Brief regering : Voortgangsrapportage Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid
25 295 Infectieziektenbestrijding
29 683
Dierziektebeleid
Nr. 2263
BRIEF VAN DE MINISTERS VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT EN VAN LANDBOUW, VISSERIJ,
VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID
EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 12 februari 2026
Een uitbraak van een zoönose kan wereldwijd en langdurig tot ontwrichtingen leiden,
waarvan de coronapandemie de bekendste is. Deze begon als zoönose en wees ons op de
grote impact die een uitbraak kan hebben, en hoe belangrijk het is deze zoveel mogelijk
te voorkomen. De dreiging van zoönosen is onverminderd aanwezig. Het kabinet ziet
welke impact het vogelgriepvirus momenteel heeft. Met deze brief informeren wij u
over het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid. Uw Kamer wordt via andere
brieven zeer regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen omtrent vogelgriep.
De impact en ontwikkelingen aangaande bijvoorbeeld vogelgriep, de ziekte van Lyme
en het Westnijlvirus tonen de noodzaak om het bestaande zoönosenbeleid te versterken.
Dat is belangrijk om de weerbaarheid van Nederland op dat vlak te vergroten. Daarom
is in 2022 het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid (hierna: actieplan) opgesteld.1 Wij vinden het van groot belang om het risico op het ontstaan van een zoönose(uitbraak)
zoveel mogelijk te verkleinen en om goed zicht te hebben op waar dat desondanks toch
gebeurt. We willen weerbaar zijn om hiertegen op te treden en om de impact op de volksgezondheid,
diergezondheid en de maatschappij zo klein mogelijk te maken.
Het Nationaal actieplan versterken zoönosenbeleid in het kort
In het actieplan is beschreven hoe het zoönosenbeleid verder wordt versterkt. Het
actieplan strekt zich uit over de volle breedte van One Health (leefomgeving, veterinair
en humaan), nationaal en internationaal, en richt zich op preventie, detectie en respons.
Daarnaast wordt aandacht besteed aan twee doorsnijdende thema’s: de internationale
inzet en onderzoek. Het doel van het actieplan is om risico’s op het ontstaan en de
verspreiding van zoönosen in de toekomst verder te verkleinen en voorbereid te zijn
op een eventuele uitbraak. Dit actieplan wordt uitgevoerd in de periode 2022–2026.
Verschillende adviezen zijn benut bij de totstandkoming van het actieplan: het rapport
«Zoönosen in het vizier» van de expertgroep onder leiding van dhr. Bekedam2, een evaluatie van de aanpak van SARS-CoV-2 bij nertsen, verschillende adviezen van
het Deskundigenberaad Zoönosen en consultatie bij een groot aantal partners uit alle
One Health domeinen.
Met het actieplan zet het kabinet op alle aspecten van het zoönosenbeleid (preventie,
detectie, respons, internationaal en onderzoek) een extra stap om onze aanpak te versterken.
De kracht van het actieplan is dat hierin alle acties – groot en klein – samenkomen
en dat het totaal van alle acties een substantiële bijdrage levert aan het versterken
van het zoönosenbeleid. Volksgezondheid staat daarbij voorop; geen onnodige risico’s
voor de gezondheid voor burgers. Maar ook voor veehouders en hun dieren en voor de
leefomgeving als geheel is het voorkomen van en voorbereid zijn op uitbraken van zoönosen
van belang.
In deze brief wordt uw Kamer op hoofdlijnen geïnformeerd over de voortgang van het
actieplan, geïllustreerd met een aantal voorbeelden. In de bijgevoegde Kamerrapportage
wordt per actie de voortgang toegelicht. Deze Kamerrapportage betreft een update van
de rapportage die uw Kamer begin 2025 heeft ontvangen.3
Ook informeren we u hierbij over het verschijnen van de Staat van Zoönosen 2024.4 Dit rapport wordt ieder jaar uitgebracht door het RIVM in opdracht van de NVWA en
biedt inzicht in trends van zoönosen in Nederland. De Staat van Zoönosen licht daarnaast
elk jaar opmerkelijke infecties uit, zoals de eerste kat met lyssavirus via een vleermuis
in Nederland en vogelgriep in melkkoeien in de Verenigde Staten. Vanaf dit jaar geeft
de Staat van Zoönosen ook informatie over ziekten die door teken of muggen worden
overgebracht.
Belangrijkste voortgang van het versterkte zoönosenbeleid uit 2025
In 2025 zijn mooie verdere stappen gezet in het versterken van het zoönosenbeleid.
Een groot aantal acties van het actieplan is afgerond en een deel is nog in uitvoering.
Hieronder wordt een aantal belangrijke gerealiseerde mijlpalen uit 2025 uitgelicht.
Bioveiligheid
In de Nederlandse veehouderij is veel aandacht voor bioveiligheid. Dat is ook belangrijk,
want een goede bioveiligheid helpt om infecties met dierziekten, waaronder zoönosen,
buiten de deur te houden. Het is van belang om continu kritisch te blijven op de bioveiligheid
op een bedrijf, en die te blijven optimaliseren. Dat kan met een bedrijfsspecifiek
bioveiligheidsplan. In 2025 is het verplichte bioveiligheidsplan voor pluimveebedrijven
ingevoerd. De varkenssector is vergevorderd met de implementatie van Holland Varken
Quality (ketenkwaliteitssysteem), waarin eisen voor bioveiligheid een essentieel onderdeel
zijn. Verder start deze sector in 2026 met de collectieve bestrijding van het PRRS-virus,
waarbij het verder verbeteren van de biosecurity één van de pijlers is.
Daarnaast start in 2026 een beleidsondersteunend onderzoek op het gebied van bioveiligheid.
Internationaal blijft dit ook een speerpunt, waar we als Nederland inbreng op blijven
geven.
Leefomgeving
De (inrichting van de) leefomgeving is van invloed op het zoönoserisico en vraagt
dus aandacht. Denk bijvoorbeeld aan het voorkomen van muggen, teken en ratten. De
focus ligt op (klimaatadaptatie)maatregelen in de directe leefomgeving van mensen,
bijvoorbeeld in stedelijk gebied en/of bebouwde kom. Bij dergelijke aanpassingen in
de leefomgeving kunnen onder andere lokale overheden voortaan wat betreft muggen en
teken expertise vanuit het door het CMV (NVWA) en het RIVM opgerichte kennisplatform
vectorgebonden infectieziekten (KPVI) inwinnen.
Ook worden handreikingen opgesteld voor decentrale overheden om zoönosenrisico’s mee
te kunnen wegen bij de inrichting van de leefomgeving. Wageningen University & Research
(WUR) heeft daarvoor binnen het programma ERRAZE onderzoek gedaan naar veranderende
zoönosenrisico’s als gevolg van menselijke activiteiten, zoals klimaat- en landgebruiksverandering,
en mogelijke preventieve maatregelen om risico’s te minimaliseren. De uitkomsten van
dit onderzoek helpen om een basis te creëren voor een wegingskader voor besluitvorming
rondom zulke veranderingen in relatie tot zoönosenrisico's. In het verlengde hiervan
hebben professionals die werken aan maatschappelijk relevante vraagstukken in het
groene domein ook handelingsperspectief nodig. De uitkomsten van het WUR-onderzoek
vormen inbreng voor het NWO-SIA Programma Praktijkkennis Voedsel en Groen (PPVG).
Zij hebben een call gehonoreerd aan een breed onderzoeksconsortium van een aantal
HBO-instellingen met bedrijven en lokale stakeholders zoals gemeenten, waterschappen
en GGD’en. Deze partijen gaan praktijkgericht onderzoek uitvoeren dat bijdraagt aan
de handreikingen voor professionals, bijvoorbeeld landschapsarchitecten.
Bovenregionale samenwerking
Alle 25 GGD’en krijgen in meer of mindere mate te maken met zoönosen. Er is dan ook
veel expertise aanwezig en professionals bij de GGD hebben behoefte om deze expertise
onderling zo goed mogelijk te benutten. Daarnaast willen GGD-professionals ook graag
toegang tot actuele kennis en informatie die bij landelijke partijen beschikbaar is.
Om die reden heeft het RIVM een Community of Practice opgericht, geleid door twee GGD-artsen. Zij verbinden vragen en behoeften van de
ene GGD met kennis en goede praktijkervaringen bij de andere GGD, het RIVM of andere
landelijke partij.
Daarnaast heeft het RIVM, in samenwerking met onder andere GGD’en en de NVWA, een
tabletop oefening ontwikkeld met als doel om de samenwerking op regionaal niveau te
verbeteren om op die manier de respons op uitbraken met zoönotische verwekkers te
versterken. In 2025 en 2026 is en wordt de oefening in alle vijf bovenregionale GGD-regio’s
georganiseerd.
Gegevensuitwisseling
Het Ministerie van VWS heeft de afgelopen tijd gewerkt aan een wetsvoorstel om de
Wet publieke gezondheid (WPG) te wijzigen. De inzet van deze tranche is te voorzien
in nieuwe grondslagen en het verbeteren van bestaande grondslagen voor het uitwisselen
van noodzakelijke gegevens bij de infectieziektebestrijding en pandemiebestrijding
in het bijzonder. Dit wetsvoorstel zal in 2026 in internetconsultatie gaan. Het voorstel
bevat ook een artikel over zoönosen. Het artikel behelst dat GGD’en, in geval dat
de meldingsplichtige ziekte een zoönose betreft, verplicht worden om de persoonsgegevens
waarover de GGD’en nu reeds beschikken vanuit de huidige meldplicht, ook te delen
met de NVWA. Dit stelt de NVWA nog beter in staat om haar wettelijke taak van bron-
en contactonderzoek bij dieren uit te voeren.
Het RIVM heeft in 2024 een projectgroep ingericht bestaande uit One Health partners
die gegevens over ziekteverwekkers bij dieren en/of mensen genereren middels een wettelijke
monitoring/surveillancetaak. Deze partijen hebben begin 2025 een verklaring getekend
waarmee zij overeenkomen dat de kennisinstituten de intentie hebben om data routinematig
te delen. In een raamovereenkomst tussen deze partijen worden afspraken gemaakt welke
data zullen worden uitgewisseld, hoe data worden uitgewisseld, en onder welke voorwaarden
dit gebeurt. De verwachting is dat de overeenkomst in het eerste kwartaal van 2026
gereed is.
Draaiboek en leidraad
Het Interdepartementaal beleidsdraaiboek Risicobeoordeling & -besluitvorming bij zoönosen
stamt uit 2017 en was sterk verouderd. In de Kamerbrief over de rapportage die uw
Kamer in 2023 heeft ontvangen5 bent u geïnformeerd over een gezamenlijk zoönosentraject dat is uitgevoerd onder
begeleiding van Berenschot in 2022–2023. Van dit traject heeft Berenschot in september
2024 een evaluatie opgeleverd. Naar aanleiding van deze evaluatie en verschillende
andere aanbevelingen die zijn voortgekomen uit de evaluatie van de SARS-CoV-2-uitbraken
in nertsen is dit draaiboek herzien en bijgewerkt. Nieuw is bijvoorbeeld een duidelijke
knip tussen het onderdeel risicobeoordeling en het onderdeel crisisbesluitvorming.
In het deel dat gaat over risicobeoordeling komen de verschillende adviesgremia met
hun doel en deelnemers aan bod. In het deel dat gaat over crisisbesluitvorming worden
de verschillende crisisoverleggen nader geduid en wordt in beeld gebracht hoe de besluitvorming
uiteindelijk tot stand komt.
Daarnaast is een leidraad opgesteld voor het geval dat veel voorkomende gezelschapsdieren
zoals honden, katten en vogels een rol zouden spelen in de epidemiologie van een zoönotische
uitbraak (bijvoorbeeld met een ziekte X). Het doel van deze leidraad is om inzicht
te geven in mogelijke beleidsbeslissingen bij een besmetting en/of uitbraak van een
zoönose bij gezelschapsdieren en is daarmee anders van aard dan de reguliere dierziektendraaiboeken.
Een potentiële zoönotische infectieziekte bij gezelschapsdieren (net als bij andere
dieren) wordt binnen de zoönosenstructuur besproken en indien nodig wordt er opgeschaald.
De evaluatie, het draaiboek en de leidraad zijn als bijlage bij deze brief gevoegd.
Afsluitend
Het is belangrijk dat Nederland goed voorbereid is op dreigingen die volksgezondheid
en de samenleving kunnen verstoren, zoals het ontstaan van nieuwe (uitbraken van)
zoönosen. Het actieplan draagt eraan bij Nederland op dit punt weerbaarder te maken.
Er zijn in 2025, maar ook de jaren daarvoor, grote stappen gezet om het zoönosenbeleid
in Nederland én internationaal te versterken. We blijven ons inzetten om uitvoering
te geven aan de acties uit het actieplan, om zo bij te dragen aan het verder versterken
van het zoönosenbeleid. Dat doen we in nauwe samenwerking met mede-overheden, GGD’en,
artsen, dierenartsen, kennisinstituten, sectorpartijen, ngo’s, internationale organisaties,
en alle andere betrokken partijen, in de volle breedte van het One Health domein.
Het actieplan loopt tot en met 2026 en voor deze periode zijn financiële middelen
beschikbaar. De bezuiniging op de maatregelen pandemische paraatheid waarvan het actieplan
deel uitmaakt, betekent dat de maatregelen na 2026 moeten worden afgebouwd. Om dat
te voorkomen maakt de Minister van VWS zich hard voor het vinden van alternatieve
middelen voor weerbare zorg, waar ook de voorbereiding op een pandemische dreiging
onderdeel van is. Zoals eerder toegezegd wordt uw Kamer hierover voor de zomer geïnformeerd.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie
Indieners
-
Indiener
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
J.F. Rummenie, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Medeindiener
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur