Brief regering : Fiche: Mededeling DigitalJustice@2030
22 112 Nieuwe Commissievoorstellen en initiatieven van de lidstaten van de Europese Unie
Nr. 4236 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 januari 2026
Overeenkomstig de bestaande afspraken ontvangt u hierbij 3 fiches die werden opgesteld
door de werkgroep Beoordeling Nieuwe Commissie voorstellen (BNC).
Fiche: Mededeling Digital Justice@2030.
Fiche: Mededeling Europese strategie justitiële opleiding 2025–2030 (Kamerstuk 22 112, nr. 4237).
Fiche: Mededeling bioeconomie strategie (Kamerstuk 22 112, nr. 4238).
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Fiche: Mededeling DigitalJustice@2030
1. Algemene gegevens
a. Titel voorstel
MEDEDELING VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT, DE RAAD, HET EUROPEES ECONOMISCH
EN SOCIAAL COMITÉ EN HET COMITÉ VAN DE REGIO'S Digitaljustice@2030
b. Datum ontvangst Commissiedocument
20 november 2025
c. Nr. Commissiedocument
COM(2025) 802
d. EUR-Lex
https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52025DC08…
e. Nr. impact assessment Commissie en Opinie Raad voor Regelgevingstoetsing
Niet van toepassing
f. Behandelingstraject Raad
Raad Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ-Raad)
g. Eerstverantwoordelijk ministerie
Ministerie van Justitie en Veiligheid
2. Essentie voorstel
Op 20 november 2025 heeft de Europese Commissie (hierna: de Commissie) de DigitalJustice@2030 Strategie gepresenteerd als onderdeel van het Digitaal Justitie Pakket, dat
voorts bestaat uit de Europese strategie voor justitiële opleiding 2025–2030. Met
dit pakket beoogt de Commissie de digitalisering van justitie te versnellen. Dit fiche
betreft enkel de DigitalJustice@2030 Strategie; voor de Europese strategie voor justitiële opleiding 2025–2030 is
een separaat BNC-fiche opgesteld.
De Commissie wil haar ambities voor 2030 verwezenlijken middels 14 actiepunten, verdeeld
over zeven thema’s, waarmee de Commissie bouwt aan een volledig digitaal Europees
justitie-ecosysteem. Deze ambities zijn gebaseerd op een aantal strategische doelstellingen,
met in de eerste plaats het vergroten van het groei- en concurrentievermogen van de
EU door digitalisering van alle publieke sectoren, inclusief justitie. Verder wil
de Commissie de beschikbaarheid vergroten van kwalitatief hoogwaardige juridische
en justitiële data voor het trainen van AI, zodat met specifiek voor het juridische
domein ontwikkelde AI de kwaliteit, efficiëntie en toegankelijkheid van de rechtsstelsels
worden verbeterd. Tenslotte acht de Commissie digitalisering belangrijk om justitie
beter bestand te maken tegen crises, zoals de COVID-19-pandemie.
Dit voorstel van de Commissie bouwt voort op het Programma Justitie (EU) 2021/693,1 de Digitaliseringsverordening (EU) 2023/2844) en de lopende e-Justice-strategie 2024–2028 van de Raad.2 Het voorstel van de Commissie voor voortzetting van het Programma Justitie voor de
periode 2028–2034,3 in het kader van het nieuwe Meerjarig Financieel Kader,4 wordt ook op dit moment besproken.
Dit voorstel beoogt een versnelling van de digitalisering van de rechtsstelsels en
bevat daartoe concrete voorstellen. Zo moet de introductie van digitale instrumenten
in de justitieketen worden ondersteund om de efficiëntie te verbeteren en de lidstaten
moeten van elkaar kunnen leren bij de ontwikkeling en het gebruik van digitale instrumenten
en infrastructuur. De Commissie introduceert hiervoor een «living
repository» en IT-toolbox die op het e-Justice
portaal worden geplaatst. Eind 2027 zal de Commissie een aanbeveling doen voor vrijwillige
gemeenschappelijke EU-brede technische voorschriften voor videoconferenties. Ook zal
de Commissie onderzoeken hoe interoperabiliteitsproblemen bij grensoverschrijdend
gebruik van videoconferentie in het justitiële domein kunnen worden opgelost.
Tegen 2030 moeten alle rechtsbeoefenaars, ondernemingen en particulieren gemakkelijk
online toegang hebben tot alle wetgeving en jurisprudentie van de lidstaten op een
daarvoor ingerichte Europese juridische gegevensruimte, die eerder al is geïntroduceerd
in de Europese Datastrategie 2020.5 Dit sluit aan bij het voorstel, dat juridische en justitiële data worden aangewezen
als High Value Data in het kader van de Open data richtlijn zoals opgenomen in de Data Uniestrategie
van 19 november 2025.6
Verder streeft de Commissie naar uitbreiding van het bij de Digitaliseringsverordening
geïntroduceerde European Electronic Access Point (EEAP). Dit digitale aansluitpunt is in voorbereiding en moet volgens planning in
2028 operationeel zijn. De Commissie wil in deze strategie alle bedrijven en particulieren,
inclusief personen met een handicap, in staat stellen om bij grensoverschrijdende
gerechtelijke zaken en procedures via het EEAP contact op te nemen met rechtbanken,
hoorzittingen bij te wonen en dergelijke procedures op te starten in de EU, ook voor
andere procedures en doeleinden dan zoals opgenomen in de Digitaliseringsverordening.
Dit zal naar verwachting de toegang tot justitie aanzienlijk verbeteren en tegelijkertijd
de kosten verlagen.
De Commissie geeft aan dat deze digitaliseringsopgave stevige waarborgen vereist voor
de grondrechten, toegankelijkheid, cybersecurity en gegevensbescherming conform de
AVG, de richtlijn rechtshandhaving, de cyberbeveiligingsverordening en de AI-verordening.
Voor de benodigde versterking van digitale vaardigheden, en uitbreiding van kennis
van materieel recht, grondrechten en rechtsstaat heeft de Commissie voormelde Europese
strategie voor justitiële opleiding 2025–2030 voorgesteld.
Hoewel de initiële investeringen aanzienlijk zullen zijn, voorziet de Commissie efficiëntiewinsten
waarmee op termijn kosten worden bespaard, mede dankzij gerichte EU-financiering die
ook onderdeel vormt van het voorstel.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel
a. Essentie Nederlands beleid op dit terrein
De ambities van de Commissie in de DigitalJustice@2030 Strategie zijn een vervolg op – onder meer – de Raadsconclusies uit 2020 over
«Toegang tot justitie – de kansen van digitalisering benutten7», de mededeling van de Commissie van december 2020 «Digitalisering van justitie in
de Europese Unie – Een instrumentarium met mogelijkheden»8 en de e-Justice-strategie 2024–2028 van de Raad. De Covid-19-pandemie was een belangrijke aanjager
van digitalisering, ook in het juridische domein. Het kabinet heeft de genoemde digitaliseringsvoorstellen
van de Commissie positief ontvangen. Sinds de inwerkingtreding van de Verordening
digitalisering justitiële samenwerking9 (hierna: de Digitaliseringsverordening) werkt een groot aantal organisaties in de
justitiesector momenteel samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid aan de
technische en juridische implementatie. Weliswaar vergt dit een grote inspanning van
de betreffende organisaties, maar door de samenwerking zijn alle organisaties zich
meer bewust geworden van de mate waarin zij afhankelijk zijn van elkaars digitale
en operationele systemen. Ook bij de uitvoering van nationale digitaliseringsopgaven
weten zij elkaar nu beter te vinden.
Wat betreft digitalisering in het justitiedomein is de afgelopen jaren voortgang geboekt.
Naast uitvoering van de eigen digitaliseringopgave voor onderhoud en vernieuwing moeten
de organisaties in de justitiesector capaciteit en middelen besteden aan de implementatie
van nationale digitaliseringsopgaven, zoals het nieuwe wetboek van Strafvordering
en diverse Europese digitaliseringsverordeningen, zoals de Digitaliseringsverordening
en de AI-Verordening. Daarbij staat voorop, dat de werkzaamheden en processen in de
justitiële sector met behoud van kwaliteit doorgaan. Dit vergt van de betrokken organisaties
een zorgvuldige planning en afstemming.
Het kabinet wil de eerder ingezette digitalisering binnen het justitiedomein voortzetten,
zoals vastgelegd in de lopende e-Justice-strategie 2024–2028 van de Raad. Belangrijke uitgangspunten voor digitalisering zijn
vastgelegd in de Nederlandse Digitaliseringsstrategie10, te weten: de bevordering van samenhangende digitale dienstverlening aan burgers
en bedrijven, het op een verantwoorde manier delen en benutten van data en het op
een verantwoorde manier benutten van de kansen van digitalisering en AI.
b. Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel
Het kabinet ondersteunt de ambitie van de Commissie om te komen tot een justitiesector
die meegroeit met de technologische ontwikkelingen in de samenleving. Een goed functionerende
rechtsstaat is immers een belangrijke pijler voor een veilige en rechtvaardige samenleving
voor burgers, en voor economische groei en bijdrage aan het concurrentievermogen.
Ook waardeert het kabinet dat op samenhangende wijze wordt gekeken op welke wijze
de justitiesector, die burgers en bedrijven toegang tot het recht biedt, met de tijd
mee kan bewegen en wat lidstaten over en weer van elkaar op dit gebied kunnen leren.
Het kabinet heeft echter op sommige punten nog wel vragen ten aanzien van financiële
en uitvoeringsconsequenties.
Het kabinet beoordeelt de actiepunten over het organiseren van structurele kennisoverdracht
en uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten op het gebied van digitale
instrumenten, inclusief AI, in beginsel als positief. Dergelijke kennisoverdracht
en uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten vindt de laatste jaren slechts
incidenteel plaats in het kader van Europese conferenties op ambtelijk niveau, waarin
ook Nederland participeert. Wel merkt het kabinet op, dat de «living repository» en de IT-Toolbox nog moeten worden ontwikkeld en gevuld, en zich in de praktijk nog moeten bewijzen.
Daarbij zal niet elk nationaal ontwikkeld IT-instrument zonder meer geschikt zijn
voor gebruik in een andere lidstaat. Ook wil het kabinet niet dat de IT-Toolboxoverlap gaat vormen met een toolbox van de European Commission for the Efficiency of Justice (CEPEJ) van de Raad van Europa, aangezien dat dubbele administratieve lasten voor
de lidstaten zou betekenen.
Voor wat betreft AI verwelkomt het kabinet de inspanningen van de Commissie voor totstandkoming
van richtsnoeren voor verantwoord gebruik van hoog-risico-AI in het justitiedomein
in het kader van de AI-verordening. Het kabinet waardeert daarmee ook de aangekondigde
samenwerking van de Commissie met de organisaties in de justitiële sector om te komen
tot adequate ondersteuning bij het gebruik van AI-toepassingen in het justitiedomein.
Met betrekking tot de European Legal Data Space (ELDS) onderschrijft het kabinet het maatschappelijk belang van openbaarheid van
rechtspraak voor burgers, bedrijven, wetenschap en journalistiek. Het kabinet is echter,
gelet op de aard van de gegevens, terughoudend ten opzichte van de voorstellen om
juridische data («legal data») en justitiële data («judicial data») aan te wijzen als open data (high
value dataset) en om een «data space» in te richten voor de rechtspraak met als doel deze data geschikt te maken voor het
trainen van AI. Het kabinet heeft daarbij vragen die op basis van de nu beschikbare
informatie nog niet beantwoord kunnen worden, met name over de scope, de impact op
privacy, gegevensbescherming en andere relevante grondrechten, en de uitvoeringsconsequenties
voor de rechtsprekende instanties. Tijdens de uitwerking zal het kabinet aandacht
vragen voor deze onderwerpen. Ook heeft het kabinet in dit kader vragen over de voorstellen
van de Commissie wat betreft de European Law Identifier (ELI) en de European Case Law Identifier (ECLI), inclusief de taakverdeling tussen de lidstaten en EU-organisaties. Ook wil
het kabinet weten of de Commissie voornemens is om op korte termijn de ECLI Raadsconclusies
uit 201911 te implementeren. Op die wijze zou immers een kader ontstaan dat flexibeler kan worden
ingezet zonder dat data centraal wordt bijeengebracht.
De uiteindelijke positie van het kabinet is afhankelijk van de verdere uitwerking
van dit voorstel.
Het kabinet is positief over het voorstel voor een aanbeveling van de Commissie voor
vrijwillige, gemeenschappelijke EU-brede technische voorschriften voor videoconferenties.
Het kabinet zal de totstandkoming van deze voorschriften nauw volgen en indien nodig
input verzorgen richting de Commissie. Bij het opstellen van deze technische voorschriften
acht het kabinet het van groot belang dat de aanbevelingen uit het rapport van de
EU Agentschap voor fundamentele rechten7 in acht worden genomen, zodat grondrechten zoals het recht op een eerlijk proces,
het vertrouwelijk kunnen overleggen met een advocaat en de toegang tot de rechter
voor bijvoorbeeld kwetsbare personen gewaarborgd blijven. Verder vraagt het kabinet
bij het opstellen van deze technische voorschriften aandacht voor bescherming tegen
beeld- en geluidmanipulatie, zoals deepfakes, en bescherming tegen het ongeoorloofd opnemen en verspreiden van beeld- en geluidsmateriaal.
De eventuele toepassing van deze vrijwillige voorschriften binnen Nederland zal in
nauw overleg met de Rechtspraak, het OM en andere betrokken taakorganisaties en beroepsgroepen
worden bezien.
De uitwerking van de in dit kader aangekondigde studie naar oplossingsrichtingen voor
interoperabiliteitskwesties voor grensoverschrijdende videoconferentie in gerechtelijke
procedures wacht het kabinet verder af. Voor het kabinet is hierbij een randvoorwaarde
dat de jurisdictie en onafhankelijkheid van de rechtspraak, het OM en andere organisaties
worden gewaarborgd.
Het kabinet waardeert tot slot dat de Commissie vooruit denkt over verdere digitalisering
van justitie maar benadrukt dat de voorstellen voor de justitiële organisaties realistisch
en (financieel) uitvoerbaar moeten zijn, mede gelet op de nationale digitaliseringsopgaven.
Om de gewenste versnelling van de verdere digitalisering te realiseren vindt het kabinet
een evenwichtige samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten van belang. Hierover
wil het kabinet graag verder met de Commissie en de lidstaten in dialoog treden en
reflecteren. Het kabinet vindt het wenselijk dat de Commissie meer inzicht geeft in
haar overwegingen en gedachten hierover. Met het EEAP wil Nederland graag eerst ervaring
opdoen als dit operationeel is. Ook acht het kabinet het wenselijk, dat na een aantal
jaren een evaluatie van de werking van het EEAP wordt uitgevoerd voordat onomkeerbare
beslissingen over de uitbreiding van het gebruik van het EEAP aan de orde zijn. Aangezien
dit fundamentele vragen oproept over de digitalisering van civiele gerechtelijke procedures,
zou deze kwestie passen in een bredere discussie over civiele justitiële samenwerking
in het algemeen.
c. Eerste inschatting van krachtenveld
Tijdens een reeks speciale, door de Commissie in de loop van 2025 geïnitieerde en
gemodereerde EU-brede bijeenkomsten op hoog ambtelijk niveau, onder de noemer «High Level Forum» (HLF), zijn vrijwel alle onderwerpen en actiepunten in het voorliggende voorstel
reeds geagendeerd en met de lidstaten besproken. Daarbij viel op dat de lidstaten
steeds in grote meerderheid de voorstellen onderschreven, zij het soms met opmerkingen
en kanttekeningen, die veelal ook zijn meegenomen in deze strategie, die daar het
resultaat van is. Daarom gaat het kabinet uit van een grote mate van acceptatie door
de lidstaten van de voorstellen in deze strategie.
De positie van het Europees Parlement over deze strategie is onbekend.
4. Grondhouding ten aanzien van bevoegdheid, subsidiariteit, proportionaliteit, financiële
gevolgen en gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
a. Bevoegdheid
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft betrekking op de
ruimte van vrijheid, veiligheid en recht. Op het terrein van de ruimte van vrijheid,
veiligheid en recht is sprake van een gedeelde bevoegdheid tussen de EU en de lidstaten
artikel 4, tweede lid, onder j, VWEU.
b. Subsidiariteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel om digitalisering
van justitie, de grensoverschrijdende samenwerking en de toegang tot het de rechter
in de justitiesector te stimuleren en de lidstaten te ondersteunen om hun nationale
justitiesector met de digitale samenleving mee te laten bewegen. Deze efficiëntieslag
moet tevens bijdragen aan de bestrijding van criminaliteit en het Europese concurrentievermogen
vergroten. Om dit te kunnen bereiken, dient op nationaal, bilateraal en EU-niveau
nauw te worden samengewerkt rondom digitalisering van justitie en grensoverschrijdende
justitiële samenwerking. Vanwege het grensoverschrijdende karakter van deze samenwerking,
kan actie hierop het beste op Unieniveau worden genomen. Om die redenen is optreden
op het niveau van de EU gerechtvaardigd.
c. Proportionaliteit
De grondhouding van het kabinet is positief. De mededeling heeft tot doel om digitalisering
van justitie, de grensoverschrijdende samenwerking en de toegang tot het de rechter
in de justitiesector te stimuleren en de lidstaten te ondersteunen om hun nationale
justitiesector met de digitale samenleving mee te laten bewegen. Deze efficiëntieslag
moet tevens bijdragen aan de bestrijding van criminaliteit en het Europese concurrentievermogen
vergroten. Het voorgestelde optreden is geschikt om deze doelstelling te bereiken,
omdat de beschreven acties zoals het opzetten van een register met digitale instrumenten,
de uitwisseling van beste praktijken, het ondersteunen bij het gebruik van AI-systemen
en juridische technologie, en het financieel ondersteunen van digitaliseringsplannen,
allemaal wezenlijk bijdragen aan het bevorderen van de digitalisering van de justitiesector.
De mededeling is een aanvulling, en bouwt voort op de Digitaliseringsverordening ((EU)
2023/2844), en op een aantal eerdere niet-wetgevende stukken en strategieën op dit
terrein die het kabinet onderschrijft. Bovendien gaat de mededeling niet verder dan
noodzakelijk, omdat de mededeling beperkt is tot de verbetering van randvoorwaarden
en de facilitering en stimulering van verdere digitalisering in en door de lidstaten
zelf. Hiermee wordt voldoende ruimte overgelaten aan de lidstaten zelf.
d. Financiële gevolgen
Voor de meeste van de 14 actiepunten in deze strategie geldt dat het initiatieven
en acties betreft door de Europese Commissie zelf, die dus ten laste komen van het
(huidige) EU-budget. Maar het kabinet merkt op, dat indirect en op langere termijn
daar echter wel kosten voor de lidstaten uit kunnen voortvloeien, al is nog niet duidelijk
in welke mate. Dat geldt bijvoorbeeld voor de actiepunten inzake de Europese ruimte
voor juridische gegevens (ELDS), videoconferentie en de bijdrage aan de IT-Toolbox. De uitvoeringskosten voor het eventueel beschikbaar maken van jurisprudentie zijn
naar verwachting aanzienlijk, aangezien de data geanonimiseerd, machine-leesbaar en
voorzien moet worden van voldoende metadata.
Het kabinet zal de Commissie daarom vragen aan te geven wat het financieel beslag
van de voorstellen zal zijn, waarbij de consequenties voor zowel de EU-begroting als
de nationale begroting beter in beeld moeten komen. Ook zal het kabinet bij de uitwerking
van de voorstellen aandacht blijven vragen voor de effecten op nationale begrotingen
die mogelijk de komende jaren onder druk zullen staan.
Aangezien de strategie loopt tot en met 2030, zal de uitvoering ervan deels plaatsvinden
binnen het huidige Meerjarig Financieel Kader (MFK) 2021–2027 en deels binnen het
volgende MFK (2028–2034). Het kabinet is van mening dat de benodigde EU-middelen gevonden
dienen te worden binnen de in de Raad afgesproken financiële kaders van de EU-begroting
2021–2027 en dat deze moeten passen bij een prudente ontwikkeling van de jaarbegroting.
Voor de periode vanaf 2028 wil het kabinet niet vooruit lopen op de integrale afweging
van middelen na 2027. Eventuele budgettaire gevolgen voor de nationale begroting zullen
worden ingepast op de begroting van het beleidsverantwoordelijke departement, conform
de regels van de budgetdiscipline.
e. Gevolgen voor regeldruk, concurrentiekracht en geopolitieke aspecten
De mededeling zelf bevat geen aankondiging van nieuwe wettelijke maatregelen en geeft
daarmee geen aanleiding om gevolgen te verwachten op regeldruk en administratieve
lasten voor de overheid, bedrijfsleven of burgers. De aankondiging van de Commissie
van nieuwe richtsnoeren voor het gebruik van AI-systemen met een hoog risico binnen
het domein van justitie betreft geen nieuw regelgeving, maar is een uitwerking van
een verplichting in de AI-verordening.
Het kabinet zal de totstandkoming van vrijwillige, gemeenschappelijke EU-brede technische
voorschriften voor videoconferenties. nauw volgen en, indien nodig en mogelijk, input
verzorgen richting de Commissie. De eventuele toepassing van deze vrijwillige voorschriften
binnen Nederland zal in nauw overleg met de Rechtspraak, het OM en andere betrokken
taakorganisaties en beroepsgroepen worden bezien.
Voor de Commissie vormt versterking van het concurrentievermogen van de EU voor de
Commissie de belangrijkste motivering voor deze nieuwe strategie, onder expliciete
verwijzing naar het Draghi-rapport. Het uiteindelijke doel van de Commissie is de
efficiëntie van overheidsdiensten te vergroten door ze standaard te digitaliseren,
om zo de productiviteit te stimuleren. De Commissie stelt dat bedrijven meer geneigd
zijn te investeren in landen waar het rechtsstelsel doeltreffend is, waar de toegang
tot de rechter is gegarandeerd, de kwaliteit van de rechtspraak hoog is en transparantie
is gewaarborgd. Het kabinet deelt weliswaar deze doelstellingen, maar tekent aan dat
de effect van deze strategie vooral indirect en op langere termijn merkbaar zullen
zijn, en daardoor moeilijk te meten.
De strategie is erop gericht om de digitale infrastructuur en juridische processen
binnen de EU te versterken en te moderniseren. Daardoor zouden derde landen hun samenwerkingsstrategieën
met de EU kunnen moeten herzien om compatibel te blijven met nieuwe digitale standaarden
en juridische systemen. De strategie kan eventueel leiden tot nieuwe verplichtingen
of verboden voor bedrijven buiten de EU die willen opereren binnen de Unie, vooral
in sectoren zoals technologie, (juridische en justitiële) data, videoconferentie,
cyberveiligheid en AI.
Door een meer dominante rol na te streven in digitale rechtspraak, kan de EU haar
ambitie en positie als mondiale leider in technologie versterken. Dit kan bijdragen
aan verdere wereldwijde normbepaling door de EU; het vermogen van de EU om mondiale
normen vast te stellen op het gebied van digitale justitie zou immers kunnen toenemen.
Ook kan deze strategie indirect invloed hebben op internationale veiligheidsnormen,
waarbij derde landen mogelijk hun eigen veiligheidssystemen moeten aanpassen om interoperabel
te blijven met die van de EU.
Door het stimuleren van de ontwikkeling van onafhankelijkere digitale systemen, kan
het risico op afhankelijkheid van niet-EU-spelers verminderen, wat de strategische
autonomie van de EU versterkt.
De strategie kan eventueel economische druk uitoefenen op derde landen die sterk afhankelijk
zijn van handel met de EU als ze niet aan nieuwe standaarden voldoen. Met name ontwikkelingslanden
zouden mogelijk moeite hebben om bij te blijven met technologische ontwikkelingen
die door dit voorstel worden geïnitieerd en gestimuleerd, wat hun relatie met de EU
kan beïnvloeden.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Buitenlandse Zaken