Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Buhler en Lohman over de toenemende kwetsbaarheid van de Nederlandse chemische industrie door goedkope Chinese importen
Vragen van de leden Buhler en Lohman (beiden CDA) aan de Minister van Economische Zaken en Klimaat en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking over de toenemende kwetsbaarheid van de Nederlandse chemische industrie door goedkope Chinese importen (ingezonden 25 augustus 2026).
Antwoord van Minister Herbert (Economische Zaken en Klimaat), van de Minister van
Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking en van de Minister van Klimaat en
Groene Groei (ontvangen 21 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Rabo: goedkope Chinese chemie maakt Nederlandse economie
kwetsbaarder»1 waaruit blijkt dat Nederland relatief veel geïmporteerde Chinese chemie verwerkt
in de eigen productie en dat een eventuele verdere prijsdaling van Chinese chemische
producten de Nederlandse chemische sector opnieuw fors kan raken?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de zorg dat een toenemende afhankelijkheid van Chinese chemische halffabrikaten
en eindproducten de Nederlandse economie kwetsbaarder maakt voor geopolitieke druk,
exportrestricties en handelsspanningen?
Antwoord 2
Het kabinet deelt deze zorg, voor zover deze ontwikkeling in directe relatie staat
tot het verlies van strategische productiecapaciteit binnen Nederland en de EU. Wederzijdse
afhankelijkheden zijn een normaal en belangrijk onderdeel van het mondiale handelssysteem
en zijn op zichzelf niet onwenselijk. Van een ongewenste strategische afhankelijkheid
is sprake wanneer een product, dienst of technologie van cruciaal belang is voor het
borgen van publieke belangen van Nederland en/of de EU, voor de continuïteit van vitale
processen of wanneer sprake is van toegang tot gevoelige informatie voor derden, en
er tegelijkertijd een hoog risico op leveringsonderbreking bestaat.
Dit geldt niet voor alle chemische halffabricaten en eindproducten. Voor chemische
halffabricaten en eindproducten geldt, in beginsel, dat per product verschilt hoe
strategisch en hoe risicovol een afhankelijkheid is. De chemische industrie vormt
echter een belangrijke basis voor een groot aantal andere industriële waardeketens
in Nederland en de EU. Het behoud van voldoende en concurrerende chemische productiecapaciteit
is daarom van groot economisch en strategisch belang. Het verder wegvallen van deze
productiecapaciteit kan niet alleen leiden tot nog grotere afhankelijkheid van import,
maar ook de weerbaarheid en concurrentiekracht van bredere industriële waardeketens
onder druk zetten.
Vraag 3
Heeft u in beeld voor welke chemische grondstoffen, halffabrikaten en eindproducten Nederland en Europa in toenemende mate afhankelijk zijn van China en bij
welke daarvan het verdwijnen van Europese productiecapaciteit een risico vormt voor
onze economische veiligheid? Zo nee, bent u bereid dit in kaart te brengen?
Antwoord 3
Eén van de doelen van het economisch veiligheidsbeleid is het verminderen en voorkomen
van risicovolle strategische afhankelijkheden. Hiertoe is de interdepartementale Taskforce
Strategische Afhankelijkheden (TFSA) opgericht. In het kader van de TFSA worden door
de departementen analyses uitgevoerd om risicovolle strategische afhankelijkheden
te identificeren. Of en in welke mate onderdelen van de chemische sector kwetsbaar
zijn door dergelijke risicovolle strategische afhankelijkheden, is onderzocht. Dit
onderzoek is echter vertrouwelijk. Het kabinet is graag bereid de resultaten hiervan
in een vertrouwelijke technische briefing toe te lichten. Daarnaast worden er op Europees
niveau binnen de Critical Chemicals Alliance strategische chemicaliën en productiesites geïdentificeerd en gewerkt aan maatregelen
om de productie hiervan in Europa te behouden. Dit gebeurt op basis van een methode
die is vastgesteld binnen deze alliantie.
Vraag 4
Hoe beoordeelt u de conclusie dat goedkope Chinese importen op korte termijn voor
sommige sectoren voordelen kunnen opleveren, maar op langere termijn kunnen leiden
tot verlies van strategische industriële capaciteit in Nederland en Europa?
Antwoord 4
Het kabinet erkent dat goedkope importen uit China op korte termijn economische voordelen
kunnen opleveren, onder meer via lagere prijzen voor eindgebruikers en lagere kosten
voor producenten. Daardoor kunnen dergelijke importen bijdragen aan een versterking
van de concurrentiepositie, specialisatie en innovatie, wat ook op lange termijn positief
kan uitwerken. Daarbij kan het voorkomen dat comparatieve voordelen die China geniet
ertoe leiden dat bepaalde industrieën (deels) uit Nederland of Europa verdwijnen.
Tegelijkertijd vindt het kabinet het van belang om in strategische sectoren zorgvuldig
te beoordelen of dergelijke importen op langere termijn kunnen leiden tot een ongewenst
verlies aan industriële capaciteit in Nederland en Europa. De sluiting van strategische
bedrijven is vooral zorgelijk wanneer deze het gevolg is van oneerlijke concurrentie,
bijvoorbeeld door dumping, ongeoorloofde subsidies, door fossiele producten die strengere
EU-normen voor verduurzaming omzeilen, of wanneer hierdoor strategische afhankelijkheden
ontstaan die economische en veiligheidsrisico’s voor Nederland en de EU creëren of
vergroten. In gevallen van dumping of ongeoorloofde subsidies kan in Europees verband
worden opgetreden met het handelsdefensieve instrumentarium van de EU (zoals antidumping-
of anti-subsidiemaatregelen) om een eerlijk en gelijk speelveld te waarborgen.
Vraag 5
Op welke wijze betrekt u deze ontwikkeling bij de uitvoering van het rapport-Wennink
en welke concrete stappen zijn sinds het verschijnen daarvan gezet om de Nederlandse
chemische industrie en andere energie-intensieve sectoren structureel te versterken?
Antwoord 5
Het rapport Wennink stelt terecht dat Nederland en Europa strategisch relevant moeten
worden en blijven door gericht in te zetten op strategische domeinen om zo een onmisbare
rol te blijven spelen in mondiale hoogtechnologische waardeketens.2
Het kabinet voert gericht industriebeleid op specifieke sectoren. Dit zijn zes markten
waar Nederland zich internationaal op kan onderscheiden en die sterk bijdragen aan
het Nederlandse verdienvermogen, onze weerbaarheid en maatschappelijke missies. Innovatieve
chemie is één van de zes focusgebieden.3
Vraag 6
Erkent u dat er inmiddels stappen zijn gezet op het gebied van compensatie voor hoge
energiekosten, maar dat dit alleen onvoldoende is om structurele achterstand ten opzichte
van concurrenten buiten Europa weg te nemen?
Antwoord 6
Om over de gehele breedte de positie van de industrie te versterken is het ook noodzakelijk
om te kijken naar het stimuleren van de vraag naar schone producten, het adresseren
van oneerlijke concurrentie met derde landen en versnellen van procedures om verduurzamingsprojecten
te realiseren. De Industrial Accelerator Act (IAA) levert hier een belangrijke bijdrage aan om dit in EU-verband vorm te geven.
Momenteel wordt over het voorstel van de Commissie onderhandelt. Uw Kamer is over
de Nederlandse inzet middels een BNC-fiche geïnformeerd.4
Vraag 7
Welke aanvullende maatregelen neemt u om te voorkomen dat energie-intensieve industrie
in Nederland verder krimpt of verdwijnt voordat Europese instrumenten daadwerkelijk
effect sorteren?
Antwoord 7
Het kabinet treft nationale maatregelen om het gelijk speelveld voor de energie-intensieve
industrie te verbeteren. In het Coalitieakkoord is opgenomen dat de CO2-heffing wordt afgeschaft en de hoge elektriciteitskosten voor de industrie gemitigeerd
worden met de IKC-regeling en de envelop tegemoetkoming elektriciteitskosten. Het
kabinet breidt de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS) uit met 22 extra
(sub)sectoren, in lijn met de door de Europese Commissie geboden nieuwe mogelijkheden
binnen het Europese staatssteunkader. De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren
die door hoge elektriciteitskosten in zwaar weer verkeren, zoals de chemiesector.
Verder heeft het kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten
waarvoor op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. De Kamer wordt binnenkort
per brief nader geïnformeerd over de opties voor elektriciteitskosten envelop en de
vormgeving van de Indirecte Kosten Compensatie (IKC). Daarnaast zet het kabinet in
op het realiseren van randvoorwaarden voor verduurzaming, zoals infrastructuur voor
elektriciteit en CO2-opslag.
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat Nederland zich bij de onderhandelingen over de EU-verordening
Industrial Accelerator Act (IAA) actief moet inzetten voor concrete vraagcreatie naar
Europese en koolstofarme industriële producten? Welke inzet pleegt Nederland hiervoor
in Brussel?
Antwoord 8
Vraagcreatie is één van de prioriteiten van Nederland bij de vormgeving van de IAA.
Vraagcreatie geeft zekerheid dat er een afzetmarkt is voor schone producten uit de
industrie. Het kabinet is van mening dat er meer ambitie in de IAA nodig is om beleid
op vraagcreatie te versterken. Concreet zet Nederland in op instrumenten voor vraagcreatie
in meer sectoren, gradueel oplopende productnormen voor koolstofarme productie en
verplichte duurzaamheidslabels. Zie hiervoor ook het fiche over de Nederlandse inzet
met betrekking tot de Industrial Accelerator Act.5
Vraag 9
Welke mogelijkheden ziet u om publieke inkoop door Rijk, decentrale overheden en publieke
instellingen nadrukkelijker in te zetten voor Europese, koolstofarme en strategisch
belangrijke producten, binnen de kaders van het Europese aanbestedingsrecht?
Antwoord 9
Binnen de huidige kaders van het Europees aanbestedingsrecht staat het aanbestedende
instanties vrij om kwalitatieve eisen te stellen binnen hun aanbesteding, zolang deze
niet-discriminatoir zijn voor bedrijven uit EU-lidstaten, landen waarmee de EU een
handelsovereenkomst met relevante afspraken over wederzijdse toegang tot elkaars aanbestedingsmarkt
heeft afgesloten, of deelnemende landen aan het Government Procurement Agreement. Hiermee kan dus vooral de vraag naar schonere/koolstofarme producten gestimuleerd
worden.
In de Industrial Accelerator Act worden vereisten voor publieke aanbestedingen opgesteld voor koolstofarme producten
en de herkomst hiervan. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om staal, aluminium, cement,
elektrische voertuigen en een aantal nettonultechnologieën uit de Net Zero Industry Act (NZIA). Op deze wijze krijgen aanbestedende diensten nieuwe extra handvatten om koolstofarme
strategisch belangrijke producten in te kopen bij bedrijven uit EU-landen of landen
waarmee de EU-handelsovereenkomsten heeft.
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat vraagcreatie en inkoop door overheidsorganen cruciaal zijn
om de Europese industrie weer perspectief te geven, met name in strategische sectoren
zoals chemie, staal, aluminium, cement, batterijen, net-zero technologieën en andere
energie-intensieve industrie?
Antwoord 10
Die opvatting deelt het kabinet. Zie ook het fiche van de Industrial Accelerator Act.6
Vraag 11
Bent u bereid om in Europees verband te pleiten voor duidelijke, uitvoerbare en ambitieuze
criteria voor «Made in EU» en koolstofarme producten bij publieke aanbestedingen en
publieke steunregelingen?
Antwoord 11
Nederland pleit in Europees verband voor duidelijke en uitvoerbare definities van
koolstofarme productnormen.
De Nederlandse inzet in Europees verband ten aanzien van «Made in EU»-criteria (oftewel
een EU-voorkeursprincipe) in de Industrial Accelerator Act is opgenomen in het fiche
over dit voorstel.7 Ten aanzien van een EU-voorkeursprincipe is het kabinet terughoudend met de inzet
hiervan. Nederland heeft als open economie baat bij een zoveel mogelijk open handels-
en investeringsklimaat. Het kabinet hanteert daarom in de beleidsaanpak economische
veiligheid het credo «open waar het kan, gesloten waar het moet». Indien minder ingrijpende
maatregelen niet voldoende zijn en indien het verenigbaar is met internationale juridische
verplichtingen van de EU, kan het EU-voorkeursprincipe wel worden gebruikt om de weerbaarheid
van de Unie te versterken. Het kabinet zal per sector zorgvuldig afwegen of de baten
opwegen tegen de kosten van een EU-voorkeursprincipe.
Vraag 12
Wanneer komt u, via de Critical Chemicals Alliance (CCA), met een concreet actieplan
voor vraagcreatie via publieke inkoop, inclusief tijdpad, verantwoordelijke departementen
en betrokken publieke opdrachtgevers?
Antwoord 12
De Critical Chemicals Alliance (CCA) is een Europees initiatief, mede tot stand gekomen met expliciete steun van
Nederland, omdat de uitdagingen voor de Europese chemische industrie niet uitsluitend
nationaal van aard zijn en primair om een Europese aanpak vragen. De chemische industrie
vormt een essentiële basis voor veel industriële waardeketens in Nederland en de EU.
Het versterken van de productiecapaciteit en concurrentiekracht van de Europese chemische
industrie draagt daarmee bij aan het Europese concurrentievermogen, de strategische
autonomie en de weerbaarheid van de EU. Een Europese aanpak is daarin van belang om
een gelijk speelveld binnen de interne markt te waarborgen en te voorkomen dat lidstaten
afzonderlijk uiteenlopende nationale maatregelen nemen.
De aanbevelingen van de verschillende werkgroepen worden naar verwachting in oktober
vastgesteld. Kort daarna zal het kabinet de aanbevelingen van de CCA appreciëren en
de Kamer hierover informeren. Het kabinet zal daarbij in het bijzonder bezien welke
aanbevelingen zich lenen voor Europese opvolging en welke bijdrage Nederland hieraan
kan leveren.
Nederland blijft zich er in de tussentijd in Europees verband voor inzetten dat de
Europese Commissie de aanbevelingen van de CCA voortvarend en adequaat omzet in concrete
maatregelen. Daarbij is het van belang dat vraagcreatie op Europees niveau wordt ontwikkeld,
zodat dit daadwerkelijk bijdraagt aan het versterken van de Europese chemische industrie
en tegelijkertijd het gelijke speelveld binnen de EU wordt behouden.
Vraag 13
Hoe voorkomt u dat overheidsinkoop primair blijft sturen op prijs als doorslaggevend criterium, terwijl daarmee onbedoeld de strategische afhankelijkheid van
niet-Europese leveranciers wordt vergroot?
Antwoord 13
Regelgeving laat aanbestedende diensten tot nu toe vrij om zelf de afweging te maken
tussen prijs of kwaliteit als doorslaggevend criterium. Maar de Europese Commissie
heeft ook aangegeven dat ze met het voorstel voor herziene aanbestedingsregelgeving
wil stimuleren dat er meer op kwaliteit in plaats van laagste prijs wordt gegund in
de EU. De Europese Commissie heeft hierover op 9 september een voorstel gepresenteerd.
U ontvangt hierover binnen de afgesproken tijdspaden een BNC-fiche.
Uit data van het aanbestedingsplatform TenderNed blijkt dat in Nederland al ongeveer
80% van de aanbestedingen gegund wordt op basis van de beste kwaliteit in plaats van
laagste prijs. Nederland zit in de top-drie landen die op beste kwaliteit gunt en
dit aantal is ook toegenomen de afgelopen tien jaar.8 Prijs wordt daarmee dus niet primair gebruikt als doorslaggevend criterium.
Vraag 14
Welke concrete stappen heeft u sinds de aanneming van de motie-Bühler c.s.9 gezet om binnen de EU te komen tot een snellere inzet van handelsbeschermende instrumenten
tegen staatsgesteunde overcapaciteit en oneerlijke concurrentie, waaronder in de chemische
sector?
Antwoord 14
Zoals ook aangegeven in het schriftelijk overleg inzake de Raad voor Concurrentievermogen
van 9 en 10 juli 202610 steunt het kabinet de inzet van de handelsdefensieve instrumenten van de EU waar
dat kan bijdragen aan het gelijktrekken van het speelveld, en aan het beschermen van
strategische sectoren tegen marktverstorende praktijken uit derde landen. Vanwege
de toename van marktverstorende praktijken zoals dumping en ongeoorloofde subsidiëring,
bestaat ook vanuit de industrie een toenemende vraag naar de inzet van het handelsdefensief
instrumentarium. Het kabinet ziet ruimte voor verbetering van dit instrumentarium,
evenals de strategische inzet ervan, om snel, adequaat en effectief op te kunnen blijven
treden tegen marktverstorende praktijken. Het kabinet zet zich hier in Europees verband
dan ook nadrukkelijk voor in. Zo heeft Nederland recent, o.a. omwille van de situatie
in de chemiesector, een paper gesteund waarin wordt gepleit om de handelsdefensieve
instrumentaria van de EU te verbeteren.
Vraag 15
Bent u bereid om in EU-verband actiever te pleiten voor inzet van handelsinstrumenten,
wederkerigheid in aanbestedingen en strengere voorwaarden voor markttoegang wanneer
sprake is van staatssteun, dumping of strategische afhankelijkheidsrisico’s?
Antwoord 15
Het kabinet steunt de Europese Commissie bij een effectieve inzet van het Europese
handelsinstrumentarium om haar markt tegen oneigenlijke concurrentie te beschermen.
Daaronder vallen niet alleen klassieke handelsdefensieve instrumenten zoals antidumping
of antisubsidiemaatregelen, maar bijvoorbeeld ook het Instrument Internationale Overheidsopdrachten
(International Procurement Instrument, IPI) dat als doel heeft om meer wederkerigheid op de internationale aanbestedingsmarkten
te creëren. Daarnaast kent de EU sinds 2023 de verordening buitenlandse subsidies
(Foreign Subsidies Regulation, FSR) die interne marktverstorende buitenlandse subsidies poogt te adresseren. Parallel
aan de inzet van deze instrumenten blijft de EU onverminderd inzetten op handelsdiversificatie
via nieuwe handelsakkoorden en tracht zij via dialoog handelsbelemmeringen voor Europese
bedrijven in derde landen weg te nemen. De EU zet dus reeds op meerdere fronten actief
in om haar economische belangen te beschermen. Tegelijkertijd ziet het kabinet ruimte
voor verbetering van het bestaande handelsdefensieve instrumentarium om adequaat te
kunnen blijven optreden tegen het toenemende aantal marktverstorende praktijken door
derde landen.
Vraag 16
Bent u bereid deze vragen tijdig te beantwoorden, voorafgaand aan het commissiedebat
(formele) Raad voor Concurrentievermogen (interne markt en industrie, onderzoek) van
22 september 2026, zodat de Kamer de antwoorden kan betrekken bij het commissiedebat
over de Nederlandse inzet voor de Raad van Concurrentievermogen van 24 en 25 september
2026?
Antwoord 16
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat -
Mede ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking