Brief regering : Kostenbesparingen door betere benutting van het net
29 023 Voorzienings- en leveringszekerheid energie
Nr. 628
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 februari 2026
Geopolitieke ontwikkelingen en dreigingen wereldwijd tonen aan hoe belangrijk het
is om in meer eigen energieproductie te voorzien en risicovolle afhankelijkheden rond
de import van fossiele energie te verminderen. Elektriciteit is voor het grootste
deel van onze energiebehoefte op termijn de meest duurzame en doelmatige oplossing
en onmisbaar in een klimaatneutraal 2050; daarmee vormt elektriciteit de ruggengraat
van ons toekomstige energiesysteem. Om in de elektriciteitsvraag te voorzien van industrie,
utiliteit, woningen en mobiliteit moet het elektriciteitsnet fors worden uitgebreid.
Het IBO bekostiging van de elektriciteitsinfrastructuur becijfert dat de noodzakelijke
investeringen in de elektriciteitsinfrastructuur tot en met 2040 cumulatief op € 195
miljard uitkomen.1 Als gevolg hiervan stijgen de nettarieven voor burgers en bedrijven tussen nu en
2040 met gemiddeld circa 5% per jaar. Hier staan grote economische en maatschappelijke
baten tegenover die kunnen oplopen tot tientallen miljarden euro’s per jaar.2 Deze brief bevat een actualisatie van de verschillende maatregelen en acties die
zijn aangekondigd om de kostenstijging te dempen en het net beter te benutten, zoals
toegezegd in de kabinetsreactie op het IBO.3 Gezien de demissionaire status van het kabinet is het aan het volgende kabinet om
de in gang gezette acties door te zetten en verdere keuzes te maken om kosten te besparen.
Deze brief gaat achtereenvolgens in op de volgende onderwerpen:
1. Het beter benutten van het elektriciteitsnet.
2. Sterkere locatiesturing.
3. Het anders verdelen van de netkosten en stroomlijnen besluitvorming.
4. Opvolging van relevante moties en toezeggingen.
1. Het beter benutten van het elektriciteitsnet
Betere benutting van het net is essentieel om de komende jaren meer woningen en bedrijven
aan te kunnen sluiten. Bovendien kan dit de stijgende nettarieven dempen. Het IBO
concludeert dat nadere keuzes om het net op land beter te benutten de cumulatieve
investeringsopgave kunnen dempen met € 3,5 – 22,5 miljard (op een totaal van € 107
miljard voor het net op land) tot 2040. Met de gebundelde maatregelen uit de eerder
geïntroduceerde beleidsagenda houdt het kabinet rekening met een potentiële besparing
op de netkosten van € 10 – 20 miljard tussen 2025 en 2040. Hiermee wordt het middenscenario
voor netto reductie van de investeringsopgave in het elektriciteitsnet uit het IBO
gevolgd.
Recent is de Kamer geïnformeerd over de doorbraakaanpak om het elektriciteitsnet beter
te benutten.4 Het kabinet heeft daarnaast eerder ook al enkele maatregelen geïntroduceerd om het
net beter te benutten en de kostenstijging te dempen. Deze zijn gericht op het stimuleren
van flexibiliteit en het besparen van elektriciteit, het sturen op locaties van energie-infrastructuur,
-opslag en -productie, (onderzoek naar) het zwaarder belasten van het net en het maken
van keuzes voor het toekomstige energiesysteem. Vanuit het Landelijk Actieprogramma
Netcongestie (LAN) zijn tevens reeds verschillende acties in gang gezet rond het flexibiliseren
van het elektriciteitsgebruik en het zwaarder belasten van het net. Elk halfjaar wordt
vanuit het LAN de Kamer geïnformeerd via een voortgangsrapportage en Kamerbrief over
de actuele ontwikkelingen in het programma. De Kamer is het meest recent geïnformeerd
op 6 oktober via de Kamerbrief «Stand van zaken aanpak netcongestie».5 De volgende rapportage wordt naar verwachting eind maart 2026 naar de Kamer verzonden.
Op Prinsjesdag 2025 heeft het kabinet besloten voor het toekomstig energiesysteem
niet langer aan te sturen op 50 GW aan wind op zee in 2040.6 De verwachting is op dit moment dat er in 2040 tussen de 30 en 40 GW wind op zee
nodig zal zijn om in de elektriciteitsvraag te voorzien.7 Deze bijstelling leidt tot lagere investeringskosten en daarmee minder sterk stijgende
nettarieven voor burgers en bedrijven. Daarnaast heeft het kabinet enkele maatregelen
geïntroduceerd die zijn gericht op energiebesparing, waarvan een groot deel ook elektriciteitsbesparing
teweeg zal brengen, zoals de middelen die beschikbaar zijn gesteld voor fixteams voor
bedrijven, of de normering van gebouwen met een industriefunctie. Ook wordt in de
actualisatie van het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) breder ingegaan op de kosten
en betaalbaarheid van het nieuwe energiesysteem en de verwachte energievraag in 2040
en de daarvoor benodigde energie-infrastructuur. De actualisatie wordt uiterlijk met
Prinsjesdag 2026 naar de Kamer verzonden. Tot slot verstuurt het kabinet begin dit
jaar een brief over de decentrale ontwikkelingen in het energiesysteem naar de Kamer,
inclusief de potentie van decentrale interventies op de besparing van netkosten.
2. Sterkere locatiesturing
In het nieuwe energiesysteem is de bestaande werkwijze voor het kiezen van de locatie
voor het aanleggen van infrastructuur steeds minder toepasbaar. Van oudsher is deze
werkwijze reactief: er is een concrete aantoonbare behoefte waarvoor de uitbreiding
van infrastructuur te verantwoorden is of er is een ontwikkelaar die een vergunning
aanvraagt. Vervolgens gaat de overheid aan de slag met het locatiebesluit en daarop
volgt de vergunningverlening.
Op dit moment is een recordaantal nationale energieprojecten in uitvoering en dit
aantal zal de komende jaren flink oplopen. Voor de aanleg van nieuwe energie-infrastructuur,
-opslag en -productie is de komende jaren veel ruimte nodig. Veel nationale energieprojecten
staan in dezelfde sleutelgebieden (zoals in/nabij de energie-intensieve clusters of
hoogspanningsstations) gepland. Een groot deel van de projecten is daarbij ook afhankelijk
van elkaar: het is essentieel dat zij tegelijk en in de buurt van elkaar beschikbaar
komen om te kunnen functioneren. Daarbij is het ook van belang om te kijken naar vraag
en aanbod in samenhang: de nabijheid van grote afnemers. Door te clusteren en bundelen
gebruiken we zo efficiënt mogelijk de beschikbare ruimte.
In tijden van een snelle transitie wordt deze aanpak steeds uitdagender. In deze «project-voor-project»-aanpak
dreigt elk project op elkaars uitkomsten en besluitvorming te moeten wachten. De consequentie
is dat maatschappelijke kosten zullen oplopen omdat de maatschappelijk gewenste locaties
niet op tijd beschikbaar zijn. Kosten hebben zowel betrekking op directe netkosten
als impact op de leefomgeving van mensen. Daarnaast belast de aanpak (door per individueel
project een afzonderlijke ruimtelijke/vergunningprocedure te doorlopen) de uitvoeringscapaciteit
sterk, vooral in de piekjaren 2030–2040.
In het IBO is berekend dat locatiesturing op aansluitingen van grootschalige energiefuncties
op het hoogspanningsnet de financiële kostenstijging flink – minimaal € 12,5 miljard
– kan dempen op een totaal van € 107 miljard op land. Berekeningen uit het IBO wijzen
bijvoorbeeld op de volgende besparingen dankzij locatiesturing:
– Elektrolyse aan de kust kost minder dan elektrolyse diep in het netwerk (ver van wind
op zee), maximaal € 10 miljard.
– Optimaliseren sturing van 17 GW batterijen kan leiden tot een besparing van € 2,5
miljard aan investeringen op het hoogspanningsnet.
Als vervolgstap is nu ook onderbouwd wat de maatschappelijke kosten zijn van locatiesturing
en wat de juridische onderbouwing is van sterkere regie op de ruimtelijke keuzes voor
het energiesysteem. Beide onderzoeken zijn terug te vinden als bijlage van deze brief
en hieronder samengevat.
In het rapport van STEC en Haskoning wordt de maatschappelijke onderbouwing gegeven
door uit te gaan van twee scenario’s. Eén scenario betreft de klassieke reactieve
aanpak waarbij elk project een individueel locatiebesluit krijgt, een individuele
milieueffectrapportage en een individuele vergunning. In het tweede scenario wordt
per sleutelgebied één ruimtelijk besluit voor de gebiedsopgave genomen op basis van
één ruimtelijke verkenning en gebiedsparticipatie, en daarna vinden individuele vergunningsprocedures
plaats. Uit dit onderzoek blijkt dat de maatschappelijke baten van een proactieve
aanpak groot zijn, ook als de publieke middelen die nodig zijn voor actief grondbeleid
(zoals grondverwerving en het bouwrijp maken) worden meegerekend. Het verlaagt netkosten,
voorkomt netcongestie en risico’s voor ontwikkelaars en biedt meer mogelijkheden voor
ruimtelijke kwaliteit. Door slimme locaties aan te wijzen voor grootschalig aanbod,
opslag of conversie van energie in de industrieclusters kunnen kosten en realisatiekracht
bij overheden, ontwikkelaars en netbeheerders worden bespaard omdat minder netuitbreidingen
nodig zijn.
In het rapport van Straatman en Koster Advocaten is onderzocht hoe de juridische onderbouwing
eruit zou kunnen zien wanneer de overheid niet wacht op een initiatiefnemer, maar
zelf de regie neemt en nut en noodzaak aantoont van belangrijke projecten in het energiesysteem
op maatschappelijk wenselijke locaties per gebied. Op basis van een dergelijke procedure
zouden doorlooptijden van grote projecten met twee tot vier jaar verkort kunnen worden.
In het Programma Energiehoofdstructuur uit 2024 zijn de slimme locaties in kaart gebracht.8 Die locaties betreffen in het nationale energiesysteem vooral de hoogspanning stations,
de locaties voor aanlanding van wind op zee en grote energieproductielocaties (kerncentrales
en andere energiecentrales). Met bijgaande onderzoeken zijn de eerste contouren van
een uitvoeringsaanpak uitgewerkt, namelijk de ruimtelijke besluiten, de maatschappelijke
businesscase en de juridische onderbouwing. Ook het formatierapport «Routes naar realisatie:
keuzes voor het klimaat en de energietransitie» brengt beleidsopties in kaart voor
proactieve ruimtelijke sturing vanuit het Rijk.9 Nadere uitwerking hiervan en besluitvorming hierover (inclusief financiering) is
aan een nieuw kabinet.
Een belangrijke voorwaarde is de afstemming met andere ruimtelijke opgaven om samenhangende
keuzes per gebied te maken. Een groot aantal nationale energiefuncties zal, in combinatie
met de transitie naar een circulaire economie, in belangrijke mate worden gerealiseerd
in de vijf energie-intensieve haven- en industrieclusters (Rotterdam-Moerdijk, Noordzeekanaalgebied,
Chemelot, Zeeland – West-Brabant en Noord-Nederland). In deze gebieden spelen meerdere
nationale belangen. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 20 juni jl. is hier sprake
van een fors ruimtetekort en gelden er ernstige beperkingen aan de beschikbare milieuruimte.10 Ook dit vergt meer Rijksregie. In de NOVEX-gebieden voor de energie-intensieve industrieclusters
stellen Rijk en regio een gezamenlijk ontwikkelperspectief op voor deze industrieclusters.
In de ontwerp Nota Ruimte zijn deze clusters aangewezen als gebieden van nationaal
belang.
Locatiesturing is ook nodig voor het decentrale energiesysteem, waarvoor in de eerste
plaats gemeenten en provincies het bevoegd gezag zijn. Door bij het bouwen van woningen
of laadinfrastructuur vroegtijdig rekening te houden met netcapaciteit en uitbreidingen
van het energiesysteem, kan sneller worden gebouwd. Op dit moment worden er door de
decentrale overheden zogenaamde energiebeelden opgesteld om een begin te maken met
het in kaart brengen van slimme locaties. Rond de zomer zullen zij starten met pilots.
Sterkere locatiesturing helpt om de ruimtelijke principes uit de Ontwerp Nota Ruimte
waar te maken, zoals het beter in samenhang brengen van (energie)vraag en -aanbod
en het realiseren van uitbreidingen op strategische locaties. Een volgend kabinet
kan in de definitieve Nota Ruimte en bijbehorende uitvoeringsagenda, en in de geplande
actualisatie van het PEH concretere handen en voeten geven aan locatiesturing.
3. Het anders verdelen van de netkosten en stroomlijnen besluitvorming
Naast de hoogte van de totale investeringen is ook van belang wie de lasten draagt.
Hier spelen verschillende overwegingen en perspectieven, bijvoorbeeld ten aanzien
van de concurrentiepositie, voorkomen van energiearmoede, behoud van draagvlak voor
de transitie en (intergenerationele) rechtvaardigheid.
Om de energierekening te dempen voor huishoudens, maatschappelijke instellingen en
bedrijven, heeft het kabinet eerder de energiebelasting verlaagd en de indirecte kostencompensatie
voor de elektriciteits-intensieve industrie (IKC-ETS) verlengd. In navolging op het
IBO heeft het kabinet onderzocht of amortisatie van de kosten van de noodzakelijke
investeringen in het stroomnet mogelijk is om de netkosten voor huishoudens, bedrijven
en instellingen de komende jaren te dempen. De Kamer is over de uitkomsten van het
onderzoek geïnformeerd in de Kamerbrief «Uitvoering pakket voor Groene Groei». Uit
dit onderzoek blijkt dat amortisatie van de investeringskosten maar heel beperkt kan
bijdragen aan lagere tarieven. Dit is nader toegelicht in genoemde brief en bijbehorende
bijlagen.11
Omdat dit vraagstuk urgent blijft, zijn in het onafhankelijke ambtelijke rapport «Routes
naar realisatie – Keuzes voor het klimaat en de energietransitie» alternatieve opties
om de nettarieven te verlagen en de kosten anders te verdelen (tussen burgers, bedrijven
en generaties) verder uitgewerkt en toegelicht. Het rapport geeft ook inzicht in manieren
om de investeringszekerheid van elektrificerende bedrijven te vergroten, bijvoorbeeld
via verschillende mogelijkheden om de hoogte van elektriciteitskosten te adresseren.
Het volgende kabinet is aan zet om dit vraagstuk verder op te pakken.
Het kabinet heeft daarnaast meerdere aanbevelingen uit het IBO om besluitvorming te
stroomlijnen omarmd. Zo verbetert het kabinet het proces voor het gezamenlijk opstellen
van langetermijnscenario’s van de netbeheerders, onder andere door transparante uitgangspunten
– over bijvoorbeeld prijsontwikkelingen, ruimtelijke aannames of economische ontwikkelingen
– vast te stellen waarop de scenario’s worden gebaseerd. Het kabinet is hierover in
gesprek met de netbeheerders, planbureaus en de Autoriteit Consument & Markt (ACM).
Tevens werkt het kabinet met de netbeheerders – en in samenhang met PEH en NPE – aan
een nieuwe werkwijze voor de doorvertaling van de genoemde scenario’s. Het doel hiervan
is om, in aanvulling op de bestaande langetermijnscenario’s, tot een concrete integrale
systeemplanning te komen. Deze systeemplanning zou een completer en duidelijker beeld
moeten geven van wanneer welke infrastructuur waar komt. Daarnaast maakt het inzichtelijk
waar nog keuzes nodig zijn voor tijdige programmering van energie-infrastructuur via
bijvoorbeeld het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK). De eerste
processtappen in de uitwerking hiervan worden rond de zomer verwacht. In diezelfde
periode wordt in de actualisatie van het NPE nader toegelicht hoe het kabinet deze
systeemplanning verder wil ontwikkelen.
Ook werkt het kabinet samen met de netbeheerders aan afspraken over een «netwerktoets»,
zodat netbeheerders beter en eerder betrokken worden bij beleidsvoorstellen die naar
verwachting grote impact hebben op het elektriciteitsnet en op de benodigde investeringen
en daarmee de kosten- en tariefontwikkeling. Streven is om als pilot de eerste uitkomsten
van de netwerktoets gelijktijdig met de Voorjaarsnota van 2026 met de Kamer te delen.
Verder heeft het kabinet sinds de kabinetsreactie op het IBO de investeringsprognoses,
de verwachte nettarieven en financieringsbehoefte van de netbeheerders opgenomen als
bijlage bij de Voorjaarsnota en nader geactualiseerd in de Miljoenennota.
Daarnaast ontwikkelt het kabinet publieke kennis, data en methoden verder om kosten,
baten en verdelingsaspecten en het effect van beleidskeuzes daarop, gedurende de energietransitie
integraal en structureel in beeld brengen. Daarom heeft het kabinet de publieke kennisinstellingen
(PBL, CPB, TNO, CBS en RVO) verenigd in de Kenniscoalitie voor de Energietransitie
(KCET) en hen verzocht een hierop gericht werkprogramma op te stellen en uit te voeren.
Het programma «Energietransitie Integraal Kostenoverzicht» (EIK) is in september 2025
gestart en gaat kennis en inzichten ontwikkelen die cruciaal zijn voor weloverwogen
beleidskeuzes in de energietransitie. De eerste projecten binnen dit programma zijn
inmiddels van start gegaan.12 Het programma zal naar verwachting in het eerste kwartaal van 2026 een startnotitie
opleveren. De inzichten uit deze startnotitie worden in de actualisatie van het NPE
meegenomen.
4. Opvolging van relevante moties en toezeggingen
Naar aanleiding van een toezegging aan het lid Bontenbal heeft het kabinet onderzocht
of het wenselijk is om de inkoop van energie ter compensatie van netverliezen via
energieleveranciers te laten lopen.13 Op basis van dit onderzoek concludeert het kabinet dat dit niet het geval is. In
een ruime meerderheid van de EU-landen is het de netbeheerder die moet compenseren
voor het verlies van elektriciteit en/of gas dat tijdens het transport verloren gaat.
Een belangrijke reden voor deze keuze is dat netbeheerders de meeste mogelijkheden
hebben om netverliezen te beperken. Netbeheerders gaan namelijk over het netontwerp,
goed onderhoud en het voorkomen van energiediefstal. De ACM stimuleert als toezichthouder
dat netbeheerders netverliezen beperken en kan monitoren of netbeheerders een goed
proces hebben voor het inkopen van de netverliezen. Ten slotte weegt het kabinet mee
dat een eventuele beleidswijziging zorgt voor meer onzekerheid over de toekomstige
kosten van energieleveranciers. Voor de betaalbaarheid van de energierekening is het
wenselijk dat reguleringsrisico’s beperkt blijven.
Tot slot onderneemt het kabinet verschillende acties voor wat betreft de ruimtelijke
opgave. Eén van deze acties is de motie van het lid Grinwis c.s. om samen met TenneT
en regionale netbeheerders geschikte opslaglocaties voor batterijen zo nauwkeurig
mogelijk in kaart te brengen.14 Over de uitvoering van deze motie wordt uw Kamer eind maart geïnformeerd in de volgende
brief over de stand van zaken van het LAN.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S.Th.M. Hermans
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Klimaat en Groene Groei