Schriftelijke vragen : De leeftijdsverificatie
Vragen van het lid Keijzer (Keijzer) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over de leeftijdsverificatie (ingezonden 23 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekent met de verklaring1 van 438 security- en privacyonderzoekers uit 32 landen, die waarschuwen voor de risico’s
van grootschalige online leeftijdsverificatie en oproepen niet tot brede invoering
over te gaan zolang onvoldoende wetenschappelijk bewijs bestaat over effectiviteit
en mogelijke schade?
Vraag 2
Op welke manier heeft u deze bezwaren meegewogen in het Nederlandse standpunt2?
Vraag 3
Welk wetenschappelijk bewijs heeft u dat een Europese minimumleeftijd en de daarvoor
noodzakelijke leeftijdsverificatie daadwerkelijk leiden tot minder schade aan minderjarigen?
Vraag 4
Hoe onderbouwt u dat een Europese minimumleeftijd en leeftijdsverificatie noodzakelijk
en proportioneel zijn, gelet op de gevolgen hiervan voor privacy, informatievrijheid,
digitale inclusie en cybersecurity en de beschikbaarheid van minder ingrijpende alternatieven?
Vraag 5
Waarom kiest u voor een generieke, door de overheid vastgestelde minimumleeftijd,
in plaats van dat u ouders zelf laat beoordelen of hun kind sociale media mag gebruiken?
Vraag 6
Heeft u minder ingrijpende maatregelen onderzocht, zoals ouderlijke toestemming, effectieve
ouderlijke controles, kindvriendelijke standaardinstellingen en beperkingen op verslavende
ontwerptechnieken? Zo nee, waarom niet?
Vraag 7
Waarom kan het doel volgens u niet voldoende door de lidstaten zelf worden bereikt?
Vraag 8
Hoe verhoudt een Europese minimumleeftijd zich tot het subsidiariteitsbeginsel, mede
gelet op de verantwoordelijkheid van lidstaten voor onderwijs en jeugdbeleid?
Vraag 9
Waarom kan Europa niet de veiligheid van grensoverschrijdende platforms reguleren
en leeftijd, opvoeding en toegang aan de lidstaten laten?
Vraag 10
Hoe beoordeelt u de eerste resultaten uit Australië, waar na invoering van een minimumleeftijd
van zestien jaar, het aandeel jongeren onder de zestien dat sociale media gebruikt
na drie maanden slechts daalde van 85,9% naar 81,5%?
Vraag 11
Deelt u de mening dat de bedoelde en onbedoelde effecten van de Australische aanpak
op langere termijn moeten worden onderzocht voordat Europa een vergelijkbaar stelsel
invoert? Zo nee, waarom niet?
Vraag 12
Bent u bereid geen onomkeerbare stappen richting verplichte Europese leeftijdsverificatie
te zetten voordat voldoende empirisch bewijs bestaat over effectiviteit, omzeiling
en onbedoelde gevolgen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 13
Heeft u onderzocht in welke mate leeftijdsverificatie kan worden omzeild, bijvoorbeeld
met accounts of identificatiemiddelen van anderen, VPN’s of andere technische methoden?
Vraag 14
Hoe voorkomt u dat verplichte leeftijdsverificatie ertoe leidt dat alle internetgebruikers
hun leeftijd moeten aantonen om toegang te krijgen tot alledaagse onlinediensten,
informatie en communicatie?
Vraag 15
Welke technische en juridische waarborgen voorkomen dat infrastructuur voor leeftijdsverificatie
later wordt gebruikt voor andere persoonskenmerken of toegangsbeperkingen?
Vraag 16
Welke persoonsgegevens worden bij de beoogde leeftijdsverificatie verwerkt, door welke
partijen, welke gegevens worden bewaard en hoe lang?
Vraag 17
Hoe kan een volwassene die geen European Union Digital Identification (EUDI) Wallet,
Europese leeftijdsverificatie-app of vergelijkbaar middel kan of wil gebruiken zijn
leeftijd aantonen en toegang behouden tot diensten waarvoor een leeftijdsgrens geldt?
Vraag 18
Kan het gebruik van een EUDI Wallet of Europese leeftijdsverificatie-app volgens het
kabinet werkelijk vrijwillig zijn als het alternatief geen toegang biedt of meer persoonsgegevens
verwerkt, minder privacybescherming biedt of anderszins meer bezwaren oplevert?
Vraag 19
Welke technische waarborgen voorkomen dat leeftijdsverificaties bij verschillende
diensten aan elkaar kunnen worden gekoppeld of dat een centrale partij kan vaststellen
bij welke diensten een gebruiker zijn leeftijd heeft aangetoond?
Vraag 20
Heeft u onderzocht of minderjarigen door leeftijdsverificatie kunnen uitwijken naar
buitenlandse of minder gereguleerde diensten met grotere risico’s op schadelijke inhoud,
fraude, malware of kwaadwillende volwassenen?
Vraag 21
Welk bewijs heeft u dat toegangsbeperking op basis van leeftijd effectiever is dan
het rechtstreeks aanpakken van schadelijke eigenschappen van sociale media?
Vraag 22
Kan strengere handhaving van de Digital Services Act hetzelfde doel met een minder
ingrijpend middel bereiken?
Vraag 23
Heeft u onderzocht welke gevolgen een generieke minimumleeftijd heeft voor minderjarigen
die online informatie, steun of lotgenoten zoeken, die in hun directe omgeving moeilijk
te vinden zijn, waaronder LHBTI-jongeren, jongeren met een beperking en jongeren met
een zeldzame aandoening? Hoe is dit meegewogen in de proportionaliteitstoets en hun
recht op toegang tot informatie?
Vraag 24
Hoe heeft u de Franse situatie meegewogen, waar de Conseil constitutionnel een wettelijke
minimumleeftijd voor sociale media disproportioneel achtte vanwege onder meer de gevolgen
voor de vrijheid van meningsuiting en toegang tot informatie? Zo nee, waarom niet?
Vraag 25
Heeft u een analyse uitgevoerd naar de gevolgen voor volwassenen bij verplichte leeftijdsverificatie?
Vraag 26
Kunt u de eigen Nederlandse onderbouwing voor het pleidooi in Europa aan de Kamer
verstrekken, waarin effectiviteit, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit
worden onderbouwd met empirische gegevens en minder ingrijpende alternatieven worden
afgewogen, zonder uitsluitend te verwijzen naar nog uit te voeren onderzoek of uitwerking
door de Europese Commissie?
Indieners
-
Gericht aan
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat -
Indiener
Mona Keijzer, Kamerlid