Brief regering : Uitgaven aan preventie en investeringsmodel preventie
32 793 Preventief gezondheidsbeleid
Nr. 783
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 21 oktober 2024
Onze gezondheid is van onschatbare waarde. Het beïnvloedt ons dagelijks leven en onze
levensverwachting. Een goede gezondheid stelt ons in staat om ons te concentreren
op wat we belangrijk vinden, zoals omgang met familie en vrienden, werk, studie en
vrije tijd. Bovendien geeft een goede gezondheid ons de mogelijkheid om mantelzorg
te verlenen. Daarnaast leidt gezondheid tot hogere arbeidsproductiviteit, arbeidsparticipatie
en betere onderwijsprestaties. Een gezondere bevolking kan bovendien bijdragen aan
de houdbaarheid, betaalbaarheid en toegankelijkheid van ons zorgstelsel. Deze loopt
tegen haar grenzen aan. De waarde van preventie is dan ook het beschermen en bevorderen
van onze gezondheid en het beheersen van de zorgvraag en de benodigde zorgcapaciteit
en daarmee de druk op de arbeidsmarkt verlicht. Er is een duidelijke en doeltreffende
aanpak nodig om dit te kunnen doen.
In deze brief geven wij inzicht in de uitgaven aan preventie die terug te vinden zijn
op diversen plekken in de begroting van het Ministerie van VWS. Daarbij merken we
op dat preventieve maatregelen vaak niet met hogere uitgaven gepaard gaan, want het
betreft ook het normeren en beprijzen. Daarom bieden de uitgaven aan preventie geen
volledig overzicht van al het beleid met een preventieve aard.
Het vinden van financiële middelen voor preventie gaat niet automatisch. Ook niet
als er deels een kostenbesparing is op de zorgkosten, zoals bij het besluit dat dit
voorjaar is genomen om het RSV-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma op te nemen.
In dat geval was er een besparing van 16 miljoen euro op de Zvw uitgaven, terwijl
er 26 miljoen euro nodig is voor de invoering. Voor het resterende bedrag is dekking
gevonden op de Rijksbegroting. Zie hiervoor ook de brief1 die in januari 2024 naar uw Kamer is gestuurd, het Verslag van een schriftelijk overleg2 dat hier in april op volgde en de brief over «Financiële toegang tot vaccinaties
en bevolkingsonderzoeken; opvolging en implementatie van adviezen van de Gezondheidsraad»3.
Met de voorliggende brief informeren we u over de voortgang van de ontwikkeling van
een investeringsmodel voor preventie. Dit investeringsmodel wordt genoemd in het Regeerprogramma
2025–2028. In het te ontwikkelen investeringsmodel voor preventie worden de kostenbesparingen
die over de tijd worden gerealiseerd binnen het betreffende beleidsterrein gebruikt
voor de financiering van de preventieve maatregelen. Binnen dit model worden de risico’s
tussen betrokken partijen duidelijk in kaart gebracht en effectief gespreid, zodat
financiële en maatschappelijke voordelen evenwichtig kunnen worden benut. Kostenbesparingen
van maatregelen en inzet worden gekoppeld aan opbrengsten die op verschillende momenten
in de tijd kunnen plaatsvinden. Hiervoor is in de eerste plaats een gemeenschappelijk
beeld nodig van de brede kosten en baten van gezondheidsbeleid en de termijnen waarop
deze verwacht mogen worden. Het investeringsmodel voor preventie kan zo ook helpen
om gezondheid mee te wegen bij de besluitvorming over de inzet en wijze van financiering
en bekostiging van de betreffende maatregelen/aanpak binnen VWS en op andere beleidsterreinen.
De reikwijdte van preventie
Er zijn veel definities en indelingen in omloop van preventie. Preventie is niet alleen
het domein van de rijksoverheid, maar gebeurt door mensen zelf en ook door andere
partijen. Denk aan gemeenten, GGD’en, zorgverzekeraars en ook bedrijven. Veelal worden
drie doelstellingen onderscheiden van preventie:
– Ziektepreventie. Deze vorm van preventie richt zich op het voorkomen van ziekten of
het tijdig signaleren ervan om behandeling te starten. Hieronder vallen onder andere
bevolkingsonderzoeken en vaccinatieprogramma’s.
– Gezondheidsbevordering. Deze vorm van preventie richt zich op het stimuleren en handhaven
van een gezonde leefstijl door het bevorderen van gezond eten, regelmatig bewegen
en het vermijden van schadelijke gewoonten zoals roken en overmatig alcoholgebruik.
– Gezondheidsbescherming. Deze vorm van preventie richt zich op de bescherming van de
bevolking tegen gezondheidsrisico’s waar ze zelf geen of nauwelijks invloed op heeft.
Dit gaat om beleid binnen én buiten het gezondheidsdomein. Onder de uitgaven van VWS
vallen de uitgaven voor product- en voedselveiligheid, inclusief het toezicht door
de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Het gaat hier met name om uitvoering
van Europese regelgeving.
In toenemende mate is er aandacht voor het feit dat de inzet van preventie en de gezondheidswinst
die dat oplevert plaatsvindt buiten de (gezondheids)zorg. Mede om die reden is hier
in het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Gezond Actief Leven Akkoord (GALA) – naast
aandacht voor vaccineren, bevolkingsonderzoeken, valpreventie en het programma Kansrijke
start – blijvende aandacht voor. Het gaat dan bijvoorbeeld om sociale (omgevings)factoren
als werk, inkomen en schulden. Daarnaast wordt onze gezondheid ook beïnvloed door
de lucht- en waterkwaliteit, verkeersveiligheid en arbeidsomstandigheden. Deze beleidsterreinen
liggen buiten VWS en hebben (bewust of onbewust) effect op onze gezondheid. Het is
belangrijk dat effecten op gezondheid voor de meeste impactvolle beleidsterreinen
bekend zijn en meer volwaardig wordt meegenomen en afgewogen in beleidskeuzes. Hier
informeren wij u verder over in de beleidsagenda Health in/for all Policies die wij dit najaar aan u zenden.
Toezegging inzicht uitgaven aan preventie
Tijdens de behandeling van de 1ste suppletoire begroting VWS 2024 heeft de vorige Staatssecretaris van VWS aan lid Jansen
(NSC) toegezegd de Kamer vóór de behandeling van de VWS begroting 2025 inzicht te
verschaffen welk budget er voor preventie op de VWS-begroting staat. En ook welke
budgetten incidenteel zijn en op welke budgetten er wordt gekort als gevolg van het
Hoofdlijnenakkoord. Met deze brief voldoen wij aan deze toezegging.
Een overzicht maken van de uitgaven aan preventie op de begroting van het Ministerie
van VWS is complex. De begroting is namelijk niet op deze manier ingedeeld en we hebben
afwegingen en keuzes moeten maken in wat wel of niet wordt beschouwd als preventie
en daarmee wat wel of niet meegenomen wordt in het overzicht. Een technische toelichting
vindt u in bijlage 1. In deze bijlage refereren we ook aan de definitie van de Organisation
for Economic Cooperation and Development (OECD) die door het CBS wordt gehanteerd
en het overzicht van kosten van preventie dat in 2015 door het RIVM is gemaakt.
Bij het maken van het overzicht hebben wij ons geconcentreerd op de uitgaven aan preventie
op de begroting van het Ministerie van VWS artikel 1 (Volksgezondheid) en artikel
6 (Sport en Bewegen). Deze uitgaven kunnen betrekking hebben op onderzoek en monitoring
om nieuw preventief gezondheidsbeleid mogelijk te maken of voor te bereiden, de uitvoering
van preventief gezondheidsbeleid, de evaluatie van bestaand preventief gezondheidsbeleid
en de bijstelling daarvan.
Er zijn ook uitgaven aan preventie die in andere begrotingsartikelen staan. Bijvoorbeeld
uitgaven aan preventie op het terrein van langdurige zorg (bijv. dementie), sociaal
beleid, jeugd en curatieve zorg. Zo ook de premie-gefinancierde uitgaven aan individuele
preventie wat onderdeel is van de basisverzekerde zorg. Deze zijn in dit overzicht
buiten beschouwing gelaten. Het is in theorie mogelijk om alle uitgaven van VWS afzonderlijk
te beoordelen op preventie, maar dat was op dit moment niet haalbaar. Wij zullen aan
een derde partij vragen om de premie-gefinancierde uitgaven die bijdragen aan preventie
in kaart te brengen.
Uitgaven voor preventie zijn op meer plaatsen te vinden dan op de begroting van het
Ministerie van VWS
De uitgaven die elders op de Rijksbegroting staan voor preventie blijven buiten beschouwing.
U kunt daarbij denken aan uitgaven aan gezondheidsbescherming zoals afvalverwijdering,
verkeersveiligheid en schoolmaaltijden. Ook buiten beschouwing blijven de gemeentelijke
uitgaven (eigen middelen of gemeentefonds), want deze staan niet op de VWS begroting4. De uitgaven die gemeenten doen via specifieke uitkeringen (SPUKs) staan wel op de
VWS begroting en zullen, daar waar het gaat om preventie, wel worden meegenomen in
het overzicht.
Uitgaven preventie op begroting ministerie VWS
In tabel 1 geven we een overzicht van de uitgaven aan preventie op de VWS-begroting.
Een technische toelichting op de berekening treft u aan in bijlage 1. Op hoofdlijnen
gaat het om uitgaven aan (lokaal) gezondheidsbeleid en gezondheidsbescherming (voedsel
en product veiligheid en pandemische paraatheid), ziektepreventie (bevolkingsonderzoeken
en vaccinaties), gezondheidsbevordering (seksuele gezondheid en leefstijl) en sport
en bewegen.
Tabel 1: Uitgaven aan preventie op de VWS-begroting (bedragen x € miljoen)
2024
2025
2026
2027
2028
2029
1.10 (Lokaal) gezondheidsbeleid
558
538
434
293
296
292
1.20 Ziektepreventie
1.124
1033
787
650
605
543
1.30 Gezondheidsbevordering
105
99
61
61
61
61
6.40 Sport en bewegen
23
25
12
791
79
79
Begrotingsuitgaven andere artikelen2
Buiten beschouwing gelaten
Premie-gefinancierde uitgaven3
Buiten beschouwing gelaten
TOTALE UITGAVEN PREVENTIE
1.810
1.695
1.294
1.083
1.041
975
X Noot
1
De sprong van 2026 naar 2027 wordt grotendeels verklaard doordat de Brede Regeling
Combinatiefunctionaris (die als preventie is aangemerkt) t/m 2026 onderdeel is van
de brede SPUK en daarmee onder artikel 1 valt. Deze brede SPUK loopt in 2026 af, waarmee
vanaf 2027 de middelen (65,1 miljoen) weer op artikel 6 van de VWS-begroting staan.
X Noot
2
Buiten beschouwing zijn gebleven de begrotingsuitgaven aan preventie op andere begrotingsartikelen
dan artikel 1 en 6. Bijvoorbeeld uitgaven aan preventie op het terrein van langdurige
zorg (bijv. dementie), sociaal beleid, jeugd en curatieve zorg.
X Noot
3
Buiten beschouwing zijn gebleven de premie-gefinancierde uitgaven aan preventie, daarbij
kan worden gedacht aan individuele preventie wat onderdeel is van de basisverzekerde
zorg in de Zorgverzekeringswet. Voorbeelden zijn: het programma stoppen met roken,
de gecombineerde leefstijlinterventie, de periodieke controle bij tandarts voor kinderen
tot en met 18 jaar en begeleiding van de verloskundige tijdens de zwangerschap. Ondanks
de bewoording «individuele preventie» is er feitelijk geen sprake van preventie, maar
van zorg.
De uitgaven aan preventie kennen een dalend verloop. Belangrijke redenen daarvoor
benoemen wij hieronder. Daarnaast hebben technische correcties plaatsgevonden, zoals
een inflatiecorrectie, zodat dit geen sluitende berekening biedt van alle correcties
en uitgaven op de begroting van VWS voor de periode 2024 tot en met 2029.
• Tot en met 2025 maken de uitgaven aan Covid-19 vaccinaties en de incidentele middelen
voor leefstijlpreventie onder kabinet Rutte IV onderdeel uit van de preventie uitgaven
op de begroting. Voor Covid-19 gaat dit om circa 230 miljoen euro en voor de brede
preventie aanpak geboekt op artikel 1 van Rutte IV om afgerond 59 miljoen euro. Voor
de jaren 2026 en verder zijn hier geen bedragen begroot, wat een belangrijke verklaring
is voor de daling van de uitgaven van 2025 op 2026.
• In het regeerprogramma is een verlaging afgesproken van de intensiveringen publieke
gezondheid en infectieziektebestrijding (oplopend naar structureel € 300 mln.). Deze
verlaging betreft het beleidsprogramma pandemische paraatheid waarin onder andere
de lessen van de coronacrisis een vertaalslag krijgen. Voor 2025 is de bezuiniging
beleidsmatig ingevuld. Voor 2026 en verder wordt bezien hoe de bezuiniging zich verhoudt
tot bij de kabinetsbrede weerbaarheidsopgave, die de komende periode verder wordt
uitgewerkt onder regie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid
(NCTV). Uiteraard zullen de lessen die zijn geleerd naar aanleiding van de coronacrisis
hier nadrukkelijk bij worden meegenomen.
• De budgetkorting van 10% op specifieke uitkeringen (SPUK) zoals genoemd in het Regeerprogramma
is vanaf 2026 verwerkt op de VWS begroting. Dit leidt tot een daling van de uitgaven
aan preventie met afgerond 51 miljoen euro in 2026 en afgerond structureel 43 miljoen
euro vanaf 2027.
• Vanaf 2025 is er een subsidietaakstelling waar ook subsidies die gericht zijn op preventie
aan bijdragen. De nota van wijziging bij de begrotingsstaat van het Ministerie van
Volksgezondheid, Welzijn en Sport voor het jaar 2025 geeft inzicht op de invulling
van de subsidietaakstelling. In de nota van wijziging is dit verder toegelicht. De
subsidietaakstelling op artikel 1 is structureel € 26,6 miljoen, waarvan € 13,6 miljoen
betrekking heeft op preventie. Daarnaast is beperkte ruimte om de werkzaamheden van
de NVWA in het kader van het vapen met structureel € 3 miljoen te verstevigen. De
subsidietaakstelling op artikel 6 is structureel € 75 miljoen, waarvan € 3,4 miljoen
betrekking heeft op preventie.
Inkomsten preventie
Een deel van het preventieve gezondheidsbeleid vindt plaats door wettelijke regulering
op nationaal niveau. Door een vermindering van het aantal tabaksverkooppunten wordt
het bijvoorbeeld moeilijker gemaakt om te beginnen met roken en makkelijker om te
stoppen met roken. Zeker kinderen en jongeren hebben niet altijd de mogelijkheid om
zelf een weloverwogen keuze te maken. Dit staat nog los van de verslavende werking
van de middelen. Daarom zijn er wettelijke leeftijdsgrenzen voor de verkoop van tabak
en alcohol en is er een smaakjesverbod ingevoerd voor e-sigaretten om vapen minder
aantrekkelijk te maken voor jongeren. Daarnaast wordt gewerkt aan wettelijke maatregelen
om marketing van ongezonde producten gericht op kinderen en jongeren tegen te gaan
en maken we het voor gemeenten mogelijk om beter te sturen op gezond voedselaanbod
om gezondere keuzes te vergemakkelijken.
Wettelijke regulering van preventief gezondheidsbeleid vindt ook plaats door het duurder
maken van ongezonde producten. Dit gebeurt met accijnzen op tabak, alcohol, bier en
wijn. Dit beleid leidt tot inkomsten op de Rijksbegroting. Dit is bijna € 4,6 miljard
in 2025 (tabel 2).
Tabel 2: Inkomsten accijnzen alcohol, bier, tabak en wijn (bedragen x € mln.)1
Vermoedelijke uitkomsten 2024
Ontwerpbegroting 2025
– Tabaksaccijns
3.178
3.378
– Alcoholaccijns
395
399
– Bieraccijns
456
462
– Wijnaccijns
346
351
Totaal inkomsten accijnzen alcohol, bier, tabak en wijn
4.375
4.590
X Noot
1
Bijlagen bij Miljoenennota 2025, Tabel 6.5.1
Investeringsmodel preventie
In het Regeerprogramma 2025–2028 en in de beleidsagenda VWS 2025 is opgenomen dat
het kabinet gaat werken aan een investeringsmodel voor preventie. In dit te ontwikkelen
investeringsmodel voor preventie worden de kostenbesparingen die netto over de tijd
worden gerealiseerd binnen het betreffende beleidsterrein gebruikt voor de financiering
van preventieve maatregelen. Binnen dit model worden de risico’s, kosten en baten
tussen betrokken partijen duidelijk in kaart gebracht en effectief gespreid, zodat
financiële en maatschappelijke voordelen evenwichtig kunnen worden benut. Op dit moment
vragen investeringen in preventie elke keer aparte besluitvorming, omdat er geen automatische
financiering van gezondheidsmaatregelen bestaat, ook niet als het kosteneffectief
is of kosten bespaart in de zorg. Een recent genomen maatregel is het opnemen van
het RSV-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma. Het RSV-vaccin is kosteneffectief
en voor een deel kostenbesparend in de Zvw. Dit betekent dat er naast een besparing
op zorgkosten in de Zvw, aanvullende middelen nodig waren om het vaccin te kunnen
invoeren. Bij het uitwerken van het investeringsmodel hebben we aandacht voor de uitdagingen
die hiermee gepaard gaan, zoals:
• Het in kaart brengen en onderbouwen van de langetermijneffecten van preventieve maatregelen;
• Het identificeren, kwantificeren en verdelen van risico’s tussen de verschillende
partijen, die niet altijd voorspelbaar zijn;
• Het mogelijk ontbreken van financieringsmechanismen die in staat zijn om de kostenbesparingen
die in de toekomst worden gerealiseerd, in te boeken en te gebruiken voor initiële
investeringen (de kost gaat immers voor de baat uit);
• Het feit dat preventieve maatregelen vaak domeinoverstijgende effecten hebben.
Dit zal komende tijd verder uitwerking krijgen in het eerder genoemde investeringsmodel
voor preventie. Dit is een beschrijving van de ontwikkeling van het model en vraagt
na de ontwikkeling besluitvorming op de eventuele toepassing van dit model. Dit model
is belangrijk voor inzicht in effect van maatregelen in én buiten het zorgdomein.
Het geldt voor maatregelen die gezondheidswinst tot doel hebben en ook een financiële
opbrengst hebben. De maatregelen die in kaart gebracht kunnen worden zullen variëren,
afhankelijk of deze gericht zijn op de gezondheid van een individu of de hele bevolking.
Preventie kan tot opbrengsten leiden op de korte en lange termijn. Dit is afhankelijk
van meerdere factoren. Zo zorgt de jaarlijkse griepprik er bijvoorbeeld voor dat minder
mensen (ernstig) ziek worden van de griep. Dit voorkomt ziekteverzuim en leidt tot
een lager beroep op de zorg, waarmee deze kosten (deels) worden voorkomen in de daaropvolgende
maanden. Er zijn ook maatregelen die op langere termijn effect hebben, zoals de HPV-vaccinatie
die beschermt tegen verschillende soorten kanker op de langere termijn. Een ander
voorbeeld is de bevolkingsonderzoeken naar kanker, die zorgen voor een minder intensieve
behandeling met een hogere kans van slagen. Dit resulteert in minder sterfte. Ook
buiten VWS zijn er voorbeelden. Zo is berekend dat het Schone Luchtakkoord tussen
de 3 en 6 miljard euro aan gezondheidswinst oplevert in 20305.
Voortgang moties brede kosten en baten van preventie
Door het lid Tielen6, de leden Daniëlle Jansen en Tielen7 en de leden Paulusma en Sneller8 zijn moties ingediend die het kabinet vragen om een instrumentarium9 te ontwikkelen waarmee de brede kosten en baten van preventie op korte, middellange
en lange termijn gekwantificeerd kunnen worden, met als doel deze waar mogelijk te
kunnen gebruiken bij de volgende doorrekening van verkiezingsprogramma’s en daarbij
gebruik te maken van de beschikbare data. Daarnaast is de vraag gesteld om dit tweejaarlijks
per beleidsterrein inzichtelijk te maken, zodat duidelijk is in welke gezondheidsmaatregelen
we zouden kunnen investeren als hier financiële middelen voor zijn.
Wij zien samen met de Kamer de waarde om tot dit instrumentarium te komen, zodat we
beter de doelmatigheid van beleid kunnen onderbouwen en kunnen kwantificeren wat investeren
in gezondheid oplevert, wat de gezondheidseffecten- en baten van verschillend beleid
binnen en buiten VWS zijn en hoe hiermee de druk op het zorgpersoneel kan worden verminderd.
Zo kunnen in de toekomst gezondheidseffecten ook worden meegenomen bij de doorrekening
van bijvoorbeeld verkiezingsprogramma’s, regeerakkoorden en om gezondheid (als onderdeel
van brede welvaart) een plek te geven in beleidskeuzes en het begrotingsproces. Ook
de Sociaal-Economische Raad (SER) geeft aan dat dit essentieel is om de gezondheid
te verbeteren en sociaaleconomische gezondheidsachterstanden terug te dringen.10
Het Ministerie van VWS is in overleg met het RIVM en het CPB over de voorwaarden die
nodig zijn om een model te kunnen maken om alle maatregelen die gezondheidsbevordering
of ziektepreventie tot doel of neveneffect hebben te kunnen doorrekenen op het beleidsterrein
van ons ministerie en die van andere ministeries, zodat er ook gedragen duidelijkheid
is over de financiële effecten naast de gezondheidseffecten. Het CPB is in 2024 gestart
met een meerjarige onderzoekslijn over preventie en gezondheidsbeleid. Dit project
beoogt meer inzicht te krijgen in kansrijk preventiebeleid. Dit doet het CPB langs
drie lijnen. Ten eerste ontwikkelt het CPB een conceptueel model dat weergeeft hoe
preventie en gezondheid vanuit economisch perspectief benaderd kunnen worden. Ten
tweede brengt het CPB de brede effecten van preventiebeleid in kaart, waarbij zowel
directe kosten en baten als bredere maatschappelijke overwegingen worden meegenomen.
Dit project richt zich op preventiebeleid in den brede (gerangschikt naar type preventie
of programma’s) in plaats van op het niveau van individuele maatregelen. Speciale
aandacht wordt besteed aan verdelingseffecten en gezondheidseffecten. Tot slot onderzoekt
het CPB de (financiële) prikkels voor preventie en brengt hun onderlinge afstemming
in kaart. Daarnaast bereidt het RIVM zich momenteel voort op werkzaamheden die aansluiten
op de wens van uw Kamer om periodiek zicht te krijgen op mogelijke effecten op verschillende
beleidsterreinen. Met het RIVM zijn wij in overleg of het mogelijk is eind 2026, in
overleg met het CPB, een overzicht te publiceren van preventieve gezondheidsmaatregelen
die nog niet toegepast worden in Nederland, met daarbij een schatting van de kosten
en de baten en waar en wanneer deze zich voordoen. Daarbij bespreken we de mogelijkheid
om dit overzicht in 2028 te actualiseren, zodat er een twee jaarlijkse cyclus ontstaat,
zoals door uw Kamer gevraagd.
Het mogelijk maken van een breed model is een grote verandering voor de betrokken
kennisinstellingen. Alle partijen zijn echter overtuigd van de noodzaak van deze ontwikkeling.
Eén van de belangrijkste voorwaarden is dat tussen partijen overeenstemming bestaat
over «passend bewijs» voor de kosten en de baten van preventie en op welke termijn
de kosten en baten zich voordoen. We vinden het noodzakelijk dat het gesprek hierover
wordt geleid door een gezaghebbende partij. Medio 2025 richten we een gezaghebbende
commissie in met de (technische) opdracht om te bepalen welke kosten en baten kunnen
dienen als passend bewijs om de effectiviteit, kosten en opbrengsten van gezondheidsmaatregelen
te onderbouwen, zodat er overeenstemming is over de uitgangspunten voor het investeringsmodel.
Naast duidelijkheid over «passend bewijs» voor gezondheidsmaatregelen is in het rapport
«Preventie op waarde schatten» geadviseerd om overeenstemming te hebben over wanneer
er sprake is van een kosteneffectieve preventieve gezondheidsmaatregel. In dit rapport
is het voorstel gedaan om als voorlopige maatstaf voor kosteneffectiviteit € 50.000
voor een gezond levensjaar te hanteren én dat er een commissie van deskundigen wordt
benoemd om hier verder over te adviseren. Dit wordt betrokken bij het uitwerken van
het investeringsmodel voor preventie. Daarbij merken we op dat voor aanspraken op
preventieve maatregelen vallend onder de Zvw en Wlz referentiewaardes zijn beschreven
door het Zorginstituut11, variërend van 20.000 tot 80.000 euro per levensjaar. Momenteel wordt gekeken naar
de wijze waarop kosteneffectiviteit ingezet wordt in het pakketbeheer van de Zvw en
Wlz. Eerder heeft uw Kamer12 laten weten het belangrijk te vinden dat de adviezen van de Gezondheidsraad worden
opgevolgd en dat dit vanwege de budgettaire inpasbaarheid niet altijd mogelijk is.
Immers een kosteneffectieve gezondheidsmaatregel kan, zoals bleek bij het opnemen
van het RSV-vaccin in het Rijksvaccinatieprogramma, een kostenbesparing realiseren
in de Zvw en daarnaast nog steeds vragen om een investering vanuit de Rijksbegroting.
Daar waar het gaat om uitgaven vanuit de Rijksoverheid dienen maatregelen budgettair
ingepast te worden.
Bij het kwantificeren van de kosten en baten van beleid dat gezondheid tot doel heeft,
is het van belang om een maatschappelijk perspectief te hanteren. Dat betekent dat
alle kosten en baten van beleid meegenomen moeten worden, ongeacht wie de kosten dragen
en aan wie de baten toekomen. En ongeacht wanneer de kosten en baten zich voordoen.
Dit betekent dat maatschappelijke baten van behandelingen of preventie, zoals gezondheidseffecten,
minder zorgkosten, minder arbeidsverzuim en hogere arbeidsparticipatie meegenomen
moeten worden in de kwantificering van de kosten en baten van beleid, waarbij ook
inzichtelijk moet zijn hoe dit doorwerkt op de Rijksbegroting, zodat bestuurlijke
afwegingen gemaakt kunnen worden. Dit geldt ook voor welzijn, zoals kwaliteit van
leven en tijd voor het gezin. Het onderzoek naar het meenemen van welzijn in de kwantificering
van de kosten en baten van beleid staat nog in de kinderschoenen en om die reden wordt
welzijn vaak nog niet meegenomen in kosten-baten analyses. Het kan echter wel terugkomen
in andere posten in de analyse, zoals meer of minder tijd voor huishoudelijke taken
(invloed van zorg en preventie op productiviteitsverliezen voor niet-betaalde arbeid).
Het lid Tielen (VVD) verzocht in de aan het begin van dit hoofdstuk genoemde motie
ook om bij de ontwikkeling van een instrumentarium gebruik te maken van reeds beschikbare
data en waar mogelijk de databank van het Loket Gezond Leven te verrijken. Wij vinden
het met u belangrijk dat waar het gaat om data en monitoring zoveel mogelijk aan te
sluiten bij de bestaande mogelijkheden. Eén van die mogelijkheden is inderdaad de
verrijking van de databank van het Loket Gezond Leven. In deze databank staan leefstijlinterventies
die door deskundigen uit wetenschap en praktijk zijn beoordeeld op kwaliteit, uitvoerbaarheid
en effectiviteit. De kosten van een interventie zijn ook terug te vinden in de databank.
We nodigen betrokkenen van harte uit om een effectieve interventie aan te melden bij
het Loket Gezond Leven.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
V.P.G. Karremans
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M-F. Agema
Indieners
-
Indiener
V.P.G. Karremans, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Medeindiener
M. Agema, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport