-integratiebeleid
en andere gemeentelijke beleidsterreinen, zoals zorg, veiligheid, wonen en bestaanszekerheid,
is aan gemeenten zelf.
Vraag 18:
Is de Staatssecretaris bereid recidivepreventie expliciet breder te definiëren dan
detentie, en samen met gemeenten te werken aan een integrale aanpak waarin ook deze
groepen structureel worden meegenomen?
Antwoord op vraag 18:
Ja, momenteel wordt recidivepreventie al breder gedefinieerd dan detentie. Recidive
komt voor onder zowel ex-gedetineerden als bij mensen met taakstraffen, voorwaardelijke
straffen of herhaald justitiecontact zonder detentie. En het WODC monitort de recidivecijfers
op verschillende groepen.
De inzet op re-integratie richt zich op het op orde krijgen van de basisvoorwaarden
en de versterking van de ketensamenwerking vanuit het Bestuurlijk Akkoord. Hier wordt
aan gewerkt met verschillende ministeries en ketenpartners, waaronder gemeenten. Het
Bestuurlijk Akkoord richt zich op personen die in detentie hebben gezeten. Op dit
moment zijn er geen signalen die maken dat ik aanleiding zie om de doelgroep in het
Bestuurlijk Akkoord breder te definiëren.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid