Plenair verslag
Tweede Kamer, 11e vergadering
Woensdag 7 oktober 2026
-
Begin10:15 uur
-
Sluiting0:00 uur
-
StatusOngecorrigeerd
Opening
Voorzitter: Van der Lee
Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:
De voorzitter:
Ik open de vergadering van woensdag 7 oktober 2026.
Mededelingen
Mededelingen
Mededelingen
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat het volgende lid zich heeft afgemeld:
Bikker, voor de vergadering van vandaag en morgen.
Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.
Demonstratierecht
Demonstratierecht
Aan de orde is het tweeminutendebat Demonstratierecht (CD d.d. 10/09).
Termijn inbreng
De voorzitter:
We gaan vanochtend beginnen met een tweeminutendebat over het demonstratierecht. Ik heet de minister van Justitie en Veiligheid en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van harte welkom. Er hebben zich zeven leden ingeschreven voor spreektijd. Als eerste geef ik het woord aan mevrouw Van der Plas, die het woord voert namens de fractie van BBB.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het demonstratierecht geen vrijbrief is voor geweld en vernieling;
overwegende dat de kosten van vernielingen op de aansprakelijke veroorzakers moeten worden verhaald en niet op de belastingbetaler behoren te worden afgewenteld;
overwegende dat eerdere Kameruitspraken over schadeverhaal moeten leiden tot een vaste werkwijze wanneer de overheid zelf schade lijdt;
verzoekt de regering als vaste werkwijze vast te leggen dat het Rijk, inclusief zijn agentschappen, bij schade door vernielingen tijdens demonstraties steeds alle juridisch beschikbare mogelijkheden benut om de veroorzakers aansprakelijk te stellen en de schade op hen te verhalen;
verzoekt de regering tevens te bevorderen dat zelfstandige bestuursorganen deze werkwijze volgen en gemeenten en provincies op te roepen hetzelfde te doen, met ondersteuning waar nodig;
verzoekt de regering de Kamer voor het einde van 2026 te informeren over deze werkwijze en de uitvoering daarvan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 43 (34324).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het verplaatsen van demonstranten een blokkade kan beëindigen, maar op zichzelf geen consequentie verbindt aan gepleegde strafbare feiten;
overwegende dat wie de wet overtreedt, ter verantwoording moet worden geroepen;
verzoekt de regering bij de uitwerking van de bevoegdheid tot bestuurlijke verplaatsing te waarborgen dat deze geen vervanging wordt voor strafrechtelijk optreden tegen gepleegde strafbare feiten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.
Zij krijgt nr. 44 (34324).
Dank u wel. Dan gaan wij luisteren naar mevrouw Abdi. Zij voert het woord namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat journalisten in toenemende mate slachtoffer zijn van geweld en intimidatie tijdens demonstraties;
overwegende dat de journalistieke verslaglegging van het optreden van zowel de demonstranten als van de overheid tijdens een demonstratie van cruciaal belang is voor de publieke uitwisseling van informatie;
overwegende dat de bescherming van journalisten die verslagleggen van een demonstratie onderdeel is van de kerntaak van de overheid om het demonstratierecht te faciliteren;
verzoekt de regering te onderzoeken hoe de veiligheid van journalisten op demonstraties beter beschermd kan worden, geweld en intimidatie van journalisten te prioriteren door aangiftes snelle opvolging te geven, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Abdi.
Zij krijgt nr. 45 (34324).
Dank u wel. Een interruptie van mevrouw Van der Plas.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik ga ervan uit dat deze motie gaat over alle journalisten die worden belaagd.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ja.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Want we hebben regelmatig gezien dat bijvoorbeeld een journalist die klimaatdemonstraties filmt, Eppo Tjuchem, door klimaatdemonstranten gewoon zijn camera uit handen wordt geslagen of dat hij wordt aangevallen. Wat u zegt, geldt dus voor alle journalisten en ook voor alle groepen die aanvallen op journalisten plegen, zowel uit de klimaathoek, de links-extreme hoek alsook uit andere hoeken?
Mevrouw Abdi (PRO):
Absoluut. Alle journalisten. Geen onderscheid.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Martens-America. Zij voert het woord namens de VVD-fractie.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Het aantal demonstraties is de afgelopen jaren verdubbeld, en zo ook het aantal demonstraties dat volledig uit de hand loopt. De beelden van het Malieveld van een aantal weken geleden staan ons allen nog vers op het netvlies. Mijn fractie is dan ook ontzettend blij dat de wet om het verheerlijken van terrorisme te verbieden, nu in de Kamer ligt, waardoor we kunnen voorkomen dat er wordt gezwaaid met ongewenste vlaggen. Maar we zijn er nog niet. Wat ons betreft komt er een verbod op gezichtsbedekkende kleding. Wat ons betreft gaan we sneller over tot vervolging wanneer mensen zich vastplakken aan de snelweg of het spoor. In afwachting van de WOM, de Wet openbare manifestaties, heb ik de volgende twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet werkt aan het wijzigen van de Wet openbare manifestaties om burgemeesters en de politie beter in staat te stellen handhavend op te treden rondom demonstraties en zodat rechters zwaardere straffen kunnen opleggen voor feiten gepleegd tijdens openbare manifestaties;
constaterende dat het demonstratierecht onder druk staat omdat de demonstraties steeds vaker doorslaan in grootschalige verstoringen van de openbare orde;
verzoekt de regering om de wijziging van de Wet openbare manifestaties versneld naar de Kamer te sturen zodat de Kamer daarover in debat kan en desgewenst wijzigingen in de wet kan aanbrengen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Martens-America.
Zij krijgt nr. 46 (34324).
Mevrouw Martens-America (VVD):
Tot slot.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie (LOVP) is afgesproken zo veel mogelijk één lijn te trekken als het gaat om demonstraties waarbij de snelweg of het spoor gebruikt wordt en daarbij strafrechtelijk op te treden;
overwegende dat de Kamer heeft verzocht om een landelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties in consultatie te brengen;
verzoekt de regering totdat dit wetsvoorstel er is om, naar analogie van de bovenstaande afspraken met het LOVP, eveneens afspraken te maken met in ieder geval burgemeesters om gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties in de regel niet toe te staan, zodat relschoppers kunnen worden geïdentificeerd en zij niet onder het mom van het demonstratierecht strafbare feiten kunnen plegen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Martens-America.
Zij krijgt nr. 47 (34324).
Dank u wel. De volgende spreker is de heer Sneller, en hij voert het woord namens de D66-fractie. Gaat uw gang.
De heer Sneller (D66):
Excuus, ik dacht dat de heer Van Baarle nog voor mij kwam.
De voorzitter:
Die gaat als laatste.
De heer Sneller (D66):
Voorzitter, ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij 0,03% van de demonstraties meer dan tien geregistreerde incidenten zijn, maar dat hierbij onduidelijk is of deze incidenten worden veroorzaakt door demonstranten of door derden;
overwegende dat de registratie van een incident nu uiteen kan lopen van "algemene mutaties over het plaatsvinden van demonstraties" en "klachten over ervaren overlast tijdens demonstraties" tot "niet voldoen aan een bevel/vordering" en geweldsincidenten;
van mening dat een betere incidentregistratie nodig is om goed zicht te krijgen op de aard van incidenten bij demonstraties;
verzoekt de regering te zorgen voor een verbeterde incidentregistratie, waaruit blijkt wat de aard en de oorzaak van incidenten bij demonstraties zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Sneller.
Zij krijgt nr. 48 (34324).
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Flach.
De heer Flach (SGP):
Ik luister naar de motie van de heer Sneller. Wie zou dat dan moeten gaan doen, is mijn vraag als ik dit hoor. Zou de politie dat erbij moeten gaan doen? Die is vaak behoorlijk overbelast rondom demonstraties. Wie moeten dit soort registraties gaan opzetten en bijhouden?
De heer Sneller (D66):
Dat zijn wat mij betreft dezelfde mensen die nu die registraties bijhouden. Ik snap heel goed wat de heer Flach hier natuurlijk zegt. Daar ben ik het ook mee eens. Ik hoor ook graag van de minister hoe we dit op een werkbare manier kunnen doen. Ik hoop dat de heer Flach de onderliggende intentie met mij deelt, namelijk dat we op dit moment het beeld hebben dat incidenten soms gelijkgeschakeld worden aan strafbare feiten, terwijl er een veel bredere categorie achter vandaan komt. Het is ook nog eens zo dat het wordt toegerekend aan demonstraties. Daarmee vormt het het beeld van demonstraties en hoe vaak ze uit de hand lopen, terwijl het soms door derden wordt veroorzaakt. Nogmaals, ik bent het helemaal eens met de heer Flach dat dit wel te doen moet zijn. Ik hoor graag van de minister of dat het geval is.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor uw inbreng. Nu gaan we luisteren naar de heer Clemminck. Hij voert het woord namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Het is vandaag 7 oktober, drie jaar na de bloedige terroristische aanslagen in Israël door islamitische terroristen. Mijn gedachten gaan uit naar Israël, het Israëlische volk en de Joodse gemeenschap in Nederland. Ook vandaag zien we weer veel pro-Hamasdemonstraties in Nederland. Dat recht hebben ze. Ze hebben het recht om te demonstreren, ook op 7 oktober. Dat recht moeten ze ook houden. Tegelijkertijd heb ik het recht om dat moreel verwerpelijk te vinden.
Naar aanleiding van het debat heb ik drie moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet heeft toegezegd de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over civielrechtelijk schadeverhaal, waaronder groepsaansprakelijkheid en knelpunten bij gegevensdeling;
overwegende dat schade door geweld en vernieling zo veel mogelijk op de veroorzakers moet worden verhaald;
overwegende dat benadeelden daarbij praktische ondersteuning nodig kunnen hebben bij bewijsvergaring, het achterhalen van aansprakelijke personen en het instellen van een schadeclaim;
verzoekt de regering om in de toegezegde brief een concreet uitvoeringsplan op te nemen voor het ondersteunen van gemeenten, vervoerders, onderwijsinstellingen en andere benadeelden bij het verhalen van schade door geweld en vernielingen rond demonstraties en rellen;
verzoekt de regering om daarin in ieder geval in te gaan op bewijsvergaring, rechtmatige gegevensdeling, het benutten van groepsaansprakelijkheid waar mogelijk en de verantwoordelijke partijen en uitvoeringstermijnen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 49 (34324).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de strafrechtelijke aanpak van snelwegblokkades zich momenteel vooral richt op degenen die de blokkade veroorzaken of aanvoeren;
overwegende dat ook deelnemers buiten deze kopgroep die aantoonbaar strafbare feiten plegen, daarvoor verantwoordelijk moeten worden gehouden;
overwegende dat het herhaaldelijk blokkeren van snelwegen gevaarlijke situaties, ernstige verkeershinder en een groot beslag op politiecapaciteit veroorzaakt;
verzoekt de regering om met politie en Openbaar Ministerie een aanpak uit te werken gericht op het identificeren en strafrechtelijk aanpakken van alle deelnemers aan snelwegblokkades die aantoonbaar strafbare feiten plegen;
verzoekt de regering om de Kamer binnen drie maanden daarover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 50 (34324).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het kabinet een wettelijke bevoegdheid voor bestuurlijke verplaatsing van groepen voorbereidt;
overwegende dat bestuurlijke verplaatsing gericht is op het herstellen van de openbare orde, maar geen vervanging mag worden voor strafrechtelijke opvolging van gepleegde strafbare feiten;
overwegende dat het vaststellen van de identiteit van verdachten en het veiligstellen van bewijs noodzakelijk zijn om die opvolging mogelijk te maken;
verzoekt de regering om bij de uitwerking van bestuurlijke verplaatsing met politie, Openbaar Ministerie en lokaal bestuur een protocol op te stellen voor het vaststellen van de identiteit van personen die worden verdacht van strafbare feiten en het veiligstellen van relevant bewijs;
verzoekt de regering om dit protocol gelijktijdig met het wetsvoorstel aan de Kamer toe te sturen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 51 (34324).
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank. Graag iets minder overwegingen de volgende keer dat u drie moties wilt indienen, want anders blijft het echt niet binnen de spreektijd. De heer Flach gaat nu spreken. Hij voert het woord namens de SGP-fractie.
De heer Flach (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Weinig debatten raken zo direct aan wat we op straat meemaken als dit onderwerp: het demonstratierecht. Het is dus belangrijk dat we het hier ook regelmatig over hebben. In het commissiedebat heb ik aangegeven dat veel van wat we "demonstratierecht" noemen de naam eigenlijk niet waard is. Het is hard nodig dat we wetteloosheid straffen en gaan aanpakken. Die ruimte is er juridisch ook. De SGP hoopt dat de regering nog iets verder wil gaan dan goede afspraken maken tussen organisaties.
De SGP heeft ook grote zorgen uitgesproken over de staat van de rechtsstaat rond abortusklinieken. Ook na het debat is er weer een voorbeeld geweest van het meten met twee maten en het onrechtmatig aanpakken van vreedzame eenmensprotesten. Dat leent zich nu niet voor een motie, maar ik kom daar zeker nog op terug. Ik vraag het kabinet om zich hier ook actiever in te verdiepen.
Voorzitter. We spreken al heel lang over de noodzaak van aanpassingen in het demonstratierecht. Denk bijvoorbeeld aan het verbieden van gezichtsbedekkende kleding. Het is nu echt tijd voor actie, dus mijn laatste vraag is: komt de regering met gezwinde spoed met een wetsvoorstel?
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van den Brink. Hij voert het woord namens de CDA-fractie. Gaat uw gang.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. De noodzaak van dit tweeminutendebat is een beetje naar achteren geschoven, aangezien er al een motie over dit onderwerp is ingediend bij de Algemene Politieke Beschouwingen.
Een paar overwegingen van mijn kant. Wij zijn blij dat de pilot met de smurfenverf dit jaar daadwerkelijk van start gaat. Ook komt er een brief over de civielrechtelijke afhandeling van schade veroorzaakt door relschoppende demonstranten. Daar vragen wij al heel lang om. Ik reken op een hele goede en overtuigende brief.
Tot slot heb ik nog één vraag die is blijven liggen in het debat, gesneuveld in het geweld van alle andere onderwerpen. Die gaat over de mogelijkheid om grenzen in het demonstratierecht te hanteren. Ik wil graag van de minister horen wat de mogelijkheden zijn voor een burgemeester als hij of zij het onverstandig vindt om een demonstratie binnen gezichts- of gehoorsafstand plaats te laten vinden. Denk dan bijvoorbeeld aan de opening van het Holocaustmuseum of aan 4 mei. Als ik goed geïnformeerd ben, hoort die vraag thuis bij de minister van Justitie, maar dat moet u vooral samen uitmaken. Welke mogelijkheden heeft een burgemeester om af te wegen of een demonstratie misschien beter niet binnen gehoors- of gezichtsafstand kan plaatsvinden?
Ik dank u wel.
De voorzitter:
U krijgt nog een interruptie van mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik snap de vragen van de heer Van den Brink; laat ik dat even vooropstellen. Geldt gehoorafstand bijvoorbeeld ook voor de een-op-eendemonstraties bij abortusklinieken?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Volgens mij vallen dergelijke eenmensprotesten onder een ander regime, maar ik moet er even over nadenken. Goede vraag. Niet over nagedacht. Het was in ieder geval niet de achtergrond van mijn vraag.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Laat ik het even verbreden. Laat ik het dan houden op hele groepen die op gehoorafstand voor zo'n kliniek staan. Mijn vraag is eigenlijk: geldt dit voor alle groepen volgens het CDA?
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Ja. Ik wil dus het volgende weten. In principe vind ik het mooi als demonstraties binnen gehoor- en gezichtsafstand plaatsvinden. Maar er kunnen situaties zijn waarvan je zegt: moet je dat willen? Ik vraag aan de minister: in welke situaties ziet u mogelijkheden om te zeggen "misschien moeten we dat niet doen"? Dat is mijn vraag.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Martens-America.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Dus als ik het goed begrijp — ik heb de beelden van de Holocaustherdenking ook gezien — is uw vraag aan de minister om daar ook naar te kijken als het gaat om dames die naar zo'n kliniek gaan.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dat is niet de achtergrond van mijn vraag. Als dezelfde situaties zich daar voordoen, zouden daar dezelfde maatregelen moeten gelden.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we tot slot in de termijn van de Kamer luisteren naar de heer Van Baarle van DENK. Gaat uw gang.
De heer Van Baarle (DENK):
Goedemorgen. Ik heb het in het commissiedebat gehad over de anti-Palestinahetze en -gekte die zich in dit parlement meester heeft gemaakt van heel veel politici. Er worden voorstellen gedaan om sit-ins te verbieden. Een leus wordt verboden. Blijkbaar mag je ook niet opkomen voor de rechten van Palestijnen binnen een bepaalde gehoorsafstand, omdat mensen het niet willen horen. Het is niet normaal hoe de rechten van pro-Palestinademonstranten worden ingeperkt in de voorstellen die gedaan worden. Dat moet stoppen. Vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat er voorstellen worden gedaan zoals het verbieden van sit-ins, leuzen, demonstreren op bepaalde data en nog meer, wat neerkomt op het beknotten van pro-Palestinademonstraties;
verzoekt de regering om pro-Palestinademonstraties niet te beknotten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 52 (34324).
De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Ik heb het in mijn bijdrage in de commissie ook gehad over de haatdragende, haatzaaiende en discriminerende acties die men soms "demonstreren" noemt, maar die dat niet zijn, namelijk het vernietigen of verbranden van de koran. Wat mij betreft moet dat niet kunnen, en moet dat ook niet kunnen in het geval van alle andere heilige boeken. Als je het in je hoofd haalt om een koran, thora, bijbel of welk heilig schrift dan ook te vernietigen of verbranden, met het kennelijke doel om daarmee haat te zaaien of te kwetsen, is dat niet demonstreren. Dat is iets wat niet kan in een samenleving waarin we in verdraagzaamheid leven. Andere landen hebben dat al verboden, vandaar de volgende motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er in Nederland een groot probleem is met moslimhaat;
verzoekt de regering om het verbranden of vernietigen van de koran en andere heilige boeken naar voorbeeld van andere Europese landen strafbaar te stellen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.
Zij krijgt nr. 53 (34324).
Hartelijk dank. Daarmee zijn we aan het einde van de termijn van de Kamer. Er zijn elf moties ingediend. We gaan een minuut of vijf schorsen en dan krijgen we de appreciaties door de beide bewindslieden. We zijn even geschorst.
De vergadering wordt van 10.32 uur tot 10.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Demonstratierecht. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Termijn antwoord
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. De minister van Justitie en Veiligheid en ik hebben zojuist even naar de moties gekeken. Ik zal de moties op stukken nrs. 46, 47 en 52 van een appreciatie voorzien. Dat zijn de beide moties vanuit de VVD-fractie en de eerste motie vanuit DENK. Er zijn nog twee vragen gesteld, door de heer Van den Brink van het CDA en de heer Flach van de SGP, die ik ook zal beantwoorden. De rest van de appreciaties zal door de minister van Justitie en Veiligheid worden gedaan.
De eerste motie van mevrouw Martens-America, op stuk nr. 46, omvat een verzoek om de wijzigingen in de WOM versneld naar de Kamer te sturen. Dit sluit aan bij onze toezegging in het commissiedebat dat we gehad hebben, namelijk dat we hier tempo mee willen maken. Dat betekent dat we het wetsvoorstel zo snel als mogelijk in internetconsultatie laten gaan; dat betekent begin 2027, begin volgend jaar, wat ook de vraag was in het debat. Daarna gaat het zo snel mogelijk naar de Raad van State en zal het na advies zo snel mogelijk bij uw Kamer terechtkomen, conform de wens in deze motie. Ik geef deze motie dus oordeel Kamer.
Dan de tweede motie van mevrouw Martens-America, op stuk nr. 47. Daarin gaat zij eigenlijk in op het tweede spoor van de drie sporen die de minister van Justitie en Veiligheid en ik een aantal weken geleden uiteengezet hebben in het commissiedebat. Dit is de intentie waarmee wij het gesprek aangaan met de burgemeesters. Ik moet daarbij zeggen dat in de motie ook iets gezegd lijkt te worden over wat de uitkomst van dat gesprek zou moeten zijn. Dat gesprek gaan wij voeren met in ieder geval de burgemeesters, maar ook met justitie en politie. Ik wil de motie oordeel Kamer geven. Wij zullen, nadat we het gesprek gehad hebben, de Kamer ook informeren over de voortgang van dit spoor in lijn met de drie sporen zoals we die in het commissiedebat hebben neergelegd.
De heer Van Baarle (DENK):
Even een vraag over de motie op stuk nr. 46. Deze minister is, naast dat hij inhoudelijk verantwoordelijk is voor dit onderwerp, ook coördinerend minister op het hoeden van de Grondwet en grondrechten. Ik denk dat het helemaal niet verstandig is om een wetswijziging die een verandering met zich meebrengt van het omgaan met het demonstratierecht, een grondrecht, er met stoom en kokend water doorheen te jassen en daar heel veel spoed bij te gaan betrachten. Dat moet je zorgvuldig doen, want het raakt aan grondrechten. Hoe rijmt de minister die motie met het feit dat je hier gewoon heel zorgvuldig de tijd voor moet nemen, omdat het om een grondrecht gaat?
Minister Heerma:
Volgens mij hebben wij in het commissiedebat uitvoerig met elkaar gesproken over het belang ervan dat dit én zorgvuldig gebeurt, én er tegelijk tempo gemaakt mag en moet worden. Ik heb in het commissiedebat ook al toegezegd dat wij voornemens zijn om dat wetsvoorstel begin 2027 in consultatie te laten gaan. Daarna gaat het naar de Raad van State en daarna zo snel mogelijk naar de Kamer.
De voorzitter:
Afrondend, de heer Van Baarle.
De heer Van Baarle (DENK):
Als ik het dan goed begrijp, verandert de motie niet zo veel aan wat de minister in het commissiedebat heeft gezegd. Dan heb ik een extra reden om tegen te stemmen.
Minister Heerma:
Wat de heer Van Baarle stemt, wat DENK stemt, laat ik natuurlijk aan de fractie van DENK. Dat is aan iedere fractie in dit huis. Ik beschouw deze motie in lijn met de wens van de Kamer zoals in het commissiedebat geuit door verschillende partijen. We hebben in het commissiedebat gezegd dat we er zelf ook op die manier naar kijken en dan zou het heel raar zijn om de motie nu te ontraden.
De heer Sneller (D66):
Een vraag over de motie op stuk nr. 47, die oordeel Kamer heeft gekregen van het kabinet, wat me enigszins verbaast. Mijn verzoek aan de minister van Binnenlandse Zaken is om bij die gesprekken ook de aangenomen Kamermotie te betrekken die de regering verzoekt om het recht op anonieme deelname aan demonstraties actief te waarborgen. Ik zie niet helemaal hoe hij dat gaat combineren, maar ik wil hem wel vragen om die aangenomen motie ook uit te voeren.
Minister Heerma:
Volgens mij is ook over deze motie in het commissiedebat absoluut gesproken. Een deel van de inbreng van mevrouw Martens-America ging hier specifiek over. Wij hebben in het commissiedebat drie sporen neergezet. Dit was het tweede spoor, dat de minister van JenV en ik nu uitlopen, ook indachtig de discussie die er is geweest en de reacties op het eerdere wetsvoorstel. Daarna is er nog een motie aangenomen bij de APB. Wij gaan de komende maanden aan de slag met die drie sporen zoals we die in het commissiedebat neergezet hebben. Onderdeel daarvan is het gesprek met politie, justitie en burgemeesters om hiervan vaker gebruik te maken; dat is de intentie en daarom hebben we het ook als spoor neergezet. Ik heb net bij de appreciatie ook aangegeven dat ik de motie zie als aansporing om die inzet te leveren. Ik heb ook gezegd dat burgemeesters uiteindelijk niet aan tafel zitten om dienstopdrachten in ontvangst te nemen, maar om het gesprek te voeren. Vanzelfsprekend wordt die andere motie daar ook bij betrokken, zoals ook is besproken in het commissiedebat.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik ben een beetje verward door de uitleg van de minister, moet ik eerlijk zeggen. In de Kamer zeuren wij vaak over hoelang stemmingen duren en over allerlei moties die worden aangenomen en waar eigenlijk niks mee wordt gedaan. Als ik deze appreciatie lees, zie ik dat die niet klopt met het dictum van de motie van mevrouw Martens-America, namelijk: "afspraken te maken met in ieder geval burgemeesters om gezichtsbedekkende kleding bij demonstraties in de regel niet toe te staan". Maar uw appreciatie is veel breder. Hoe kan deze motie dan nog steeds oordeel Kamer krijgen? Ik begrijp het niet.
Minister Heerma:
Volgens mij heb ik in het commissiedebat uitgelegd wat wij gaan doen. Ik zie dat die motie in lijn is met die inzet. Ik geef ook aan wat de positie van burgemeesters is in dat gesprek. Ik vind dat deze motie daarmee in lijn ligt met de inzet die wij hebben.
De voorzitter:
Afrondend, mevrouw Abdi.
Mevrouw Abdi (PRO):
Ik blijf het verbazingwekkend vinden, want hiermee kan ook gewapperd worden richting burgemeesters en kan worden gezegd: we hebben afspraken gemaakt. De suggestie wordt gewekt dat dat nodig is. Volgens mij komt er inderdaad een wet aan en daar gaan we allemaal verder over debatteren. Ik begrijp dus werkelijk waar niet dat de minister, die ook moet staan voor het lokaal gezag, vanuit zijn rol deze motie oordeel Kamer geeft. Uiteindelijk gaat het om "in de regel niet toe te staan". Dat is een heel duidelijk expliciet verzoek. Het verzoek is niet om in gesprek te gaan over de vraag of je het wel of niet kunt toepassen. Mijn vraag aan de minister is dus opnieuw: wat voegt deze motie concreet toe? Kan hij toezeggen dat dit niet een soort dictaat is richting het lokaal gezag op basis van een motie vanuit de Kamer om dingen te doen, maar dat hij daarover de wet zorgvuldig afwacht?
Minister Heerma:
Ik heb net in mijn appreciatie aangegeven dat het geen dictaat is. Tegelijkertijd ligt de motie in lijn met de drie sporen, zoals we die als kabinet in het commissiedebat al uiteen hebben gezet.
De heer Clemminck (JA21):
Ik deel wel de opmerking van de collega van PRO. De motie zegt namelijk iets anders dan de uitleg van de minister. Ik wil de minister er ook op wijzen dat de motie-Eerdmans aangenomen is bij de Algemene Politieke Beschouwingen. Die motie vraagt om een zorgvuldig traject om te komen tot een verbod op gezichtsbedekkende kleding. Is het niet beter om dat traject op een zorgvuldige manier te doen en deze motie dan maar wel te lezen zoals die is? Daar hoort dan namelijk een andere appreciatie bij.
Minister Heerma:
Volgens mij heb ik net verwezen naar de motie-Eerdmans. Volgens mij is deze motie daar niet in strijd mee en ligt die in lijn met de drie sporen die we in het commissiedebat hebben neergelegd.
Mevrouw Martens-America (VVD):
Ik merk dat iedereen denkt "mooi, lekker prijsschieten", maar ik wil toch even wat helderheid creëren. Het lijkt namelijk alsof er vele verschillende lezingen zijn van wat er staat. Deze motie is ingediend naar aanleiding van de eerste stappen die de minister van Justitie en Veiligheid heeft gezet als het gaat over snelwegbezetters en het sneller overgaan tot vervolging. Die stappen zijn gezet naar aanleiding van een goed gesprek dat heeft plaatsgevonden met onder andere de politie en de burgemeesters. Omdat wij in afwachting zijn van de WOM, waarmee we dit wettelijk zouden kunnen regelen, is mijn oproep: ga in ieder geval alvast om tafel om te zorgen dat we tot één lijn komen. Daarbij is wat de heer Sneller zegt natuurlijk geheel juist. Die uitzondering heb ik zelf ook gemaakt in het debat. Maar dáár gaat het hier over. Ik wil dus toch nog wel even duidelijk hebben of de minister dat ook op die manier leest. Dit is een in-between, om Engelse woorden aan te halen.
Minister Heerma:
U sluit daarbij aan op het tweede spoor van wat wij in het commissiedebat hebben gedaan, dus ik deel wat u zegt.
Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 52, van de heer Van Baarle. Deze motie moet ik ontraden. Als we aan de WOM werken, werken we aan het generieke kader. Er is nooit sprake van wettelijke maatregelen die gericht zijn op de inhoud van demonstraties. Dat is in strijd met de Grondwet, dus dat doen we niet. Daarom moet ik deze motie ontraden.
Dan ga ik naar de vraag van de heer Van den Brink over het "sight and sound"-criterium. Burgermeesters dienen zich, voor zover redelijkerwijs mogelijk, ervoor in te spannen dat een demonstratie plaatsvindt binnen gehoor- en zichtafstand van een plek of publiek waar demonstranten willen demonstreren. Welke gehoor- en zichtafstand in een bepaald geval redelijk is, kan een burgemeester bepalen aan de hand van concrete omstandigheden. Op locaties waar een hoge mate van orde en waardigheid behoort te heersen, zoals op een begraafplaats of op plekken waar de Holocaust wordt herdacht, kunnen demonstraties op verdere afstand worden geplaatst. Specifiek voor 4 mei geldt bijvoorbeeld dat de gemeente Amsterdam die herdenking zo inricht dat demonstraties waarbij geluid wordt gemaakt niet zijn toegestaan. Tegelijkertijd — we hebben net de motie van de VVD over het gesprek met burgemeesters gezien — zou ik willen toezeggen dat we in dat gesprek het vraagstuk van sight and sound met de burgemeesters bespreken, al was het maar om over hun ervaringen daarmee te horen. Indien dat inzichten oplevert die de moeite waard zijn om te delen, zullen we dat naar aanleiding van dat gesprek ook doen.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nog even aanvullend. Wat u zegt over plekken die gevoelig zijn, bijvoorbeeld een Holocaustherdenking, snap ik. Maar kan in dat gesprek dan ook worden meegenomen wat er allemaal geuit wordt bij een demonstratie die op gehoor- en zichtafstand is van een andere demonstratie? Ik zal het even heel kort vertellen: ik was zaterdag in de binnenstad van Deventer, waar een demonstratie was van een organisatie die zich inzet tegen abortussen en een stuk verderop stonden Dolle Mina's. De hele straat was beklad met woorden als "Satan", "666", "go to hell". Er werden ook leuzen geroepen, zoals "haal je kruis uit mijn kruis". Dat laatste woord zeg ik nu netjes, want er werd een ander woord gebruikt. Kan daar ook naar gekeken worden in een gesprek met burgemeesters of zo'n demonstratie wel binnen de perken blijft van de fatsoensnormen? We willen mekaar niet kwetsen in Nederland, maar in dit geval worden mensen echt op een verschrikkelijke manier gekwetst en geïntimideerd.
De voorzitter:
Het punt is duidelijk.
Minister Heerma:
Zonder in te gaan op het specifieke voorbeeld dat mevrouw Van der Plas nu noemt, is het volgens mij de vraag of we, als we het in het gesprek met de burgemeesters over sight and sound hebben, dan ook het gesprek hebben over tegendemonstraties. Dat gebeurt namelijk op veel meer onderwerpen. Ik wil toezeggen dat we dit in het gesprek willen meenemen.
De heer Van Baarle (DENK):
Over een aantal dingen denk ik fundamenteel anders. Om een voorbeeld te noemen: op het moment dat de president van Israël, Herzog, naar Nederland komt, snap ik heel erg goed dat mensen op die locatie tegen die man willen demonstreren. Ze demonstreren niet as such tegen het herdenken van de Holocaust, maar tegen de komst van die man. Wat gaat de minister nu bespreken met burgemeesters over sight and sound? Ik zou namelijk willen voorkomen dat dat instrument ingezet gaat worden op een manier waarbij de vrijheid van mensen om te demonstreren, ingeperkt wordt.
Minister Heerma:
Ook weer zonder in te gaan op het specifieke voorbeeld dat de heer Van Baarle noemt, wijs ik erop dat de vraag van het CDA is om uitleg te geven hoe burgemeesters hiermee omgaan. Dat heb ik zojuist gedaan. Dit zijn de kaders. Ik doe hier niet een voorstel om die aan te passen. Tegelijkertijd zie je in toenemende mate dat het vraagstuk van demonstraties en tegendemonstraties speelt. Dat gaat niet over het type demonstratie, dat mevrouw Van der Plas noemt. Als wij toch met burgemeesters gaan praten, wil ik hun ervaringen bespreken. Dat is ook het enige wat ik gezegd heb. Als dat tot inzichten leidt, ga ik dat terugkoppelen aan de Kamer. Ik heb er helemaal nergens op gepreludeerd dat we iets gaan aanpassen. Dat is ook niet de suggestie die ik hier wil doen. De vraag die gesteld is ... Als wij toch met burgemeesters gaan praten, dan vind ik het niet logisch dat we dit meenemen, ook horende de brede ervaringen met demonstraties en tegendemonstraties, juist op lokaal niveau. Als dat inzichten oplevert die wij terugmelden aan de Kamer, dan heeft de Kamer daar altijd weer iets over te zeggen. Dit is geen opmaat naar een heimelijk voorstel. Dit is een toezegging, gegeven de vraag die het CDA stelde.
De voorzitter:
De minister vervolgt zijn betoog. Hij had nog één vraag te beantwoorden.
Minister Heerma:
Ja. Eigenlijk vroeg de heer Flach: wil de minister zich blijven verdiepen in eenmensprotesten bij abortusklinieken? Dat wil ik toezeggen aan de heer Flach.
De voorzitter:
Dank aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Nu is het woord aan de minister van Veiligheid en Justitie, die de overige moties gaat appreciëren.
Minister Van Weel:
Dank, voorzitter. Dank aan de leden. Laat ik beginnen met nog even inhaken op wat de heer Van den Brink zei over de smurfenvloeistof. De stappen die genomen moeten worden in de voorbereiding op een pilot, namelijk dat het OM bekijkt of dit toegevoegde waarde heeft in de opsporing en de politie vervolgens kijkt hoe dat ingepast kan worden in het ME-concept en in de eigen opsporing, zijn voor het einde van het jaar afgerond. Dat wil niet zeggen dat de pilot er al voor het einde van het jaar is. Ik wil geen valse verwachtingen creëren, vandaar dat ik het nog even expliciteer.
De motie op stuk nr. 43, van mevrouw Van der Plas: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 44, van mevrouw Van der Plas: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 45, van mevrouw Abdi: oordeel Kamer. Een snelle opvolging is al staand beleid via de richtlijnen bij het OM omtrent journalisten. Uiteraard is het in elk individueel geval aan het OM om het opportuniteitsbeginsel toe te passen, maar daarmee: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 48: oordeel Kamer, als ik 'm zo mag uitleggen aan de heer Sneller dat ik in overleg ga met de politie over de vraag hoe we dit op een manier kunnen doen die niet leidt tot onnodige administratieve druk. Maar dat hoorde ik ook in uw eigen inbreng in reactie op de heer Flach. Dat neem ik dus graag mee.
De motie op stuk nr. 49 geef ik oordeel Kamer als ik de heer Clemminck mag verzoeken dat we 'm zo mogen lezen dat het uitvoeringsplan uiteindelijk een brief is waarin we de regelingen zoals die er zijn, op een rijtje zetten, zodat iedereen daar gebruik van kan maken om het doel te bereiken dat in het dictum staat gesteld.
De heer Clemminck (JA21):
Het verzoek is eigenlijk om niet alleen te kijken naar wat er al kan en wat de staande praktijk is, maar ook aan de Kamer te schetsen wat er in de toekomst nog mogelijk zou zijn aan nieuwe instrumenten en maatregelen.
Minister Van Weel:
Als we 'm dan als een tweetrapsraket mogen zien, dus dat we beginnen ... Er kan namelijk al ontzettend veel. Er wordt al heel veel gedaan. Denk aan de gemeente Eindhoven, die nu nog bezig is met rechtszaken tegen coronademonstranten die schade hebben veroorzaakt. Ik denk dus dat het probleem niet is dat er niet zo veel kan. Ik denk dat het probleem is dat niet iedereen er wat mee doet of niet weet wat er allemaal kan. Daarom wil ik beginnen met het schetsen van de mogelijkheden.
De voorzitter:
De heer Clemminck knikt instemmend.
Minister Van Weel:
De motie op stuk nr. 50 geef ik oordeel Kamer, met dezelfde kanttekening als bij de motie van mevrouw Abdi, dus dat uiteindelijk het opportuniteitsbeginsel altijd bij het OM ligt en niet bij mij.
De motie op stuk nr. 51, van de heer Clemminck, moet ik ontraden. Een belangrijk uitgangspunt bij de nieuwe bevoegdheid is dat deze gericht is op het herstel van de openbare orde en dus in die zin niet bestraffend bedoeld is. Maar natuurlijk, naast die nieuwe bevoegdheid blijft het wel mogelijk om diegenen die verdacht worden van strafbare feiten, ook daadwerkelijk te vervolgen. Daar doet de bestuurlijke verplaatsing verder niks aan af. Maar het zou oneigenlijk zijn om het heel direct te koppelen aan het middel. Daarom ontraad ik de motie.
Ten slotte. De motie op stuk nr. 53, van de heer Van Baarle, ontraad ik. We hebben de vrijheid van meningsuiting. Hoe verwerpelijk ook, het verbranden van de Koran an sich is niet strafbaar. Als dat vergezeld gaat van discriminerende of opruiende opmerkingen, kan dat natuurlijk wel het geval zijn.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit tweeminutendebat.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan over de moties stemmen op dinsdag 13 oktober. De minister van Justitie en Veiligheid gaat vertrekken. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties blijft even. We gaan zo dadelijk door met een ander onderwerp. We zijn even geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
Verkiezingen
Verkiezingen
Aan de orde is het tweeminutendebat Verkiezingen (CD d.d. 23/09).
Termijn inbreng
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is het tweeminutendebat Verkiezingen. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is aanwezig. Er hebben zich een zestal leden ingeschreven, waarvan vijf met spreektijd. Ik geef als eerste het woord aan de heer Clemminck. Hij voert het woord namens de fractie van JA21. Gaat uw gang.
De heer Clemminck (JA21):
Voorzitter, dank u wel. Naar aanleiding van het commissiedebat wil ik opmerken dat Nederland een wat lakse houding heeft gehad in het scheiden van kerk en staat. Nu worden we geconfronteerd met een nieuwe religie en cultuur die daar assertief mee omgaat. Wij worden daardoor weer met de neus op de feiten gedrukt dat wij scherper moeten zijn op wat wij wel en niet toestaan vanuit de scheiding tussen kerk en staat.
Voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gemeenten ook gebedshuizen, zoals kerken, moskeeën en synagogen, als stemlokaal kunnen aanwijzen;
van mening dat stemmen in een gebedshuis op gespannen voet staat met de scheiding van kerk en staat, ongeacht om welke godsdienst het gaat;
overwegende dat vervangende stemlokalen bereikbaar en toegankelijk moeten zijn en dat gemeenten voldoende tijd nodig hebben om geschikte locaties te vinden;
verzoekt de regering om, in overleg met gemeenten en de Kiesraad, een plan van aanpak op te stellen om het gebruik van gebedshuizen als stemlokaal op termijn uit te faseren, de gevolgen voor bereikbaarheid, toegankelijkheid, capaciteit en kosten in kaart te brengen en te bezien welke aanpassing van wet- en regelgeving nodig is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.
Zij krijgt nr. 109 (35165).
De heer Clemminck (JA21):
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Abdi. Zij voert het woord namens de fractie van PRO. Gaat uw gang.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank, voorzitter. Ik heb één motie.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat veel Nederlanders die in het buitenland wonen nu niet gebruikmaken van hun stemrecht en dat voor een deel van deze kiesgerechtigden de praktische belemmeringen waar zij tegenaan lopen bij het stemproces hier mede aan ten grondslag liggen;
overwegende dat het in het licht van de uitoefening van het stemrecht van belang is dat alle kiesgerechtigden op een laagdrempelige manier in staat moeten zijn om hun stem uit te brengen;
verzoekt de regering om in overleg met de gemeente Den Haag en de belangenbehartigers van Nederlanders in het buitenland te bezien welke concrete stappen gezet kunnen worden om het verkiezingsproces voor Nederlanders in het buitenland eenvoudiger en laagdrempeliger te maken, en de Kamer hierover in het eerste kwartaal van 2027 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Abdi en Mohandis.
Zij krijgt nr. 110 (35165).
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Vermeer had zich ingeschreven, maar ik zie dat mevrouw Van der Plas hem gaat vervangen. Dat doet zij namens de BBB-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het demonstratierecht geen vrijbrief is …
O, sorry. Mag ik even terug? Ik heb de moties van het vorige debat meegenomen, sorry. Laat iemand anders maar even eerst gaan. Ik kom zo terug.
De voorzitter:
Ja. Dan geef ik het woord aan mevrouw Huizenga. Zij voert het woord namens de D66-fractie. Gaat uw gang.
Mevrouw Huizenga (D66):
Voorzitter, dank u wel. We hebben een goed commissiedebat gevoerd met de minister. Om de stemmingen van komende dinsdag wat korter te maken dan die van gisteren, zijn er vanuit D66 geen moties. Ik ben wel blij met een aantal toezeggingen.
Wat D66 betreft kunnen we snel aan de slag met het nieuwe kiesstelsel. De brief daarover zien we graag tegemoet. Ik ben ook blij dat de minister gaat kijken naar de vlaginstructie rond de verkiezingen. Dat zou een heel mooi teken van trots op onze democratie zijn. Ik zal zelf in ieder geval op 17 maart de vlag hijsen en ik hoop vele Nederlanders met mij.
Tot slot. We hebben ook gesproken over een proef met digitaal stemmen voor Nederlanders in het buitenland. D66 blijft daar voorstander van. De minister stuurt nog een brief met de afwegingen van het kabinet om dat niet te willen of te kunnen. Ik wil hem vragen of hij daarin ook wil ingaan op de kwetsbaarheden van het huidige systeem voor deze kiezers en hoe hij die meeweegt. Briefstemmen gaat namelijk ook steeds vaker mis. Dat wordt nog te weinig benadrukt.
Dank u wel.
De heer Clemminck (JA21):
Ik heb de eerste toezegging waar de collega aan refereerde niet goed begrepen. Wellicht dat zij die nog wil herhalen.
Mevrouw Huizenga (D66):
De eerste toezegging? Wij hebben vele toezeggingen gehad in het commissiedebat. De eerste ging over … Ik weet de volgorde niet precies. We hebben een toezegging gehad op de vlaginstructie. Welke bedoelt u?
De voorzitter:
De heer Clemminck bedoelt een andere. Licht u dit even toe.
De heer Clemminck (JA21):
Ja. De collega begon met een terugblik vanuit D66 over een toezegging. De allereerste die de collega noemde, heb ik niet goed gehoord of niet goed begrepen. Zou de collega die nog even kunnen herhalen?
Mevrouw Huizenga (D66):
Dat ging over een toezegging over het nieuwe kiesstelsel. Daarover hebben we het gehad in het debat en daar zou een brief over komen. Dat is een toezegging van de minister.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng. De heer Vermeer is inmiddels gearriveerd en gaat namens de BBB-fractie zijn termijn houden.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, ik begrijp dat ik even moest ingrijpen, voorzitter.
Ik heb twee moties.
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat kiezers bij gemeenteraadsverkiezingen vaak stemmen op een kandidaat die zij persoonlijk kennen uit hun dorp, wijk of vereniging, en de partij van een kandidaat minder doorslaggevend is;
overwegende dat kandidaten daarom op het stembiljet goed herkenbaar moeten blijven aan hun naam;
constaterende dat inmiddels meer dan 100 lokale politieke partijen in een openbare brief hebben opgeroepen dat de namen van kandidaten bij gemeenteraadsverkiezingen op het stembiljet moeten blijven staan;
verzoekt de regering bij de verdere ontwikkeling en invoering van het nieuwe stembiljet te waarborgen dat bij gemeenteraadsverkiezingen de namen van de kandidaten op het stembiljet blijven staan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 111 (35165).
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er onduidelijkheid bestaat over de financiering en onderlinge banden van organisaties zoals Voor Ons Nederland, Stichting Weerbare Democratie en Stichting Democratie Monitor;
overwegende dat kiezers moeten kunnen weten wie verkiezingscampagnes financiert, ook wanneer die campagnes door andere organisaties dan politieke partijen worden gevoerd;
overwegende dat alleen vermelden welke organisatie een reclamespot uitzendt onvoldoende inzicht geeft in de achterliggende geldschieters;
verzoekt de regering vóór het einde van 2026 met voorstellen te komen om organisaties die betaalde campagnes voeren om verkiezingen te beïnvloeden, te verplichten hun donaties en de bijbehorende geldschieters openbaar te maken, met vergelijkbare openbaarmakingsdrempels als voor politieke partijen en met inzicht in financiering die via andere stichtingen wordt doorgegeven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Vermeer en Van der Plas.
Zij krijgt nr. 112 (35165).
Mevrouw Abdi (PRO):
Wij staan ook voor transparantie, heel erg, want financiers moeten kiezers inderdaad niet beïnvloeden. Maar de heer Vermeer noemt een drietal organisaties. Mijn vraag is eigenlijk: waarom deze drie organisaties specifiek opnemen en dit niet breder trekken?
De heer Vermeer (BBB):
Wat mij betreft mag dat breder getrokken worden en ik hoop ook dat de minister dat doet. Maar ik gebruik even het voorbeeld naar aanleiding van onderzoek dat in EW Magazine vermeld is. In ieder geval van deze organisaties is bekend dat zij publieke campagnes voeren om verkiezingen te beïnvloeden. Daarom pak ik deze er nu even uit, om te starten, maar het staat de minister vrij — en het liefst heb ik dat ook — om het voor alle organisaties te laten gelden. We zien bijvoorbeeld ook Wakker Dier et cetera in verkiezingstijd spotjes plaatsen om verkiezingen te beïnvloeden. Wat mij betreft kunnen die daar ook aan toegevoegd worden.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank, maar dan ook even dit ter verduidelijking, want u heeft het specifiek over organisaties. Kijkt u ook naar bepaalde particulieren? U weet dat heel veel partijen ook donaties krijgen van belanghebbenden, bijvoorbeeld als het gaat om mensen die heel graag willen staan voor de landbouw, zoals in het geval van de heer Vermeer, en zeggen: nou, daar ga ik even wat geld naartoe schuiven. Dus hoe breed wil de heer Vermeer dit trekken? Is de heer Vermeer het met mij eens dat het belangrijk is dat we hierin geen onderscheid maken en dat we dit breder trekken dan alleen organisaties, om zo niet de schijn te wekken dat het gaat om politieke voorkeur, inhoud of wat dan ook, dus dat dat er eigenlijk niet toe doet?
De heer Vermeer (BBB):
Dat is helemaal correct, maar daar voorziet de huidige wet al in en dat wordt allemaal al netjes geregistreerd. Het gaat juist om de organisaties eromheen, die niet rechtstreeks aan politieke partijen doneren maar wel de verkiezingen beïnvloeden via campagnes. Het enige wat die er op dit moment bij hoeven te zetten is dat het een politieke boodschap is, maar ze hoeven niet te vertellen waar het geld vandaan komt. Als je een beetje kijk hebt op neuromarketing bijvoorbeeld, dan zie je dat het logo van Voor Ons Nederland op afstand gewoon het logo van een bekende partij hier in de Kamer is. Dat wordt in het onderbewustzijn op deze manier aan elkaar gekoppeld. Dat is onwenselijk.
De voorzitter:
Dank voor uw inbreng. Dan gaan we luisteren naar de heer Van den Brink namens de CDA-fractie.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Allereerst dank aan de minister en zijn ambtenaren voor de beantwoording in het commissiedebat. De minister heeft een aantal toezeggingen gedaan, waar wij hem erkentelijk voor zijn. De eerste is dat er nog dit jaar een nieuwe brief komt over geschilbeslechting bij verkiezingen. Dat is heel snel. We hopen op een inhoudelijke brief, geen procedurele. Als er extra tijd voor nodig is, hebben wij daar begrip voor. Liever een goede brief die iets langer duurt, dan een snelle brief die alleen over de procedure gaat.
Wat onze suggestie betreft rond de evaluatie van de wet over bijstand in het stemhokje: we zijn blij dat de minister aangegeven heeft bereid te zijn de inwerkingtreding van die wet op te schorten tot de volgende reguliere verkiezingen, als daar redenen voor zijn. Van de minister hoor ik graag of hij er sinds het debat nieuwe signalen over heeft gekregen. Wanneer hakt hij uiterlijk de knoop door?
Tot slot, voorzitter. Vanaf deze plek wil ik mijn grote dank en waardering uitspreken aan al die vrijwilligers die zich inzetten om onze verkiezingen telkens weer soepel te laten verlopen.
Ik dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dit was de termijn van de Kamer. Er zijn vier moties. We gaan even vijf minuten schorsen en dan krijgen we een appreciatie van de minister.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Aan de orde is de voortzetting van het tweeminutendebat Verkiezingen. Ik geef het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Termijn antwoord
Minister Heerma:
Dank u wel, voorzitter. Het mooiste moment uit de eerste termijn van de Kamer was toch het moment dat mevrouw Van der Plas terugrende naar haar stoel en als de heer Vermeer terugkwam. Ik meen dat ik als Kamerlid ook één keer terug heb moeten rennen naar mijn stoel, omdat ik iets niet meegenomen had naar het spreekgestoelte.
Ik heb een paar vragen en een aantal moties. Ik zal beginnen met het appreciëren van de moties. Daarna beantwoord ik de vragen die ik heb gehoord, die veelal verwezen naar toezeggingen die al gedaan zijn. Die zal ik dus nogmaals doen, of ik zal een nadere specificering geven op de vraag.
De eerste motie, op stuk nr. 109, is van de heer Clemminck. Dat de heer Clemminck deze motie indient, is gegeven het debat dat we een paar weken geleden hebben gehad geen verrassing. Het zal voor de heer Clemminck denk ik ook niet als verrassing komen dat ik deze motie ga ontraden, ook indachtig alles wat ik er tijdens het commissiedebat al over heb gezegd. De verantwoordelijkheid voor het aanwijzen van stemlokalen ligt bij de burgemeesters en wethouders. Ik zie geen reden om gemeenten extra regels of eisen op te gaan leggen, ook indachtig de uitdaging die zij hebben ten aanzien van de toegankelijkheid van stemlokalen en in stemlokalen, en de uitdaging dat er voldoende stemlokalen in de gemeente zijn. Ik heb ook aangegeven dat er allerlei regels zijn over de neutraliteit van het stemlokaal en dat mensen daarnaast de keuzevrijheid hebben om te kiezen in welk stemlokaal zij gaan stemmen. Dat is het, heel kort samengevat. We hebben er al uitgebreid over gesproken. Ik zie dat de heer Clemminck niet tevreden is met deze appreciatie, maar ik moet 'm ontraden. Dat zal geen verrassing zijn.
Dan de motie van mevrouw Abdi en de heer Mohandis, op stuk nr. 110. De heer Mohandis deed het commissiedebat. Ik zou bijna niet durven om een interpretatie aan de motie te geven, indachtig de vragen die mevrouw Abdi er bij het vorige tweeminutendebat over stelde. Toch ontkom ik hier niet helemaal aan. Ik ga het zo duidelijk mogelijk proberen te stellen. Ik onderschrijf het belang dat de fractie van PRO hecht aan het vereenvoudigen en laagdrempeliger maken van het verkiezingsproces voor kiezers in het buitenland. Ik betrek het stemmen vanuit het buitenland daarom bij de evaluatie van elke verkiezing waarbij dit van toepassing is. Tevens voer ik hierover structureel het gesprek met de gemeente Den Haag en de Kiesraad. Ik gebruik deze evaluatie en het overleg om het verkiezingsproces voor kiezers in het buitenland verder te verbeteren. Een voorbeeld van een dergelijke verbetering betreft het wetsvoorstel dat het digitaal versturen van het briefstembewijs mogelijk maakt, zoals in het commissiedebat besproken. Ik verwacht dit wetsvoorstel voor het einde van het jaar aan uw Kamer te kunnen aanbieden. De termijn die in de motie is genoemd, is het eerste kwartaal van 2027. De eerstvolgende verkiezingen vinden plaats in maart. Ik kan er dus opnieuw naar kijken, ook in die evaluatie. Daarom kan ik de motie oordeel Kamer geven, mits mij de ruimte wordt gegeven om het voor het zomerreces naar de Kamer te sturen.
De voorzitter:
Mevrouw Abdi knikt instemmend.
Minister Heerma:
Dan kan ik deze motie oordeel Kamer geven.
Dan de twee moties van de heer Vermeer en mevrouw Van der Plas. Over de eerste motie van de heer Vermeer, op stuk nr. 111, kan ik eigenlijk hetzelfde zeggen als over de eerste motie die is ingediend in dit debat, door de heer Clemminck, de motie op stuk nr. 109. Gegeven de insteek van de BBB in het debat is deze motie geen verrassing. Ik hoop ook dat het voor de heer Vermeer geen verrassing is dat ik deze motie ga ontraden. Er komt een wetsvoorstel voor de uniformering van het nieuwe stembiljet. Een belangrijk uitgangspunt bij het ontwerp van een nieuw stembiljet is om voor alle verkiezingen hetzelfde model te gebruiken. Dat zorgt voor eenduidigheid en duidelijkheid. Kiezers stemmen dan bij iedere verkiezing op dezelfde manier, waardoor de herkenbaarheid wordt vergroot en verwarring wordt voorkomen.
Ook voor gemeenten en stembureauleden heeft één uniform model voordelen. Instructies, voorlichtingsmateriaal en telprocessen hoeven daardoor niet per verkiezing te verschillen. Dat maakt de organisatie van verkiezingen beter en uitvoerbaarder en het verkleint de kans op fouten. Ook voor de gemeenteraadsverkiezingen geldt dat je met het nieuwe stembiljet gewoon op een kandidaat stemt en een voorkeurstem kunt uitbrengen. Bovendien zijn er ook veel gemeentes die veel deelnemende partijen met grote kandidatenlijsten hebben. Daarmee zou dan, los van het onderscheid, voor die gemeentes nog steeds hetzelfde uitvouwen gelden; er zijn termen als "tafellaken" en "wandkleed" gebruikt. Indachtig het debat moet ik deze motie dus ontraden. Volgens mij heb ik in het commissiedebat ook al aangegeven dat ik verwacht dat we hierover bij de behandeling van het wetsvoorstel met elkaar zullen spreken.
Misschien als laatste, want de heer Vermeer verwees naar de brief van de 100 lokale fracties, de 100 lokale partijen. Mijn ministerie is met de initiatiefnemers van deze brief in gesprek, omdat we de signalen die er zijn serieus willen nemen. Tegelijkertijd zien wij, zoals ik ook in het commissiedebat heb gezegd, goede voorlichting, zichtbaarheid en uitleg als de oplossing, en niet het hanteren van twee verschillende stembiljetten.
De heer Vermeer (BBB):
Wat ons betreft hanteren we niet twee verschillende stembiljetten en doen we dat in alle verkiezingen niet; dat is ook een oplossing. Het is voor mij echt een probleem dat wij hier straks over gaan beslissen als Kamer, terwijl de lokale politieke partijen niet het democratische recht hebben om erover te stemmen. Dat is toch wel een rechtsongelijkheid tussen de lokale partijen en de partijen die hier ook landelijk zitten en dus besluiten over 100 lokale politieke partijen, die daar wel het gesprek over voeren, maar daar geen stemrecht over hebben. Hoe kijkt de minister daartegen aan?
Minister Heerma:
Uiteindelijk hebben de Kamer en de regering de verantwoordelijkheid om zorgvuldig wetten te maken en af te wegen. In dit geval betreft het een wet waar de Kamer over gaat. Elke fractie weegt daarin de signalen mee die ze krijgt, neem ik aan. Ik gaf al aan dat wij met deze 100 lokale partijen in gesprek zijn. Dit wetsvoorstel is gewoon een besluit dat hier voorligt. Ik moet de motie dus ontraden, maar dat is geen verrassing.
De laatste motie die de heer Vermeer en mevrouw Van der Plas hebben ingediend, op stuk nr. 112, gaat nogal ver en raakt aan heel veel. Ik moet deze motie ontraden. Ik zal daar enige toelichting op geven. De Europese Verordening betreffende transparantie en gerichte politieke reclame geldt sinds oktober vorig jaar. Politieke reclame moet gelabeld zijn en verwijzen naar een verklaring met informatie, zoals informatie over de opdrachtgever en wat die betaald heeft voor de campagne. De verordening staat geen aanvullende regels over transparantie door lidstaten toe. De overheid kan niet zomaar bepalen wat ongeoorloofd is voor maatschappelijke organisaties. Administratieve lasten moeten ook niet te groot worden. Deze argumenten zijn ook ingebracht toen de Eerste Kamer dit jaar het wetsvoorstel Wet transparantie en tegengaan ondermijning door maatschappelijke organisaties verwierp. De Europese Verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclame is sinds oktober vorig jaar van kracht. Laten we de verordening de tijd geven om zich in de praktijk te bewijzen en effect te sorteren. Het toezicht op de naleving van deze verplichting komt bij het Commissariaat voor de Media te liggen. De uitvoeringswet die dit regelt, ligt momenteel bij uw Kamer.
De heer Vermeer (BBB):
Dit is een Europese verordening over politieke partijen, maar dit zijn geen politieke partijen. De minister kan wel verwijzen naar een verordening over politieke partijen, maar de Europese verordening benoemt dit type campagnes helemaal niet. De minister kan dus ook niet zeggen dat de verordening de campagnes uitsluit, want er is gewoon helemaal niets over gezegd. Dat is ons punt. Men moet zich houden aan een verordening en dat gebeurt op dit moment, maar dit is gewoon een andere casus. De minister kan zich toch niet verschuilen achter een Europese verordening over politieke partijen? Als ik een wetsvoorstel over cavia's heb, kan er ook niet worden verwezen naar konijnen. Dat gaat hierbij dus ook niet op.
Minister Heerma:
Ik zal met de heer Vermeer niet een discussie over cavia's en konijnen aangaan. De verordening waar ik het over heb, de verordening inzake transparantie en gerichte politieke reclame, gaat over politieke reclame en niet over politieke partijen. Ik moet de motie ontraden, maar ik zou willen toezeggen dat we dit najaar de nota naar aanleiding van het verslag bij de uitvoeringswet aan de Kamer sturen. Ik ben bereid in de bijgaande brief aanvullend in te gaan op de vraag hoe het kabinet zich verhoudt tot het toezicht op de financiering van maatschappelijke organisaties. Ik loop niet vooruit op wat de inhoud daarvan zou zijn. Het is een complex vraagstuk, maar ik zou willen toezeggen dat ik erop inga bij de nota naar aanleiding van het verslag bij de uitvoeringswet. Ik moet de motie nu ontraden.
Mevrouw Abdi (PRO):
Dank aan de minister voor de appreciatie. Ik heb twee punten. Stichting Weerbare Democratie en de Stichting Democratie Monitor zijn geen organisaties die politieke reclame maken. Ik wilde het even gezegd hebben. Die organisaties zetten zich in voor onze rechtsstaat. Ik vind het belangrijk dat hier even te markeren. Daarnaast had ik net een interruptiedebatje met de heer Vermeer. Ik wil de minister vragen of hij het volgende kan bevestigen. Als een individu, een rijk iemand, zegt dat hij morgen een billboard wil kopen en campagne wil voeren voor de heer Heerma, om even een voorbeeld te noemen, dan is bij ons niet bekend wie dat doet en wordt er ook niet op gehandhaafd. Is de minister het met ons eens dat het wenselijk zou zijn als dat wel zou gebeuren?
Minister Heerma:
Ik ga verwijzen naar de appreciatie die ik net aan de heer Vermeer gaf, waarbij ik zei dat dit groot en ingewikkeld is. Dit staat los van het feit dat ik me afvraag of iemand een billboard voor mij zou moeten willen sponsoren, maar ik begrijp dat mevrouw Abdi een hypothetisch voorbeeld aanhaalt. Ik snap de vragen die erover zijn, hoe ingewikkeld het ook is. Daarom heb ik de toezegging gedaan om hierop in te gaan in de nota naar aanleiding van het verslag, zonder dat ik vooruit wil lopen op het feit dat we met allerlei voorstellen gaan komen. Ik begrijp de vragen die er aan twee kanten van de Kamer zijn over dit complexe vraagstuk. Naar aanleiding van de nota naar aanleiding van het verslag kunnen we het gesprek erover voeren. Ik moet de motie zoals die er nu ligt, met de grote ingewikkeldheid die eraan vasthangt, ontraden.
Dan zijn er een aantal vragen gesteld die betrekking hebben op toezeggingen die ik al heb gedaan. Mevrouw Huizenga had het over digitaal stemmen. Tijdens het commissiedebat heb ik een brief toegezegd. Ik zal in de brief ingaan op het huidige systeem en hoe dat systeem wordt gewogen ten opzichte van digitaal stemmen. Er was verwarring bij de heer Clemminck over de eerste toezegging. Hij bedoelde niet de toezegging van de minister, maar de eerste toezegging, waar mevrouw Huizenga naar verwees. Die had betrekking op het coalitieakkoord en het tegen het licht houden van het kiesstelsel. Ik heb in het commissiedebat toegezegd dat we medio 2027 met een brief komen over het kiesstelsel en over het toekennen van meer gewicht aan voorkeursstemmen. Dat is de toezegging waarnaar verwezen werd.
De heer Van den Brink had ook nog een tweetal vragen. De eerste ging over hulp in het stemhokje en signalen daarover. Tijdens het commissiedebat heb ik gezegd dat ik een verantwoorde inwerkingtreding van het wetsvoorstel bij de verkiezingen van maart 2027 mogelijk acht. Dat geldt nog steeds. Ook uit de praktijk bereiken mij geen signalen die erop wijzen dat dit niet gehaald kan worden. Zoals toegezegd in het commissiedebat blijf ik vanzelfsprekend in overleg met de Kiesraad en met gemeenten. Als er aanleiding toe is, zal ik stappen nemen.
De heer Van den Brink had ook nog een vraag rondom geschilbeslechting. Hij zei: ik heb liever een inhoudelijke brief dan een vroege brief. Ik kan toezeggen dat ik een inhoudelijke brief zal sturen.
De voorzitter:
Hartelijk dank aan de minister. Dat was het einde van dit commissiedebat over verkiezingen.
De beraadslaging wordt gesloten.
De voorzitter:
We gaan dinsdag 13 oktober stemmen over de ingediende moties. We gaan nu even schorsen, want we gaan in ieder geval even van voorzitter wisselen. De minister blijft wel nog zitten voor het volgende onderwerp. We zijn even geschorst.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.