Brief regering : Verduurzaming gebouwde omgeving, voortgang op diverse maatregelen, moties en toezeggingen
32 847 Integrale visie op de woningmarkt
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 1401
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 januari 2026
De kwaliteit van de gebouwvoorraad is door verduurzaming sterk vooruitgegaan. Steeds
meer woningen, kantoren en andere gebouwen worden geïsoleerd en waar dat kan verwarmd
zonder aardgas. Burgers en bedrijven nemen in toenemende mate energiebesparende en
verduurzamingsmaatregelen. Dat is ook logisch en verstandig. Het vertaalt zich direct
in hogere vastgoed- en woningwaardes1 en in meer grip op de energierekening. En een beter binnenklimaat leidt tot een toename
van productiviteit, leefbaarheid en gezondheid.
Ik onderschrijf dan ook de recente oproep van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur
(Rli) om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan doen.2 De energietransitie raakt iedereen en moet dus ook voor iedereen werken.
De meeste mensen zijn bereid stappen te zetten wanneer deze haalbaar, betaalbaar en
logisch zijn.3 De overheid ondersteunt daarom met subsidies, aantrekkelijke financiering, advies
en duidelijke informatie. Met landelijke regels en met gemeentelijke inzet in de wijken.
Veel aandacht en middelen gaan daarbij naar huishoudens en maatschappelijk instellingen
met minder (financiële) slagkracht, bijvoorbeeld via het Nationaal Isolatieprogramma,
de afspraken over uitfaseren EFG-labels in de huursector en met concrete maatregelen
tegen energiearmoede en met de 0% leningen in het Warmtefonds.
In deze brief licht ik een aantal van de instrumenten voor verduurzaming uit. Het
betreft de benutting en voorziene wijzigingen van subsidies en financiering, het verduurzamen
van huurwoningen met een EFG-label en voordelige leningen voor maatschappelijk vastgoed.
Tevens informeer ik u over diverse moties, toezeggingen inzake het energielabel, de
stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) en het Bouwmaterialenakkoord.
A. Benutting subsidies en aantrekkelijke financiering verduurzaming huur- en koopwoningen
en VvE’s
Subsidies en leningen verduurzaming worden goed gevonden en benut
Met regelingen zoals de Stimuleringsregeling Aardgasvrije Huurwoningen (SAH), de Investeringssubsidie
Duurzame Energie en Energiebesparing (ISDE), Subsidieregeling Verduurzaming voor VvE’s
(SVVE) en Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH) wordt het
nemen van verduurzamingsmaatregelen voor verschillende doelgroepen toegankelijker.
Het nieuwe Dashboard Energiesubsidies Woningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek
(CBS)4 biedt inzicht in hoeveel subsidies en leningen zijn verstrekt, aan welke huishoudens
en voor welke maatregelen. Voor gemeenten biedt het dasboard waardevolle informatie
om te bepalen in welke wijken bewoners extra ondersteuning nodig hebben bij het verduurzamen
van hun woning.
In alle regio’s van het land weten woningeigenaren de weg te vinden naar subsidies
en leningen. Subsidies worden bovendien relatief vaak aangevraagd voor oudere woningen
(tot 1995) en voor huizen met een laag energielabel, zoals E, F of G. In 2024 zijn
in totaal 253.000 subsidies en leningen verstrekt. in 2024 werden er bovendien meer
leningen van het Nationaal Warmtefonds verstrekt dan de jaren daarvoor. Dankzij de
0%-lening voor woningeigenaren met een verzamelinkomen onder de € 60.000, vragen huishoudens
met een inkomen onder deze inkomensgrens deze lening steeds vaker aan. Ook VvE’s weten
in toenemende mate de weg te vinden naar Nationaal Warmtefonds en subsidies.
Meer mogelijkheden in subsidieregelingen ISDE, SVVE en SVOH
Per 1 januari 2026 worden in de verschillende subsidieregelingen een aantal nieuwe
voorwaarden toegevoegd. Naast onderstaande wijzigingen worden in de subsidieregelingen
een aantal technische wijzigingen doorgevoerd.
• ISDE: energiezuinige ventilatie wordt toegevoegd als subsidiabele maatregel. De subsidie
voor ventilatie geldt alleen in combinatie met een isolatiemaatregel, kan éénmalig
verstrekt worden en betreft een vast bedrag van 400 euro. Daarnaast wordt de subsidiesystematiek
bij warmtepompen aangepast, zodat opstellingen waarbij twee of meer warmtepompen aan
elkaar gekoppeld zijn niet meer kunnen worden (over-)gesubsidieerd.
• SVOH: isolerende kozijnpanelen worden toegevoegd als subsidiabele maatregel. Deze
maatregel was al subsidiabel binnen de SVVE en ISDE. Hiermee komt uniformiteit tussen
de regelingen. Daarnaast wordt net als bij de ISDE de subsidiesystematiek bij warmtepompen
aangepast.
• SVVE: de looptijd van de regeling wordt verlengd tot en met 2030 en het subsidieplafond
wordt opgehoogd tot ruim 179 mln. euro. Ook wordt de grens van maximaal 2,5 mln. euro
subsidie per vereniging losgelaten.
Ondersteuning isolatieopgave door gemeenten
Gemeenten hebben vanuit de lokale aanpak van het Nationaal isolatieprogramma het doel
om tot en met 2030 750.000 woningen te helpen isoleren van eigenaar-bewoners en VvE’s
die daarbij extra financiële ondersteuning en begeleiding nodig hebben. Om dit doel
te halen is versnelling nodig. Met 9 mln. euro voor de Specifieke uitkering isolatieopgave
Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (SpUk isolatieopgave NPLW)5 komt er extra ondersteuning voor gemeenten om deze isolatieopgave te versnellen.
Met de SpUk isolatieopgave NPLW kan vanuit de regionale structuur van 30 regio’s van
het NPLW nu ook ondersteuning aan gemeenten worden geboden bij de uitvoering van de
lokale aanpak. Het doel daarbij is om gemeenten die in hun isolatieaanpak tegen knelpunten
aanlopen en waarbij de uitvoering nog niet goed loopt, snel praktische ondersteuning
te bieden om hun isolatieaanpak te versterken en te versnellen. Alle regio’s hebben
hiervoor een aanvraag ingediend en zullen middelen ontvangen. De regio’s kunnen hiermee
extra capaciteit en expertise inhuren, de regionale samenwerking versterken of anderszins
helpen bij de isolatieopgave.
Ondersteuning huishoudens met minder slagkracht
Nog altijd kampen veel Nederlanders met een te hoge energierekening. Energiearmoede
speelt vaak binnen een bredere context van armoede, die grote gevolgen kan hebben
voor het dagelijks leven. Financiële stress, gezondheidsproblemen en sociaal isolement
komen vaker voor bij mensen die in armoede leven. Uit onderzoek van TNO blijkt bovendien
dat kinderen extra kwetsbaar zijn als zij kampen met energiearmoede: zowel hun fysieke
als mentale gezondheid kan onder druk komen te staan, met negatieve gevolgen voor
hun schoolprestaties6. Deze bevindingen onderstrepen het belang van een rechtvaardige energietransitie,
waarbij huishoudens met minder financiële slagkracht actief worden ondersteund op
weg naar een duurzame woning.
Vanaf 1 januari 2026 start RvO met ondersteuning van TNO met het Nationaal Energiearmoede
Observatorium (NEO), ondersteund door SZW, KGG en VRO. Dit is de plek waar alle kennis
en kunde over de aanpak van energiearmoede bij elkaar komt. Daarnaast vervult het
een signaalfunctie: het brengt zowel effectief beleid als knelpunten in de uitvoering
vroegtijdig in beeld.
Het Actienetwerk Energiehulp7 heeft een subsidie van 7,5 mln. euro ontvangen voor het opzetten en versterken van
lokale sociaal-maatschappelijke energiehulp-initiatieven die een bewezen effectieve
energiehulp-aanpak toepassen.
B. Ontwikkeling minimum energieprestatie-eis huurwoningen
In mijn brief van 7 maart jl.8 over de verduurzaming van de gebouwde omgeving heb ik u geïnformeerd over het opnemen
van minimum energieprestatie-eisen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voor
huurwoningen met een EFG-label. Hiermee zorgen we voor toekomstbestendige woningen
voor huurders. Eigenaren van huurwoningen met een energielabel E, F of G moeten hun
pand uiterlijk op 1 januari 2029 verduurzamen naar minimaal energielabel D. Het opnemen
van de eis draagt bij aan een verlaging van de energierekening en beter wooncomfort
van huurders. Er komt géén gebruiksverbod voor huurwoningen in de regelgeving. Voor
enkele typen woningen wordt een uitzondering gemaakt. Voorbeelden van uitzonderingen
zijn monumenten, woningen die ten hoogste twee jaar gebruikt worden, woningen die
minder dan 4 maanden per jaar gebruikt worden en vrijstaande woningen kleiner dan
50m2. Het toezicht op en de handhaving op de eisen berust bij de gemeente. De eisen
dragen bij aan een verlaging van de energierekening en beter wooncomfort van huurders.
Ook de waarde van de woning neemt toe en de woning is meer toekomstbestendig.
De internetconsultatie over het opnemen van minimum energieprestatie-eisen voor huurwoningen
in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) loopt tot en met vrijdag 19 december.9 Parallel aan de Bbl-wijziging wordt bekeken hoe de huurregels in het Burgerlijk Wetboek
(BW) moeten worden aangepast, zodat investeringen in verduurzaming eenvoudiger in
de huurprijs kunnen worden verwerkt. Hiervoor start begin 2026 een internetconsultatie.
C. Voordelige leningen voor het maatschappelijk vastgoed
Met de subsidieregeling duurzaam maatschappelijk vastgoed (DUMAVA) kunnen gebouweigenaren
van scholen, sport, cultuur, kinderopvang en kleine zorgpartijen circa 30% tot 40%
van het benodigde investeringsbedrag in de verduurzaming vergoed krijgen. Veel maatschappelijk
vastgoed organisaties hebben geen of onvoldoende middelen gereserveerd om de overige
kosten te betalen. Het is daarom nodig dat er voor deze eigenaren toegankelijke leningen
met een voordelige rente beschikbaar zijn. In samenwerking met de provincies is er
subsidie gegeven aan bestaande regionale energiefondsen en bestaande regionale financiering
via SVn.10 Ook is een deel van de subsidie ingezet voor het BNG Duurzaamheidsfonds om landelijke
dekking van deze leningen te verzorgen. Het maximum van de leningen is gesteld op
250.000 per pand. In totaal voegt het Rijk 75 mln. toe aan deze fondsen. Met Invest
NL wordt ook gewerkt aan een Waarborgfonds Maatschappelijk Vastgoed. Dit waarborgfonds
kan garanties afgeven om ook grotere financieringsprojecten in het maatschappelijk
vastgoed te ondersteunen. Het is aanvullend op bestaande waarborgfondsen en komt voor
de gehele financieringsmarkt beschikbaar. Met de subsidies wordt invulling gegeven
aan de motie van Grinwis en Peter de Groot.11 Hiernaast wordt via de Verduurzamingsaanpak Maatschappelijk Vastgoed (VMV) de ondersteuning
voor maatschappelijk vastgoedeigenaren uitgebreid. In dit programma worden in eerste
instantie gemeenten die vaak een grote vastgoedportefeuille hebben, geholpen bij het
omschakelen van een aanpak van gebouw voor gebouw tot een integrale portefeuilleaanpak.
Samen met gemeenten, marktpartijen en bestaande initiatieven in de sector wordt de
benodigde kennis en randvoorwaarden ontwikkeld om te komen tot vraagbundeling en schaalbare
aanpakken die breed kunnen worden toegepast.
D. Gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw/Bgiw)
Voor de lokale warmtetransitie in de gebouwde omgeving is het van belang dat bewoners,
bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen duidelijkheid hebben
over de verduurzamingsplannen van hun gemeente voor een wijk, buurt of dorpskern.
De Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) en het Besluit gemeentelijke
instrumenten warmtetransitie (Bgiw) dragen hier aan bij. Zo stellen gemeenten een
warmteprogramma vast, waarin zij aangeven welke wijk wanneer en hoe op een duurzaam
alternatief voor aardgas overgaat.
In de beantwoording van de vragen van de Tweede Kamer over het ontwerpbesluit Bgiw
is aangegeven dat de uiterste datum voor deze warmteprogramma’s is verschoven naar
31 december 2027. Dit is het gevolg van de later verwachte inwerkingtreding van de
wet (1 juli 2026). Gemeenten hebben zo voldoende tijd om zorgvuldig te werken en bewoners
te betrekken. Dat neemt niet weg dat het van belang is dat gemeenten zo snel mogelijk
duidelijkheid geven en bewoners tijdig een beeld geven van de toekomstige ontwikkelingen.
Daarnaast wordt er gewerkt aan een overgangsbepaling die het voor koplopergemeenten
mogelijk maakt om al vóór de inwerkingtreding een warmteprogramma vast te stellen.
Zo kunnen gemeenten die vooroplopen al sneller duidelijkheid geven.
E. Moties en toezeggingen
In dit deel van de brief ga ik in op de volgende moties:
a. Toezeggingen en motie over het energielabel; motie Bruyning en Welzijn over het betrekken
van financiële instellingen bij het energielabel en de toezegging om de kamer te informeren
over de stand van zaken van de bepalingsmethode voor de energieprestatie.
b. SAH: 20 mln. voor aansluiten huurwoningen op warmtenetten; motie Kröger voor aanvullende
middelen voor de Stimuleringsregeling aardgasvrije huurwoningen (SAH) en de moties
van Kröger en Postma c.s. inzake het aantal warmteaansluitingen dat vastloopt door
het ontbreken van de SAH.
c. Onderzoeken Energieprestatievergoeding (EPV); motie Beckerman over compensatie voor
huurders die worden geraakt door de afschaffing van de salderingsregeling.
d. Bouwmaterialenakkoord voor een circulaire bouweconomie; motie Bromet en Van Esch voor
samenwerking met de bouwsector om circulair bouwen te stimuleren en het stellen van
concrete doelen.
a. Toezeggingen en motie over het energielabel
Het energielabel geeft objectieve informatie over de energiezuinigheid van een gebouw.
Het energielabel wordt steeds belangrijker. Het speelt een rol bij de bepaling van
de maximale huur. En bij het aanvragen van een hypotheek heeft het energielabel invloed
op de hoogte van de lening en op het bouwdepot dat beschikbaar is voor verduurzaming.
Daarom is het essentieel dat het energielabel goed en betrouwbaar is. In oktober 202412 heb ik u geïnformeerd over de stappen om de kwaliteit van het energielabel te verbeteren
en over de invoering van een publiek toezichthouder. In deze brief ga ik in op een
aantal toezeggingen en geef ik een reactie op een recent onderzoek van de Vereniging
Eigen Huis (VEH).
Maatregelen voor het verbeteren van het energielabel
Vereniging Eigen Huis (VEH) heeft onlangs een onderzoek gepubliceerd over onduidelijkheden
op het Energielabel. Ik onderschrijf dat een energiezuinige woning en een goed label
steeds belangrijker worden: niet alleen voor je energierekening, wooncomfort en de
waarde van een woning, maar ook voor de hypotheek of de huurprijs. Ik herken de punten
van VEH, echter is er in de laatste jaren veel verbeterd. Ik licht dit hieronder graag
toe en geef aan wat ik nog meer zal doen:
• VEH vraagt duidelijkheid welke maatregelen mensen kunnen nemen om hun energielabel
te verbeteren. Op www.verbeterjehuis.nl kunnen woningeigenaren advies krijgen voor verduurzaming, met inzicht in de energiebesparing
van verschillende maatregelen, en een indicatie van de verbetering van het energielabel
na deze stappen.
• Het bepalen van het energielabel – de energiezuinigheid van een woning – gebeurt door
een vakbekwaam labeladviseur. VEH geeft aan dat voor 80% van de respondenten in het
onderzoek (deels) onduidelijk is welke bewijsstukken nodig zijn voor een energielabel.
Een labeladviseur bepaalt het label grotendeels op basis van wat hij of zij in de
woning kan zien. Wat hij niet kan zien, moet hij vaststellen aan de hand van bewijsmateriaal,
zoals facturen. De adviseur kan aangeven welk bewijs de woningeigenaar hiervoor nodig
heeft. Via de website van Milieu Centraal13 wordt hier actief meer informatie over beschikbaar gesteld.
• Tevens vraagt VEH om bewijsmateriaal dat gebruikt is bij het bepalen van het energielabel,
na verkoop van de woning beschikbaar te maken voor de nieuwe eigenaar. Sinds de invoering
van de NTA8800 methodiek in 2021 worden de waarnemingen en bewijsstukken door de labeladviseur
in een dossier verzameld dat 15 jaar bewaard dient te worden. Die gegevens kunnen
door de opdrachtgever c.q. gebouweigenaar worden opgevraagd.
• Bij de vernieuwing van de bepalingsmethode wordt nadrukkelijk gekeken naar het veranderende
klimaat en het gemiddeld werkelijke energiegebruik, maar ook naar de aannames, bewijsmateriaal
en hergebruik van gegevens, zoals door VEH is voorgesteld.
Effect energielabel op hypotheken en leencapaciteit
Tijdens het debat van 24 april jl. heb ik naar aanleiding van de motie van de leden
Bruyning en Welzijn14 toegezegd een analyse te maken van de manier waarop de financiële sector omgaat met
het verstrekken van hypotheken voor woningen met een te hoog energielabel. Sinds 2024
is het energielabel belangrijker bij het bepalen van de leencapaciteit voor een woninghypotheek.
Het Nibud brengt jaarlijks een rapport uit met een advies voor verantwoorde hypotheekverstrekking
en maximale hypotheeklasten voor huishoudens. Voor het vaststellen van de maximale
leencapaciteit wordt in de basis uitgegaan van het gebouwgebonden energieverbruik
van een woning met energielabel E, F of G. Voor de aankoop van een woning met een
beter energielabel kan een consument meer lenen. Indien een consument energiebesparende
voorzieningen wil financieren, kan voor een woning met een slechter energielabel meer
geleend worden.
Daarbij maakt Nibud gebruik van conservatieve aannames en voert «stresstesten» uit.
Wanneer een woning onverhoopt een beter energielabel heeft dan dat de woning eigenlijk
zou moeten hebben, dan is het dus niet zo dat een huishouden hier direct door in de
financiële problemen komt. Dit neemt niet weg dat het belangrijk is dat energielabels
correct zijn en de kwaliteit geborgd is.
Uit de inventarisatie bij financiële instellingen blijkt verder dat het energielabel
ook wordt gebruikt voor rapportagedoeleinden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de
energielabels zoals opgenomen in EP-online.15 Wanneer er geen energielabel voor een woning beschikbaar is, maken financiële instellingen
een inschatting van het energielabel op basis van de bekende gegevens als bouwjaar
en toen geldende bouwbesluit, dit wordt een proxy-label genoemd. Dit proxy-label is
vaak aan de lage kant. Al uitgevoerde maatregelen om de woning te verduurzamen zijn
niet altijd bekend.16
17 Bij het opstellen van de rapportages wordt op deze manier een veilige marge ingebouwd
zodat een overschatting van het aantal woningen met een groen label wordt voorkomen.
Stand van zaken nieuwe bepalingsmethode energieprestatie
In mijn brief van 11 juli jl.18 heb ik toegezegd u nader te informeren over de nieuwe bepalingsmethode voor de energieprestatie
die per 2030 zal ingaan. Bij de ontwikkeling van de nieuwe bepalingsmethode wordt
gebruik gemaakt van het «Adviesrapport bepalingsmethode energieprestatie gebouwen»
van 4 juli 202519.
Om de bepalingsmethode beter aan te laten sluiten bij het gemiddelde energiegebruik
wordt aan de hand van data en praktijkmetingen gekeken naar de gebruikersprofielen,
variabelen, correctiefactoren, forfaitaire waarden en het toekomstig klimaat. Tevens
zal gekeken worden naar de rekenregels. Naar verwachting is de periode tot begin 2027
nodig voor de verdere ontwikkeling van de bepalingsmethode. Het doel is om in maart
2027 een validatietool van de bepalingsmethode beschikbaar te hebben. Daarmee kunnen
de eerste berekeningen worden gedaan voor (nieuwbouw)eisen en grenswaarden. De definitieve
versie zal per 1 januari 2030 aangewezen worden in de bouwregelgeving en voor het
energielabel. Marktpartijen kunnen vooraf al met de bèta-versie van het rekenprogramma
ervaring opdoen.
b. SAH: 20 mln. extra voor aansluiten huurwoningen op warmtenetten
Met de SAH kunnen verhuurders en gemengde VvE’s hun woning(en) op een warmtenet aansluiten
of met aanpassingen de woning aardgasvrij maken. Het beschikbare budget (€ 85 mln.
totaal) was in 2025 door een stijging van het aantal aanvragen snel op. Hierdoor zouden
diverse andere warmteprojecten in de knel komen. In de moties van het lid Kröger en
van het lid Postma c.s.20 is gevraagd om meer inzicht in het aantal stilgevallen projecten en de mogelijke
gevolgen daarvan. Sinds 2020 is ervoor in totaal 79.108 warmtenetaansluitingen subsidie
aangevraagd, waarvan 29.753 in 2025. Volgens een inventarisatie van Aedes waren er
circa 5.000 tot 5.500 warmtenetaansluitingen verdeeld over ongeveer 20 verschillende
projecten die vastliepen omdat de SAH leeg was. De VNG schat dat er in 18 gemeenten
mogelijk zelfs 70.000 warmtenetaansluitingen in gevaar zouden komen, omdat het wegvallen
van aansluiting van corporatiewoningen ertoe zou leiden dat de voorziene businesscase
voor de uitbreiding van warmtenetten niet rondkomt.
Eind november 2025 heeft het kabinet opnieuw € 20 mln. beschikbaar gesteld. Met deze
extra openstelling is invulling gegeven aan de motie van het lid Kröger21 waarin gevraagd werd om dit jaar nog met aanvullende middelen te komen. Met de openstelling
is afgeweken van de vaste invoeringstermijn van subsidieregelingen. Het aanvraagloket
is 25 november gesloten. Het extra budget werd opnieuw snel overvraagd (met circa
€ 18 mln.), waardoor opnieuw aanvragers achter het net vissen. De betrokken projecten
zijn inmiddels door RVO van de uitslag op de hoogte gebracht. Uit de overtekening
blijkt dat er behoefte is om de SAH ook in 2026 open te stellen. Daarvoor zijn echter
nog geen middelen beschikbaar.
c. Onderzoeken Energieprestatievergoeding (EPV)
Begin 2026 worden twee onderzoeken naar de Energieprestatievergoeding afgerond. Het
eerste onderzoek, dat is aangekondigd in de Kamerbrief van 30 mei 202522, ziet op een herijking van de EPV-bedragen in het licht van de afschaffing van de
salderingsregeling. Het EPV-tarief is het maximumbedrag dat de verhuurder mag vragen
voor de energieprestatie van de woning. Dit onderzoek wordt naar verwachting begin
2026 opgeleverd. Conform mijn eerdere brief aan uw Kamer zal ik in 2026 met Woonbond
en Aedes in gesprek gaan over de redelijkheid van de herijkte EPV-bedragen.
Het tweede onderzoek betreft een bredere evaluatie van de EPV. Deze evaluatie was
aangekondigd bij de laatste wijziging van de wettelijke regeling van de EPV.23 Bij dit onderzoek wordt de huidige EPV-regeling bezien, mede in het licht van de
afschaffing van de salderingsregeling. Woonbond en Aedes zijn bij dit onderzoek betrokken
als klankbordgroep. De evaluatie zal naar verwachting begin 2026 worden afgerond.
Met de motie van het lid Beckerman24, is verzocht te onderzoeken hoe huurders die worden geraakt door de afschaffing van
de salderingsregeling gecompenseerd kunnen worden en hierover met Prinsjesdag een
voorstel te doen. Voor het gevraagde onderzoek verwijs ik naar de brief van 30 mei
2025.25 Met dat onderzoek zijn verschillende mogelijkheden in beeld gebracht om huurders
te compenseren. Voor deze mogelijkheden ontbreekt echter financiële dekking.
d. Bouwmaterialenakkoord voor een circulaire bouweconomie
De bouw, renovatie en verduurzamingsopgave van de bouwsector zorgt voor een toenemende
vraag naar grondstoffen en materialen en leidt tot substantiële milieu-impact. Geopolitieke
ontwikkelingen, internationale concurrentie alsmede mondiale klimaatverandering leiden
daarnaast tot een versterkte prijsontwikkeling van bouwmaterialen. De Nederlandse
(producerende) bouwmaterialenindustrie is hierdoor sterk gemotiveerd om de verduurzaming
te versnellen, en hiermee de afhankelijkheid van andere landen te verminderen, haar
concurrentiekracht te vergroten en zich voor te bereiden op steeds strengere Europese
regels26.
Samen met de Ministeries van IenW en KGG heb ik op 5 november jl. het Bouwmaterialenakkoord
ondertekend.27 In dit akkoord staan afspraken die de bouwsector helpen om de beschikbaarheid van
grondstoffen te vergroten en milieuschadekosten in de materiaalketens zo veel mogelijk
te beperken. Dit akkoord draagt daarnaast bij aan een circulaire bouweconomie, waarin
secundaire grondstoffen beter beschikbaar zijn, het gebruik van primaire grondstoffen
afneemt en afval wordt geminimaliseerd. De Nederlandse bouwmaterialenindustrie laat
hiermee zien klaar te zijn voor het realiseren van een toekomst waarin duurzaamheid,
circulariteit en efficiënt grondstoffengebruik centraal staan. Het Rijk laat hiermee
zien deze ambitie te steunen en zich in te zetten voor het scheppen van de juiste
randvoorwaarden.
De komende periode zal in het teken staan van de uitvoering van de afspraken. Hierbij
zal onder andere worden gekeken welke knelpunten de materiaalketens in de uitvoering
van het akkoord ervaren en wat de rol van het Rijk is om deze op te lossen. Tevens
zullen we verkenningen uitvoeren ten behoeve van acties op onderwerpen zoals aanbestedingsbeleid,
afvalregelgeving en het vergroten van het aandeel secundaire grondstoffen. Met de
ondertekening van het Bouwmaterialenakkoord geef ik tevens uitvoering aan de motie
Bromet28 en de motie van Esch29. We zetten hiermee stappen richting een toekomst waarin duurzaamheid, circulariteit
en efficiënt grondstoffengebruik centraal staan. Dit is niet alleen van belang voor
de reductie van de CO2-uitstoot. Het maakt ons minder afhankelijk van niet-Europese
landen voor onze kritieke grondstoffen en materialen. Het Bouwmaterialenakkoord is
een mooi voorbeeld van het brede draagvlak in de markt voor deze transitie.
Tot slot
Met deze brief heb ik u geïnformeerd over verschillende beleidsmaatregelen voor het
verduurzamen van de gebouwde omgeving. Graag attendeer ik u op het formatierapport
klimaat en energie30 dat 2 december jl. aan de formateur is aangeboden. Daarin staan mogelijke keuzes
voor het nieuwe kabinet voor het klimaatbeleid en de energietransitie, waaronder in
de gebouwde omgeving.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
M.C.G. Keijzer
Indieners
M.C.G. Keijzer, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.