Brief regering : Reactie op afstandsverklaring Islamic University of Applied Sciences Rotterdam (IUASR) en op de moties van het lid Wiersma (Kamerstuk 31288-819) en lid het Beertema (Kamerstuk 34412-22)
31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 839 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 mei 2020
Hierbij informeer ik uw Kamer over de stand van zaken van de procedure tot ontneming
van het recht op graadverlening ten aanzien van de Islamic University of Applied Sciences
Rotterdam (IUASR), nu de instelling afstand heeft genomen van de uitlatingen van de
rector. Tevens geef ik een reactie op de hierop betrekking hebbende moties van de
leden Wiersma1 en Beertema2.
Procedure ten aanzien van de IUASR: maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef niet
gewaarborgd
Naar aanleiding van uitspraken van de rector van de IUASR heb ik de procedure gestart,
die uiteindelijk tot ontneming van het recht op graadverlening door de instelling
zou kunnen leiden. Conform de wet is eerst nagegaan of de betreffende uitspraken in
strijd waren met de verplichting van de instelling het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef
van studenten te bevorderen. Nadat hiertoe advies is gevraagd aan de commissie van
advies (de Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef)
ben ik tot de conclusie gekomen dat dit het geval was. Vervolgens heb ik de instelling
een waarschuwing gegeven, waarin ik de instelling in de gelegenheid heb gesteld om
afstand te nemen van de betreffende uitspraken. Aan deze afstandsverklaring heb ik
een aantal voorwaarden gesteld. Ik heb uw Kamer steeds op gezette momenten van de
voortgang van deze procedure op de hoogte gehouden.
Hierbij informeer ik uw Kamer dat de IUASR mij per brief d.d. 19 februari 2020 in
kennis heeft gesteld van het feit dat de IUASR heeft besloten uitvoering te geven
aan de door mij opgelegde waarschuwing. Met de verklaring heeft de IUASR nadrukkelijk
en publiekelijk afstand genomen van de uitlatingen die door de commissie discriminatoir
zijn bevonden. Een kopie van de verklaring was als bijlage bij die brief gevoegd.
De IUASR heef tevens aangegeven pro forma beroep te hebben ingesteld bij de rechtbank.
Ik heb de IUASR per brief er van in kennis gesteld dat de inhoud van de verklaring,
zoals deze is gepubliceerd, naar de letter voldoet aan de vereisten zoals deze in
het waarschuwingsbesluit van 2 augustus 2019 zijn gesteld. In de afstandsverklaring
heeft de instelling opgenomen dat zij afstand neemt van de uitlatingen van de rector,
voor zover deze zijn opgevat als rechtvaardiging voor het oproepen tot geweld. Ook
heeft de instelling opgenomen dat de Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk
verantwoordelijkheidsbesef tot het oordeel is gekomen dat de betreffende uitlatingen
van de rector moeten worden aangemerkt als zijnde discriminerend en een vorm van «hate
speech», waardoor er geen beroep kan worden gedaan op de vrijheid van meningsuiting.
Ik heb tevens aangegeven dat ik heb geconstateerd dat ook aan de overige vereisten,
zoals de eis dat de verklaring ten minste vier weken op een goed zichtbare en vindbare
pagina op de website van de IUASR en op de sociale mediakanalen van de IUASR werd
geplaatst alsmede dat de rector door de instelling een proportionele disciplinaire
maatregel is opgelegd, is voldaan. Ik heb aangegeven dat gelet hierop ik mijn voornemen
tot het ontnemen van het recht op graadverlening niet effectueer.
Hierbij informeer ik uw Kamer over deze brief, waarmee de procedure is afgerond.
Motie lid Wiersma
Tijdens het Notaoverleg van 10 februari jl. is de onderhavige procedure ook onderwerp
van overleg geweest. Uw Kamer heeft vervolgens de motie van het lid Wiersma aangenomen,
waarin de regering wordt verzocht een verscherping van de wettelijke «verplichting
het maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen» uit te werken in een
wetsvoorstel, waarbij de procedure tot het ingrijpen op basis van deze wet aanzienlijk
zou worden verkort, en hierover de Kamer voor het zomerreces van 2020 te informeren.3
Met uw Kamer deel ik de constatering dat de onderhavige procedure veel tijd heeft
gekost. In deze procedure heb ik altijd mijn uiterste best gedaan om verschillende
belangen in goede balans te houden; enerzijds het belang om deze procedure met de
noodzakelijke snelheid te laten verlopen en anderzijds het belang te voldoen aan de
beginselen van rechtszekerheid en behoorlijk bestuur en daarmee van het in acht nemen
van de nodige redelijkheid en billijkheid. In een procedure als de onderhavige ben
ik gehouden aan termijnen die volgen uit verschillende wetten, zoals de Wet op het
hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en de Algemene wet bestuursrecht. Aan
deze termijnen kan vanuit rechtsstatelijke principes als rechtszekerheid en rechtsgelijkheid
niet worden getornd. Een instelling heeft het recht om tegen deze besluitvorming in
bezwaar en beroep te gaan. Dit hebben wij in onze democratische rechtsstaat met elkaar
afgesproken. Een procedure tot ontneming van het recht op graadverlening en de hieruit
volgende besluitvorming zal daarom altijd een doorlooptijd hebben en ook houden. Daarnaast
waren er een beperkt aantal meer praktische zaken die tijd vergden. Zo moest een tolk
die verschillende expertises combineert bereid gevonden worden om de benodigde vertaalwerkzaamheden
te verrichten. Bovendien moest de Commissie beoordeling uitingen maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef
haar werkwijze nader uitwerken, omdat dit de eerste casus was die aan haar werd voorgelegd.
In een volgende casus zal er dan ook als gevolg van deze eerste ervaring naar alle
waarschijnlijkheid enige tijdswinst zijn te boeken, in de orde van grootte van 2 maanden.
Motie lid Beertema
Uw Kamer heeft bij de behandeling van het Wetsvoorstel bescherming namen en graden
hoger onderwijs, waarmee de onderhavige procedure in de wet is geïntroduceerd, de
eerdergenoemde motie van het lid Beertema aangenomen. In deze motie wordt de regering
verzocht uitvoering te geven aan deze wet zo gauw die in werking treedt en de accreditatie
van de IUR4 in te trekken. Het toepassen van deze wet kan echter enkel op basis van nieuwe uitspraken
van (bijvoorbeeld) de rector en niet op basis van uitspraken die voorafgaand aan de
inwerkingtreding van de wet zijn gedaan. Door het naar aanleiding van de betreffende
uitlatingen van de rector starten van de procedure tot ontneming van het recht op
graadverlening heb ik, zodra de gelegenheid zich voordeed, uitvoering gegeven aan
deze wet. Nu de instelling zich heeft gehouden aan de door mij in deze procedure gestelde
eisen, is dit proces tot een einde gekomen en blijft het recht op graadverlening in
stand en daarmee in het onderhavige geval ook de status van rechtspersoon voor hoger
onderwijs.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
I.K. van Engelshoven
Indieners
-
Indiener
I.K. van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap