Brief regering : Voortgang versterking toezicht advocatuur
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 1006
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 18 december 2025
Bij brief van 19 september 2025 heb ik uw Kamer medegedeeld dat ik uw Kamer vóór het
einde van het jaar zou berichten over de voortgang van het wetstraject voor de versterking
van het toezicht op de advocatuur.1
Uw Kamer is bij brief van 17 februari 2025 geïnformeerd dat het onderzoeksbureau Pro
Facto in opdracht van de Nederlandse orde van advocaten (NOvA) onderzoek doet naar
de kaders en inrichtingsmodaliteiten voor het klacht- en tuchtrecht en het toezicht
op de advocatuur.2 Dit onder meer naar aanleiding van de motie van het lid Ellian (VVD) waarin de regering
wordt verzocht om bij de versterking en hervorming van het toezicht op de advocatuur
zowel het toezicht, het klachtenonderzoek en het onderdeel van het tuchtrechtelijk
toezicht op naleving van de kernwaarden onder te brengen bij de Onafhankelijke Toezichthouder
Advocatuur (OTA).3 Het onderzoek van Pro Facto is inmiddels gepubliceerd.4
De voormalig Staatssecretaris voor Rechtsbescherming heeft de NOvA gevraagd om een
eensluidend advies uit te brengen over het toezicht op de advocatuur die wordt gedragen
door al haar gelederen.5 De NOvA heeft op 12 september 2025 haar advies aan mij uitgebracht. Dit advies is
als bijlage bij deze Kamerbrief gevoegd.
In deze brief informeer ik u over het onderzoek van Pro Facto, het advies van de NOvA
en het vervolg van het wetstraject versterking toezicht advocatuur.
Onderzoek Pro Facto
Het onderzoeksrapport van Pro Facto gaat in op de kaders, begripsbepaling en historische
ontwikkeling van het toezicht, klachtrecht en tuchtrecht binnen de advocatuur. Daarnaast
geeft het een overzicht van de leidende principes voor een adequate toezichtsuitoefening
en goede klachtbehandeling. Tot slot worden vier inrichtingsmodaliteiten voor de inrichting
van het toezicht en het klacht- en tuchtrecht besproken, met een analyse van de sterke
en zwakke punten van ieder model.
Het rapport laat zien dat in het verleden sprake was van een duidelijke verbinding
tussen het toezicht en tuchtrecht – inclusief het klachtrecht – maar dat in de loop
der jaren sprake is geweest van een steeds verdere ontvlechting van deze instrumenten.
De huidige beleidscontouren en het conceptwetsvoorstel bouwen daarop voort.
Volgens de onderzoekers zijn toezicht en (tucht)klachtbehandeling zeer te onderscheiden
activiteiten die inhoudelijk niet veel raakvlakken hebben en om andere expertises,
competenties en vaardigheden vragen. Daarom is het volgens de onderzoekers niet nodig
om beide instrumenten in één organisatie onder te brengen. Het kan volgens de onderzoekers
zelfs leiden tot verzwakking van zowel het toezicht als de (tucht)klachtbehandeling
vanwege rolvermenging, capaciteitsverdeling en het risico dat de onafhankelijk toezichthouder
feitelijk als klachtinstantie wordt gezien. Desalniettemin kunnen signalen uit de
klachtbehandeling nuttig zijn voor de toezichthouder. De onderzoekers pleiten daarom
voor het leggen van een relatie tussen toezicht en klachtbehandeling, zodat signalen
uit de klachtbehandeling bij de toezichthouder terecht komen.6
Advies NOvA
Als gezegd heeft de NOvA per brief van 12 september 2025 haar advies aan mij uitgebracht.
Het advies heb ik inmiddels met de NOvA besproken. Samengevat komt het advies van
de NOvA op het volgende neer.
Volgens de Algemene Raad (AR) van de NOvA kan met voortvarendheid een onafhankelijke
centrale toezichthouder worden opgericht in de vorm van de OTA, volgens de lijnen
uiteengezet in de contourenbrieven van de voormalig Minister voor Rechtsbescherming
van 26 september 2022 en 29 juni 2023 (met uitzondering van de inrichting van een
klachtenportaal bij de OTA).7 Daarbij is van belang dat voor de uitwisseling van informatie uit klachtonderzoek
tussen dekens en de OTA een wettelijke basis wordt gecreëerd.
Volgens de AR dient het klachtrecht de komende tijd eerst te worden gemoderniseerd
en gestroomlijnd. Dat moet en hoeft de start van de OTA niet tegen (te) houden. Na
modernisering van het klachtrecht, dat bij voorkeur binnen een jaar wordt afgerond,
kan definitief worden besloten waar de klachtbehandeling wordt ondergebracht. In de
tussentijd blijft het klachtonderzoek en de klachtbehandeling belegd bij de dekens.
De AR geeft in de brief van 12 september 2025 aan dat het advies breed gedragen wordt
binnen de NOvA en de huidige toezichthouders. Volgens de AR kan met dit advies de
basis worden gelegd voor een nieuw toezichtsmodel en model voor klachtbehandeling:
een model waarin toezicht en klacht onafhankelijk, gecentraliseerd, geüniformeerd
en toekomstbestendig kunnen worden gepositioneerd.
Vervolg wetstraject
Zoals in eerdere brieven is aangekondigd8, wordt het toezicht op de advocatuur versterkt door de oprichting van een onafhankelijke
toezichthouder advocatuur (de OTA). Uitgangspunt bij de inrichting van het toezicht
op de advocatuur is dat dit toezicht onafhankelijk, transparant, uniform, preventief
en effectief is.
De inzichten uit het rapport van Pro Facto laten zien dat het toezicht, tucht- en
klachtrecht verschillende disciplines zijn die ieder om hun eigen expertises, competenties
en vaardigheden vragen. Daarnaast blijkt uit het rapport en het advies van de NOvA
dat de klachtbehandeling op dit moment veel om het lijf heeft en stroomlijning behoeft.
Er zijn verschillende knelpunten waaronder het ontbreken van de mogelijkheid tot triage
en de mogelijkheid om een klacht niet-ontvankelijk te verklaren als het griffierecht
niet is betaald. De NOvA is daarom de mening toegedaan dat het klachtrecht eerst gemoderniseerd
dient te worden alvorens een keuze kan worden gemaakt over de inrichting en positionering
van het klachtrecht.
Ik vind het belangrijk om voortvarend te werk te gaan met het oprichten van een robuuste
en slagvaardige onafhankelijke toezichthouder advocatuur. Ik ben dan ook verheugd
dat de NOvA het belang van voortvarendheid onderschrijft en er, zo blijkt uit het
advies van de AR en mijn gesprekken met de NOvA, breed draagvlak is om met de oprichting
van de OTA aan de slag te gaan. Om die reden wil ik het wetsvoorstel, waarmee de OTA
wordt geïntroduceerd, langs de contouren zoals de voormalig Minister voor Rechtsbescherming
die in eerdere brieven heeft medegedeeld, op korte termijn in consultatie brengen.9 Conform het advies van de NOvA zullen de contouren worden aangepast met betrekking
tot het centraal meldpunt voor klachten bij de OTA. Er zal worden voorzien in een
wettelijke grondslag voor de uitwisseling van informatie uit klachtonderzoek tussen
de lokale dekens en de OTA. Dit zal worden meegenomen in de verdere voorbereiding
van het wetsvoorstel.
Voor wat betreft het klachtrecht volg ik het voorstel van de NOvA om het klachtrecht
het komende jaar eerst te moderniseren. In dat kader vraag ik de NOvA om voortvarend
met de modernisering van het klachtrecht aan de slag te gaan en eind 2026 met een
eensluidend advies te komen over de inrichting en positionering van het klachtrecht
binnen de advocatuur, waarbij ook de inzichten uit het Pro Facto-onderzoek worden
betrokken. Ik hecht er bovendien waarde aan dat er binnen de NOvA en al haar gelederen
een breed draagvlak is voor de inrichting van het klachtrecht. Na ontvangst van het
advies van de NOvA, zal op passende wijze invulling worden gegeven aan de vervolgstappen
die nodig zijn voor modernisering en inrichting van het klachtrecht, waarbij als vertrekpunt
de motie Ellian zal worden gehanteerd.
Het afwachten van de modernisering van het klachtrecht, en het advies van de NOvA
over de inrichting daarvan, zou leiden tot meer vertraging van het wetstraject en
de oprichting van de OTA. Een robuust en toekomstbestendig toezichtstelsel dat recht
doet aan de bijzondere rol en positie van de advocatuur in onze rechtsstaat kan naar
mijn mening echter niet langer kan wachten. Daarom ga ik voortvarend aan de slag met
het wetsvoorstel waarmee de OTA wordt geïntroduceerd.
Tot slot
Zoals hierboven gezegd zal voortvarend aan de slag worden gegaan met het wetstraject
voor de versterking van het toezicht op de advocatuur en de oprichting van de OTA.
Ik realiseer mij dat de transitie van het huidige toezichtmodel naar de OTA zorgvuldig
zal moeten worden vormgegeven. Hierover blijf ik in gesprek met de betrokken partijen
in de advocatuur. De komende periode zal het wetsvoorstel gereed worden gemaakt voor
consultatie. Ik verwacht dat het wetsvoorstel aan het einde van het eerste kwartaal
van 2026 in consultatie kan gaan. Ik zal uw Kamer vóór de zomer van 2026 berichten
over de voortgang van het wetstraject.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
A.C.L. Rutte
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.C.L. Rutte, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid