Brief regering : Uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen
35 633 Wijziging van de Wet verbod pelsdierhouderij in verband met een vervroegde beëindiging van de pelsdierhouderij
Nr. 24 BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 december 2025
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) heeft op 2 oktober 2025 uitspraken
gedaan in 54 beroepszaken over vergoeding van schade (nadeelcompensatie) voor pelsdierhouders
die hun bedrijf vervroegd hebben moeten beëindigen door het vervroegde verbod op de
pelsdierhouderij. In deze brief schets ik de achtergrond, waarna ik inga op de uitspraken
en financiële gevolgen.
Achtergrond
De Wet verbod pelsdierhouderij (hierna: de wet) is in januari 2013 in werking getreden
en voorzag oorspronkelijk in een overgangstermijn van 11 jaar (2024) zonder nadeelcompensatie,
maar met flankerend beleid horende bij het beëindigen van een sector. Als gevolg van
SARS-CoV-2 besmettingen bij nertsen is het verbod bij een wetswijziging vervroegd
met drie jaar; sinds 8 januari 2021 is de pelsdierhouderij verboden in Nederland.
Nertsenfokkerijen moesten dus eerder stoppen dan oorspronkelijk gepland. Zij zijn
via de Beleidsregel compensatie vervroegde beëindiging pelsdierhouderij (hierna: beleidsregel)
gecompenseerd voor het drie jaar niet in gebruik kunnen hebben van de beschikbare
productiecapaciteit. In totaal hebben ongeveer 150 pelsdierhouders nadeelcompensatie
ontvangen, waarmee in totaal ongeveer € 150 miljoen gemoeid was. Een groep ex-nertsenhouders
heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van de nadeelcompensatie en is daarna in beroep
gegaan. Het CBb heeft deze beroepszaken behandeld en daarin recent uitspraken gedaan.
Uitspraken CBb
De beroepen van de pelsdierhouders zijn gegrond verklaard. Het CBb houdt de beleidsregel
als middel om schade te berekenen en vergoeding vast te stellen in stand. Het CBb
is het er dus mee eens dat pelsdierhouders forfaitair via de beleidsregel werden gecompenseerd.
Het CBb oordeelt echter dat de vergoeding op twee onderdelen onjuist is vastgesteld.
Het gaat dan over de korting van 15% op de vergoeding vanwege het «normaal maatschappelijk
risico» (hierna: NMR-korting) en over de aftrek van € 38 per fokteef bij bedrijven
die al waren geruimd of leegstonden (hierna: leegstand-korting). Bij die onderdelen
gaat het CBb niet mee in de motivatie van het Rijk.
Het CBb heeft geoordeeld dat binnen 16 weken na de uitspraken nieuwe besluiten genomen
moeten worden voor de pelsdierhouders die beroep en bezwaar hebben gemaakt (de appellanten)
met inachtneming van de overwegingen van het CBb. In de nieuwe besluiten moet een
hogere vergoeding worden toegekend, inclusief vergoeding van griffierechten en proceskosten.
Het is niet mogelijk om hoger beroep aan te tekenen tegen deze uitspraken.
Ik bereid de nieuwe besluiten inmiddels voor. Ik verwacht de nieuwe besluiten voor
de door het CBb gestelde einddatum van 22 januari 2026 te kunnen nemen. De Nederlandse
Federatie van Edelpelsdierenhouders en LTO hebben aandacht gevraagd voor de consequenties
van deze uitspraak voor pelsdierhouders die geen bezwaar en beroep hadden ingesteld.
Dit bestudeer ik nog.
Het CBb heeft naast deze algemene oordelen over de NMR-korting en de leegstand-korting,
ook uitspraken gedaan in een tiental zaken over zogenoemde voergeldgevers en voergeldnemers.
Voergeldgevers waren eigenaren van fokteven. Die fokteven lieten zij tegen betaling
verzorgen door voergeldnemers, op de locatie van die voergeldnemers. Ten aanzien van
voergeldgevers geeft het CBb aan dat in een aantal gevallen nadeelcompensatie is toegekend
zonder dat zij aanspraak hadden kunnen maken op nadeelcompensatie volgens de beleidsregel.
Ten aanzien van voergeldnemers oordeelt het CBb dat zij wel pelsdierhouder zijn in
de zin van de beleidsregel, maar dat zij alleen aanspraak kunnen maken op vergoeding
van de werkelijk geleden schade, die dus afzonderlijk beoordeeld zou moeten worden
en niet forfaitair op grond van de beleidsregel. Ik onderzoek deze casuïstiek nog
en zal uiteraard overgaan tot uitvoering van de uitspraken.
Financiële gevolgen
Met het nemen van de nieuwe besluiten voor de appellanten waarmee de NMR-korting en
de leegstand-korting worden teruggedraaid, is naar verwachting minstens € 42,5 miljoen
plus uitvoeringskosten, griffierechten en proceskosten benodigd. De budgettaire verwerking
van deze tegenvaller vindt plaats met najaarsnota 2025 en voorjaarsnota 2026. De precieze
financiële impact van de uitspraken over voergeldgevers/-nemers is op dit moment nog
niet helder.
Tot slot
Mijn brief bevat een eerste duiding van de gevolgen van de uitspraken. Indien er relevante
(financiële) ontwikkelingen zijn in de afwikkeling van deze uitspraken dan informeer
ik uw kamer nader.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
F.M. Wiersma, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur