Amendement : Amendement van het lid Patijn over het opnemen van de allocatiefunctie in het wetsartikel
36 746 Wijziging van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs en de Wet financiering sociale verzekeringen teneinde aan flexibele arbeidskrachten meer zekerheden te verschaffen over werk en inkomen (Wet meer zekerheid flexwerkers)
Nr. 11
AMENDEMENT VAN HET LID PATIJN
Ontvangen 7 april 2026
De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
In artikel I wordt na onderdeel Pa een onderdeel ingevoegd, luidende:
Paa
Artikel 690 komt te luiden:
Artikel 690
De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever,
in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever dat geheel
is gericht op het met het vervullen van een actieve allocatiefunctie op de arbeidsmarkt
bij elkaar brengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid op de arbeidsmarkt,
ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever
verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.
Toelichting
Dit amendement wijzigt artikel 7:690 van het Burgerlijk Wetboek (BW) door vast te
leggen dat sprake is van een uitzendovereenkomst als de bedrijfsactiviteiten van de
werkgever zijn gericht op het actief bij elkaar brengen van de vraag naar en het aanbod
van tijdelijke arbeid op de arbeidsmarkt. Daarmee wordt de oorspronkelijke bedoeling
van de wetgever gewaarborgd.
De wetgever heeft op verschillende momenten in de tijd aangegeven dat het verlichte
arbeidsrechtelijke regime behorend bij uitzenden voorbehouden is aan de situatie dat
een uitzendwerkgever een actieve allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervult.1 Dit verlichte arbeidsrechtelijke regime bestaat onder andere uit het uitzendbeding
(7:691 lid 2 BW), op grond waarvan de uitzendovereenkomst van rechtswege eindigt als
de terbeschikkingstelling van de werknemer aan de opdrachtgever op verzoek van de
opdrachtgever eindigt.
De allocatiefunctie werd door de wetgever uitdrukkelijk gekoppeld aan het element
dat de terbeschikkingstelling dient te geschieden in het kader van het beroep of bedrijf
van de werkgever, zoals opgenomen in artikel 7:690 BW.2 In de memorie van toelichting behorend bij de Wet flexibiliteit en zekerheid schreef
de wetgever bij de artikelsgewijze toelichting van artikel 7:690 het volgende: «De terbeschikkingstelling moet geschieden in het kader van het beroep of het bedrijf
van de werkgever. Dat betekent dat terbeschikkingstelling (een) doelstelling van de
bedrijfs- of beroepsactiviteiten van de werkgever moet zijn; de toepasselijkheid van
de uitzendovereenkomst is aldus gekoppeld aan de allocatieve functie van de werkgever.»3
De allocatiefunctie werd door de regering omschreven als het bij elkaar brengen van
de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid. In diezelfde memorie van toelichting
staat hierover: «De uitzendformule vervult een belangrijke allocatiefunctie op de arbeidsmarkt t.w.
het aldus bij elkaar brengen van de vraag naar en het aanbod van tijdelijke arbeid.
Die functie moet behouden blijven.»4
Voorts benadrukte de regering dat het bijzondere karakter van de uitzendovereenkomst
is gelegen in het feit dat de allocatiefunctie een verlicht ontslagregime rechtvaardigt:
«Het bijzondere karakter van de uitzendovereenkomst is gelegen in het feit dat de allocatieve
functie van de uitzendovereenkomst impliceert dat partijen een zekere vrijheid hebben
terzake van het aangaan en verbreken van hun arbeidsrelatie.»5
De regering erkende dat met de regeling van de uitzendovereenkomst een ruimer toepassingsbereik
werd beoogd dan de op dat moment (eind jaren negentig) in de praktijk voorkomende
klassieke uitzending door uitzendbureaus die zich richtten op terbeschikkingstelling
bij «piek of ziek». De regeling zou ook van toepassing zijn op andere driehoeksrelaties,
zoals in- en uitlening door uitleen- en detacheerbedrijven.6 De wetgever benadrukte daarbij echter verschillende malen dat van doorslaggevende
betekenis zou zijn dat deze werkgevers daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt
vervullen.7 Voor dit amendement is aangesloten bij deze bewoording.
In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet flexibiliteit en zekerheid is
dit nogmaals benadrukt in antwoord op Kamervragen: «De voorgestelde regeling van de uitzendovereenkomst geldt alleen voor die werkgevers
die daadwerkelijk een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt vervullen.»8
Ook in het antwoord op kritische vragen van de Raad van State over het ruime bereik
van de definitie van artikel 7:690 BW bevestigde de regering dat het door de ter beschikking
stellende werkgever vervullen van een allocatiefunctie op de arbeidsmarkt in alle
gevallen vereist was voor toepassing van de uitzendovereenkomst.9 Bij de behandeling van de Wet werk en zekerheid heeft de regering dit punt herhaald:
«De allocatieve functie op de arbeidsmarkt brengt mee dat partijen bij een uitzendovereenkomst
meer vrijheid krijgen bij het aangaan en beëindigen van de arbeidsovereenkomst.»10
Tegelijkertijd is deze precisering, dus dat de «uitzendwerkgever» deze allocatiefunctie
vervult op de arbeidsmarkt, niet expliciet in de wettelijke definitie van de uitzendovereenkomst
in artikel 7:690 BW opgenomen. Een verklaring die in de literatuur is gegeven voor
deze omissie is dat uitzendbedrijven ten tijden van de behandeling van het artikel
in de jaren ’90 van de vorige eeuw doorgaans een dergelijke allocatiefunctie vervulden
op de arbeidsmarkt en dit dus een vanzelfsprekendheid was.11
De interpretatie van artikel 7:690 BW was onderwerp van het Care4Care arrest van 4 november
2016, waarbij de vraag centraal stond of voor een uitzendovereenkomst een allocatiefunctie
is vereist.12 De Hoge Raad oordeelde in dit arrest dat in de tekst van artikel 7:690 BW niet is
bepaald dat de uitzendwerkgever een allocatiefunctie moet vervullen en dat de bij
de opdrachtgever te verrichten arbeid tijdelijk is en dit daar ook niet in kan worden
gelezen. De Hoge Raad reflecteert daarbij in zijn arrest expliciet op de mogelijkheid
dat deze interpretatie niet strookt met de bedoeling van de wetgever en verwijst naar
de wetgever als de toepassing van het verlichte regime zou leiden tot resultaten die
zich niet laten verenigen met hetgeen de wetgever bij de regeling van artikel 7:690–7:691
BW voor ogen heeft gestaan.
Naar aanleiding van dit arrest zijn Kamervragen gesteld. De toenmalige Minister van
SZW deelde mee dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het oordeel van de Hoge Raad
niet aansluit bij hetgeen destijds door de wetgever is beoogd, maar dat een wetswijziging
niet meer binnen zijn kabinetsperiode kon worden gerealiseerd.13 In de daaropvolgende kabinetsperiode is vervolgens in het kader van de Wet arbeidsmarkt
in balans in het Burgerlijk Wetboek vastgelegd dat het verlichte arbeidsrechtelijke
regime voor uitzending van artikel 7:691 BW niet van toepassing is op payrolling omdat
daarbij geen sprake is van het samenbrengen van vraag en aanbod van arbeid op de arbeidsmarkt
en de werknemer exclusief ter beschikking wordt gesteld aan de opdrachtgever die hem
heeft geworven en geselecteerd, waarbij hij alleen met toestemming van die opdrachtgever
aan een andere opdrachtgever ter beschikking mag worden gesteld.
In de afgelopen jaren is echter steeds duidelijker geworden dat niet bij elke terbeschikkingstelling
van werknemers door werkgevers aan opdrachtgevers die niet plaatsvindt in het kader
van payrolling sprake is van een door hun werkgevers op de arbeidsmarkt verrichte
allocatiefunctie als door de wetgever beoogd in de definitie van de uitzendovereenkomst
in artikel 7:690 BW. Dit heeft ertoe geleid dat het bijzondere, verlichte arbeidsrechtelijke
regime voor uitzendarbeid ook wordt toegepast in situaties waarvoor dit oorspronkelijk
niet bedoeld is.14 In de literatuur wordt de allocatiefunctie toch nog steeds dikwijls aangevoerd om
te verklaren waarom voor de uitzendwerknemers andere regels gelden dan voor gewone
werknemers.15
Indiener wil met dit amendement de bedoeling van de wetgever bij dit artikel expliciteren.
De definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW dient als de toegangspoort
naar het verlichte arbeidsrechtelijke regime bij uitzending in artikel 7:691 BW. Dit
verlichte regime voor uitzendarbeid, waaronder de afwijkende ontslagregels, is bedoeld
voor ondernemingen die een allocatiefunctie vervullen op de arbeidsmarkt door vraag
naar en aanbod van tijdelijke arbeid actief bij elkaar te brengen. Waar deze allocatiefunctie
ontbreekt, ontbreekt ook de rechtvaardiging voor het door de werkgever mogen toepassen
van dit verlichte regime. Met deze door indiener voorgestelde aanpassing van artikel
7:690 BW sluit de hierin neergelegd definitie van de uitzendovereenkomst bovendien
aan bij de definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 1 onder i van de Ontslagregeling.16
De voorgestelde wijziging sluit tevens aan bij de aanbevelingen van de Commissie Regulering
van Werk (commissie-Borstlap). De commissie-Borstlap heeft geadviseerd om de wettelijke
definitie van de uitzendovereenkomst in artikel 7:690 BW te verduidelijken en «in de definitie van de uitzendovereenkomst toe te voegen dat de werkgever die werknemers
ter beschikking stelt aan derden dit doet in het kader van een door hem vervulde actieve
allocatiefunctie op de arbeidsmarkt.»17 De commissie-Borstlap schrijft dat zij onder het vervullen van een actieve allocatiefunctie
op de arbeidsmarkt verstaat «dat de uitzendwerkgever op de arbeidsmarkt op (pro)actieve wijze betrokken is bij
de werving en selectie van de uitzendkracht en van opdrachtgevers waaraan de uitzendkracht
ter beschikking kan worden gesteld en tevens betrokken blijft bij de uitvoering van
de arbeidsovereenkomst. Daarbij past een verlicht ontslagregime, zoals thans geldt
op basis van artikel 7:691 van het BW, vanwege de met deze actieve allocatiefunctie
van het uitzendbureau gepaard gaande grotere behoefte aan flexibiliteit bij het aangaan
en beëindigen van arbeidsovereenkomst.»18 In zijn MLT-advies uit 2021 deelt de SER mee dat hij «veel waarde [hecht] aan de allocatie- en opstapfunctie die uitzendwerk vervult.» Tot slot sluit deze wijziging beter aan bij de definitie van het begrip «uitzendbureau»
in de Uitzendrichtlijn, waarin wordt uitgegaan van de tijdelijke terbeschikkingstelling
van uitzendkrachten door het uitzendbureau aan inlenende ondernemingen.19
Patijn
Indieners
Mariëtte Patijn, Kamerlid
Kabinetsappreciatie
Appreciatie:
Ontraden
Stemmingsuitslagen
Verworpen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Tegen |
| VVD | 22 | Tegen |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Tegen |
| JA21 | 9 | Tegen |
| FVD | 7 | Voor |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen |
| BBB | 3 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Tegen |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Tegen |
| SP | 3 | Voor |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Tegen |
| Volt | 1 | Voor |