Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Moinat over het verband tussen maatschappelijke zorgen en het hebben van een psychische aandoening
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het verband tussen maatschappelijke zorgen en het hebben van een psychische aandoening (ingezonden 4 september 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 22 september
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Verband tussen maatschappelijke zorgen en het hebben
van een psychische aandoening» en de resultaten van de tweede meting van NEMESIS-3
van het Trimbos-instituut?1
Antwoord 1
Ja, ik ben hiermee bekend.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de uitkomst dat volwassenen die zich veel zorgen maken over maatschappelijke
problemen, waaronder internationale spanningen, energievoorziening en de kosten van
het dagelijks leven, vaker een psychische aandoening hebben dan mensen die hierover
geen of weinig zorgen hebben?
Antwoord 2
De resultaten laten een verband zien tussen maatschappelijke zorgen en het hebben
van psychische aandoeningen. Wel is het belangrijk om voorzichtig te zijn met de interpretatie
van de gevonden resultaten. Uit de resultaten van het onderzoek kan geen rechtstreeks
verband worden afgeleid dat maatschappelijke zorgen leiden tot psychische aandoeningen.
Het Trimbos Instituut benadrukt daarbij dat niet kan worden vastgesteld wat oorzaak
en gevolg is. Het is mogelijk dat mensen die zich meer zorgen maken over maatschappelijke
ontwikkelingen een groter risico hebben op een psychische aandoening, maar het kan
ook zijn dat mensen met een psychische aandoening zich juist meer zorgen maken over
maatschappelijke ontwikkelingen.
Ondanks deze nuancering onderstrepen de uitkomsten het belang van een brede blik op
mentale gezondheid. Het is daarbij belangrijk om niet alleen te kijken naar psychische
klachten, maar ook naar de omstandigheden waarin mensen leven. Psychische problemen
staan immers niet altijd op zichzelf en kunnen samengaan met zorgen of problemen op
andere leefgebieden. Door de leefwereld van mensen centraal te stellen en ondersteuning
en zorg waar nodig in samenhang te organiseren, kan beter worden aangesloten bij wat
mensen nodig hebben om hun mentale gezondheid te versterken en te herstellen.
Over de aanvullende inzet van het kabinet voor mentale gezondheid en GGZ wordt de
Kamer geïnformeerd in de Toekomstbrief mentale gezondheid en GGZ, die voorafgaand
aan de VWS-begrotingsbehandeling wordt toegezonden.
Vraag 3
Hoe beoordeelt u specifiek de uitkomst dat 28 procent van de mensen die zich veel
zorgen maken over de kosten van het dagelijks leven een psychische aandoening heeft,
en dat bij deze groep stemmings- en angststoornissen vaker voorkomen?
Antwoord 3
In 2023 publiceerde het Trimbos Instituut de factsheet «Financiële situatie van mensen
met ernstige psychische aandoeningen».2 Hierin benoemt het Trimbos Instituut dat uit onderzoek blijkt dat het hebben van
financiële problemen (sterk) samenhangt met psychische klachten. Zo zorgen blijvende
financiële problemen vaak voor stress en kunnen ze bijvoorbeeld de mate waarin mensen
angst- en depressieklachten ervaren versterken. Volgens het Trimbos Instituut wijst
onderzoek ook op de tweezijdigheid van deze relatie: financiële problemen verhogen
de kans op psychische problemen en mensen met psychische problemen hebben meer kans
op financiële problemen.
Tegen die achtergrond is het niet verrassend dat ook uit het NEMESIS-onderzoek blijkt
dat er een verband bestaat tussen het hebben van veel zorgen over de kosten van het
dagelijks leven en het hebben van een psychische aandoening. Echter, zoals bij de
beantwoording van de vorige vraag aangegeven, is niet duidelijk wat oorzaak en wat
gevolg is.
Wel onderstreept deze uitkomst dat het belangrijk is om zowel bij preventie als bij
ondersteuning en zorg voor mentale problemen, oog te hebben voor financiële en andere
maatschappelijke omstandigheden van mensen en de zorgen die zij daarover ervaren.
Het kabinet stimuleert dan ook dat mentale gezondheid zo goed mogelijk wordt meegenomen
in alle andere beleidsterreinen. In het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend
Zorg en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn afspraken gemaakt om samenwerking tussen partijen
op het snijvlak van (eerstelijns)zorgdomein en sociaal domein te versterken. Zo wordt
vanuit het AZWA onder meer ingezet op het versterken van sociaal verwijzen. Sociaal
verwijzen bevordert passende en tijdige ondersteuning op de juiste plek, voor (jong)volwassenen
met psychosociale problemen die een sociaal-maatschappelijke oorzaak hebben. Middels
de basisfunctionaliteit sociaal verwijzen wordt bevorderd dat inwoners vanuit de eerstelijnszorg
naar het sociaal domein worden verwezen en vandaaruit passende ondersteuning krijgen,
wanneer (enkel) (para)medisch aanbod geen oplossing biedt.
Vraag 4
Wat is uw reactie op de bevinding dat juist jongvolwassenen van 21 tot en met 27 jaar
vaker veel zorgen hebben over de kosten van het dagelijks leven?
Antwoord 4
Het kabinet neemt deze zorgen serieus. Deze groep staat in een belangrijke fase in
hun leven: ze studeren, starten op de arbeidsmarkt, bouwen aan hun toekomst en hebben
vaak nog beperkte financiële buffers. Een stabiel inkomen, passend werk en betaalbare
huisvesting dragen bij aan mentale gezondheid.
Begin oktober 2026 ontvangt de Tweede Kamer de Toekomstbrief mentale gezondheid en
ggz, waarin het kabinet ingaat op het belang van «mentale gezondheid in alle beleidsterreinen».
Vraag 5
Welke betekenis geeft u aan deze onderzoeksresultaten voor het huidige beleid gericht
op de mentale gezondheid van jongvolwassenen, mede gezien het feit dat ook uit andere
landelijke cijfers blijkt dat mentale problematiek relatief vaak voorkomt onder jongvolwassenen?
Antwoord 5
Het kabinet vindt het zorgelijk dat de mentale gezondheid van jongvolwassenen onder
druk staat. Het onderzoek laat zien dat mentale gezondheid samenhangt met verschillende
factoren, zoals zorgen over de woningmarkt of de kosten van het dagelijks leven. Hoewel
deze zorgen niet specifiek zijn voor jongvolwassenen, blijkt uit het onderzoek dat
zorgen over de kosten van het dagelijks leven bij deze groep relatief vaak een rol
spelen. De bevindingen bevestigen het belang van de huidige brede aanpak van mentale
gezondheid, zoals toegelicht bij vraag 3. Deze richt zich onder meer op het bespreekbaar
maken van mentale gezondheid en het versterken van mentale vaardigheden, die het kabinet
ondersteunt met instrumenten zoals het platform In je Bol3 en Checkers4. Daarnaast zet het kabinet in op mentaal gezonde leefomgevingen, onder meer in het
onderwijs en op het werk5 en heeft het aandacht voor bredere factoren die van invloed zijn op de mentale gezondheid,
zoals bestaanszekerheid. Begin oktober 2026 komt het kabinet met de Toekomstbrief
mentale gezondheid en ggz waarin het kabinet met aanvullende maatregelen komt om met
een brede aanpak de mentale gezondheid van (jong)volwassenen in Nederland te versterken.
Vraag 6
Wordt binnen NEMESIS-3 vervolgonderzoek gedaan waarmee meer inzicht kan worden verkregen
in de relatie of maatschappelijke zorgen het risico op een psychische aandoening vergroten,
of dat mensen met een psychische aandoening zich sneller zorgen maken over maatschappelijke
ontwikkelingen? Zo nee, bent u bereid dit te laten onderzoeken?
Antwoord 6
Het Trimbos Instituut geeft aan dat de opzet van NEMESIS-3 in principe de mogelijkheid
biedt om vervolgonderzoek te doen naar de richting van het verband tussen maatschappelijke
zorgen en psychische aandoeningen. Dat kan wanneer de gegevens van de derde meting
beschikbaar zijn. De derde meting van NEMESIS-3 loopt momenteel en wordt naar verwachting
eind 2027 afgerond. Te zijner tijd zal met het Trimbos Instituut in gesprek gegaan
worden over eventuele uitwerking van dit onderwerp.
Omdat NEMESIS-3 een observationeel onderzoek is, kunnen de gegevens overigens geen
definitief causaal verband aantonen.
Vraag 7
De hoofdonderzoeker stelt dat het goed is om te kijken of maatschappelijke zorgen
een rol spelen wanneer mensen hulp zoeken. In hoeverre worden financiële zorgen en
andere maatschappelijke problemen momenteel daadwerkelijk betrokken bij de beoordeling en ondersteuning van mensen die hulp zoeken
vanwege mentale klachten?
Antwoord 7
Hier heeft het kabinet geen zicht op; dit gebeurt immers in de vertrouwelijkheid van
de spreekkamer. Het is aan professionals in zorg en sociaal domein om een zo goed
mogelijk beeld te krijgen van iemands hulpvraag, en de vervolgstappen ten aanzien
van ondersteuning of behandeling hierop aan te laten sluiten. Maatschappelijke zorgen
kunnen zeker onderdeel zijn van het gesprek wanneer iemand kampt met mentale klachten.
In AZWA zijn afspraken gemaakt over (door)ontwikkeling van mentale gezondheidsnetwerken,
en daarbinnen het «verkennend gesprek». Bij een verkennend gesprek gaan een ggz-behandelaar
en een medewerker van het sociaal domein samen in gesprek met de patiënt, om zo te
onderzoeken wat precies de hulpvraag is, en welke hulp of zorg daar het beste bij
aansluit. Het verkennend gesprek heeft een brede insteek, waarbij ook financiële zorgen
en zorgen over andere maatschappelijke problemen kunnen worden meegenomen.
Vraag 8
Welke concrete beleidsconsequenties verbindt u aan de resultaten van dit onderzoek,
dat in opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt uitgevoerd,
en bent u bereid de Kamer hierover te informeren?
Antwoord 8
Zoals toegelicht bij vraag 3 en 5, bevestigen de resultaten het belang van een brede
aanpak van mentale gezondheid, met daarbij aandacht voor maatschappelijke factoren
die van invloed zijn op de mentale gezondheid. Begin oktober 2026 komt het kabinet
met de Toekomstbrief mentale gezondheid en ggz. Daarmee wordt de Kamer geïnformeerd
over de verdere beleidsinzet voor de mentale gezondheid van (jong) volwassenen en
ggz in Nederland.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport