Brief regering : Gebruik uitzonderingsgrond artikel 2.25 lid 2 Comptabiliteitswet 2016
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 23
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 15 december 2025
Omdat de begrotingsbehandeling van de begroting 2026 van VWS in beide Kamers is uitgesteld
naar 2026 is er nog geen goedkeuring op het aangaan van nieuw beleid en zal terughoudend
moeten worden omgegaan met het uitvoeren van staand beleid. Dit heeft gevolgen voor
enkele beleidsdossiers die ik aan u toelicht. Ik zal bij de toelichtingen motiveren
waarom hier sprake is van spoedeisend belang die mij ertoe noopt om vooruitlopend
op de goedkeuring van de begroting 2026 deze beleidsdossiers toch tot uitvoering te
brengen en verplichtingen op aan te gaan.
Beroep op artikel 2.25, tweede lid, Comptabiliteitswet 2016
Op grond van artikel 2.25, tweede lid van de Comptabiliteitswet 2016 dient de Minister
de Staten-Generaal vooraf te informeren over een uitzonderingsgeval waarbij er sprake
is van spoedeisend belang waardoor uitstel van het in uitvoering nemen van de in de
begroting voorzien nieuw beleid niet in het belang van het Rijk is. Middels deze brief
doe ik een beroep op dit artikel voor de dossiers structurele versterking infrastructuur
WOII, delen van het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg en het invoeren van de European
Disability Card.
Structurele versterking infrastructuur WOII
In de brief van 13 mei 2025 betreffende de versterking van de WOII-sector en de vernieuwing
van Herinneringscentrum Kamp Westerbork staat de inzet van het Kabinet voor de aankomende
vijf jaar binnen de WOII-sector.1 Dit sluit aan bij de wens van de Tweede Kamer die onder andere via verschillende
moties opgeroepen heeft tot versterking van de WOII-sector.
De behoefte aan informatie over de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust vanuit de samenleving
neemt toe. Omdat het verhaal hierover straks niet meer uit eerste hand kan worden
verteld, komt er bovendien meer druk te staan op de sector om dit verhaal op een andere
wijze over te brengen. Bovendien liep de WOII-sector met de huidige (financiële)situatie
tegen de grenzen van haar mogelijkheden aan. Daarom heeft VWS het afgelopen jaar intensief
samengewerkt met het Veldberaad WOII om, gebaseerd op het plan van het Veldberaad
(bijlage bij de Kamerbrief van 13 mei 2025), te komen tot toekomstbestendigheid van
de sector.
Alhoewel dit plan aansluit bij reeds ingezet beleid van VWS kan financiering van niet
eerder door VWS gesubsidieerde organisaties worden aangemerkt als nieuw beleid. In
2026 gaat het om een bedrag van afgerond € 2 miljoen. Onzekerheid over en uitstel
van de financiering brengt bovengenoemd proces in gevaar en verstoort de opgebouwde
samenwerking. Het zal leiden tot uitstel van activiteiten en vertraging. Dit terwijl
de activiteiten in het kader van de versterking in januari 2026 zouden aanvangen met
de nationale Holocaustmaand. Concreet betekent het daarnaast bijvoorbeeld dat het
Nationaal Comité Herdenking Capitulaties 1945 en een aantal landelijke initiatieven
zoals Theater na de Dam en Stichting in Mijn Buurt niet de benodigde voorbereidingen
kunnen treffen voor de organisatie van 4 en 5 mei. Dit heeft als gevolg dat de herdenking
en viering van dit belangrijke moment binnen de Nederlandse samenleving ernstig wordt
afgezwakt. Dit terwijl de Tweede Kamer verschillende moties heeft aangenomen die het
kabinet verzoeken om 5 mei en in het bijzonder de bevrijdingsfestivals structureel
te versterken. Voorts geldt voor alle organisaties dat zij grote organisatorische
en financiële hinder van het uitstel van financiering zouden ondervinden.
Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO)
Het doel van het HLO is het arbeidsmarkttekort in de ouderenzorg terugdringen en zorgen
dat de ouderenzorg en ondersteuning toegankelijk blijft. De financiële afspraken in
het HLO betreffen voornamelijk premiegefinancierde zorguitgaven (verwerkt in het Wlz-kader),
maar deels ook afspraken waarvoor middelen aan de VWS-begroting 2026 zijn toegevoegd.
Voor wat betreft de VWS-begroting gaat het om middelen voor de investering in de beweging
naar de voorkant (€ 34 miljoen in 2026) en uitvoeringskosten (€ 5 miljoen in 2026).
Voor de beweging naar de voorkant wordt € 18 miljoen voor mantelzorg en respijtzorg
toegevoegd aan de zgn. Brede SPUK. De verplichting voor de uitbreiding van de Brede
SPUK in 2026 moet nog in december 2025 worden aangegaan. Ook voor de andere onderwerpen
geldt dat we reeds in de eerste maanden van 2026 verplichtingen moeten kunnen aangaan
in verband met de voortgang van de uitwerking van de afspraken in het HLO, waarmee
de bij het akkoord betrokken partijen intensief bezig zijn.
Invoeren European Disability Card
De European Disability Card (EDC) heeft als doel om de mobiliteit en toegang tot voordelen
voor mensen met een handicap binnen de EU te vergroten. Lidstaten zijn verplicht de
kaart in te voeren en wederzijds te erkennen. Dit gebeurt naar aanleiding van een
impact assessment van de Europese Commissie, waardoor VWS een inventarisatie gemaakt
heeft van de totale kosten aan implementatie en uitgifte van de European Disability
Card t/m 2030.
Om conform de EU-richtlijn EDC beschikbaar te stellen per juni 2028 moet er begin
Q1 een opdracht ter voorbereiding aan worden gegaan met het CIBG. Deze opdracht duurt
een halfjaar waarbij vertraging leidt tot het niet halen van de Europese deadline.
In 2026 is voor dit dossier beoogd afgerond € 3,3 miljoen beschikbaar, waarvan de
benodigde opdracht aan het CIBG een waarde heeft van € 0,3 miljoen.
Conclusie
Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat voor deze dossiers wordt voldaan aan
de eis uit het tweede lid van artikel 2.25 van de Comptabiliteitswet 2016, en dat
er daardoor sprake is van spoedeisend belang waardoor uitstel niet in het belang is
van het Rijk. Op grond van het genoemde artikel informeer ik de Staten-Generaal vooraf.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J.A. Bruijn
Ondertekenaars
J.A. Bruijn, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport