Brief regering : Toezegging gedaan tijdens het debat over regio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 2 oktober 2025 inzake uitvoering van de motie van het lid Flach c.s. (Kamerstuk 29697-169)
29 697 Gebiedsgerichte economische perspectieven en Regionaal Economisch Beleid
32 851
Grensoverschrijdende samenwerking (GROS)
Nr. 178
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 december 2025
Tijdens het debat over regio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 2 oktober
jl. (Kamerstuk 29 697, nr. 175) vroeg het lid Wijen-Nass mij hoe uitvoering wordt gegeven aan de motie-Flach (Kamerstuk
29 697, nr. 169) waarin het kabinet wordt verzocht om ook aan regio's die buiten de nationale programma's
vallen de mogelijkheid te bieden om samen met het Rijk een langjarige agenda te ontwikkelen
voor een gebiedsgerichte aanpak.
Voor dit kabinet geldt het uitgangspunt dat elke regio telt. Het Rijk wil recht doen
aan de onderscheidende kracht van de verschillende delen van Nederland. Zodat elke
regio een passende rol heeft in het functioneren van ons land en regio’s elkaar aanvullen.
Dat lukt alleen als we samen aan de slag gaan, met de samenleving en met medeoverheden.
Daarom werken we op dit moment op veel manieren samen tussen Rijk, gemeenten, provincies
en regio’s aan de maatschappelijke opgaven waar wij gezamenlijk voor staan.
De manier waarop het Rijk dat doet verschilt. Dat is afhankelijk van de aard van de
opgaven. De belangrijkste leidraad voor het fysieke domein is de ontwerp Nota Ruimte
met een voorstel voor de toekomstige ontwikkeling in alle regio’s in Nederland die
mijn collega van VRO recent publiceerde. Het Rijk kan dit niet alleen, daarom werkt
het samen met provincies, gemeenten, waterschappen en de samenleving aan de inrichting
van Nederland. Afspraken daarover zijn tijdens de BO’s Leefomgeving van juni gemaakt
in de eerste generatie ruimtelijk arrangementen.
In sommige regio’s en gebieden is de stapeling van opgaven dermate groot dat het de
draagkracht van individuele overheden overstijgt en het Rijk hier ook een rol en verantwoordelijkheid
heeft. Er is voor gekozen om dit vorm te geven in een aantal gebiedsgerichte programma’s.
Dit betreft onder meer het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid, het Nationaal
Programma Vitale Regio’s, de NOVEX-gebieden en de ruimtelijke arrangementen in het
provinciale spoor van de NOVEX. Elke van deze programma’s adresseert een specifiek
maatschappelijk vraagstuk en richt zich op bepaalde gebieden op basis van concentratie
van het betreffende vraagstuk. Daarnaast wordt ook veelvuldig opgavegericht gewerkt
tussen Rijk, gemeenten, provincies en regio’s. Zo bestaan het programma Preventie
met Gezag van het Ministerie van JenV, het Nationaal programma Armoede van het Ministerie
van SZW, het Integraal Zorg Akkoord van het Ministerie van VWS en nog 20 nationale
programma’s die zich richten op verschillende opgaven in het fysiek domein.
Daar waar dat opportuun is verbinden we verschillende aanpakken actief met elkaar.
Regio’s die niet onder een nationaal programma vallen hebben net als alle andere regio’s
recht op een aanspreekpunt aan de kant van het Rijk. Het zou daarbij niet uit mogen
maken bij welk departement een regio aanklopt. De regio mag verwachten dat aan de
kant van het Rijk gezocht wordt naar de goede verbinding. Ik zeg u namens het kabinet
toe dat het Rijk zich maximaal inspant om met de regio’s te spreken over de aard en
omvang van de opgaven en het structurele contact met deze regio’s daar te beleggen
waar de grootste beleidsmatige raakvlakken zitten.
Het volgende kabinet zal moeten besluiten hoe structurele samenwerking vorm moet krijgen.
Het betrekken van het advies van de studiegroep interbestuurlijke verhoudingen1 om bestaande instrumenten te benutten en te sturen op bundeling van middelen en opgavegericht
werken kan hierbij als leidraad werken.
Met de Regio Deals investeert het Rijk al vele jaren in alle regio’s van Nederland.
Veel van de hiervoor genoemde ingangen lopen langs deze lijn. Hoewel de Regio Deals
geen structurele middelen bieden, dient deze aanpak voor de komende jaren nog steeds
als vliegwiel voor de verbetering van de brede welvaart en interbestuurlijke en regionale
samenwerking. Het kabinet vindt het van groot belang dat deze manier van werken leidt
tot structurele contacten tussen regio en Rijk. De Minister van VRO informeerde u
recent over de toegevoegde waarde die Regiodeals hebben in het proces van regionale
samenwerking en de concrete resultaat die de deals opleveren.
Toezegging met betrekking tot Infrastructuur en Waterstaat
Tijdens het debat vroegen Lid Chakor (GL/PvdA) en lid Wijen-Nass (BBB) respectievelijk
aandacht voor de Gerrit Krolbrug in Groningen en voor de verplaatsing van de CBR-locatie
voor theorie-examens van Maastricht naar Roermond. Leden Chakor en Wijen-Nass hebben
mij verzocht contact op te nemen met mijn collega van IenW en gezamenlijk beide situaties
te bespreken.
Op 16 oktober jl. heb ik gesproken met mijn collega en heb ik aandacht gevraagd voor
de vervanging van de Gerrit Krolbrug en de verplaatsing van het CBR in Limburg. Beide
zaken zijn van belang voor de regio, maar vallen onder de portefeuille van de Minister
van Infrastructuur en Waterstaat. Naar aanleiding van dit gesprek kan ik melden dat
de Minister van Infrastructuur en Waterstaat schriftelijk in zal gaan op de status
van de Gerrit Krolbrug, en uw Kamer hier vóór het Commissiedebat MIRT van 19 januari
2026 over zal informeren. Aangaande het verplaatsen van de CBR locatie voor theorie-examens
in Limburg is besproken dat CBR als zelfstandig bestuursorgaan (zbo) zelf verantwoordelijk
is voor de huisvesting. Zbo’s zoals het CBR zijn organisaties van de Rijksoverheid
met eigen rechtspersoonlijkheid die zelfstandig publieke taken uitvoeren en daarmee
is er geen mogelijkheid tot directe sturing op huisvesting.
Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat heeft zich er uiteraard wel van vergewist
op welke wijze de verplaatsing tot stand is gekomen. Het CBR heeft dat middels analyses
inzichtelijk gemaakt en daarover het ministerie goed geïnformeerd. De minister heeft
eveneens aangegeven dat de omvang van de dienstverlening voor theorie-examens in Limburg
gelijk blijft omdat het gaat over een verplaatsing binnen de regio en er daarmee geen
sprake is van verschraling. Daarnaast blijkt uit de analyses van het CBR dat het CBR
rekening houdt met een aantal relevante factoren o.a. de bereikbaarheid met het OV
en centrale ligging in de regio.
Tot slot
Na de jaarwisseling ontvangt u van mij de in het debat toegezegde brief over de voortgang
van het NPVR en doe ik gestand aan de toezegging die ik het lid Bikker deed om te
komen met een financiële bandbreedte en bijhorende keuzes die aansluit bij de behoeften
van de 11 regio’s.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
F. Rijkaart
Ondertekenaars
F. Rijkaart, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties