Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Moinat over voogdij na het overlijden van ouders
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over voogdij na het overlijden van ouders (ingezonden 31 augustus 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 21 september
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Lisa Bal (36) uit Een Huis Vol nam de kinderen van haar overleden zus in huis: «Jeugdzorg
zou de voogdij krijgen, daar ben ik voor gaan liggen»»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Deelt u de mening dat na het overlijden van beide ouders eerst moet worden onderzocht
of kinderen veilig bij familie of binnen hun vertrouwde netwerk kunnen worden opgevangen?
Antwoord 2
Ja. Bij het overlijden van beide ouders met gezag wordt als eerste onderzocht of opvang
bij de familie of binnen het vertrouwde netwerk van het kind mogelijk is.
Vraag 3
Op basis van welke criteria wordt geadviseerd de voogdij bij een gecertificeerde instelling
te beleggen in plaats van bij een bereid en geschikt familielid?
Antwoord 3
Als de ouders een voogd hebben aangewezen in hun testament of via een aantekening
in het gezagsregister, kan deze voogd de voogdij aanvaarden of afwijzen. Als er geen
testamentaire voogdij is geregeld of als deze is afgewezen verzoekt de rechter de
Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) om een onderzoek te doen.2 Tijdens het onderzoek spreekt de RvdK met het kind, de familie en het netwerk, en
adviseert wie het beste voogd kan worden. De voogd kan een persoon zijn of een gecertificeerde
instelling. Als een belanghebbende het niet eens is met het verzoek kan hij of zij
in verweer gaan. Zoals in het antwoord op vraag 2 aangegeven, wordt allereerst onderzocht
of een familielid of iemand binnen het vertrouwde netwerk geschikt is om de voogdij
op te nemen. De RvdK adviseert steeds vanuit het belang van het kind. Voogdij bij
een Gecertificeerde instelling (GI) wordt alleen geadviseerd wanneer voogdij binnen
familie of het vertrouwde netwerk niet in het belang van het kind is.3
Vraag 4
Hoe wordt geborgd dat broers en zussen na het overlijden van hun ouders zoveel mogelijk
bij elkaar kunnen blijven?
Antwoord 4
In het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag
inzake de Rechten van het Kind (IVRK) wordt het recht op familie- en gezinsleven beschermd.
Het EHRM erkent dat de band tussen broers en zussen hier nadrukkelijk onder valt.4 In de praktijk geldt als uitgangspunt dat broers en zussen samen worden geplaatst.
Professionals volgen daarbij de in richtlijnen vastgelegde aanbevelingen om broers
en zussen bij voorkeur samen te plaatsen, tenzij er redenen zijn om dit niet te doen.
Vraag 5
Hoeveel kinderen staan vanwege het overlijden van hun ouders onder voogdij van een
gecertificeerde instelling? Is bekend in hoeveel van deze gevallen familie bereid
was de kinderen op te vangen?
Antwoord 5
Die informatie is niet bekend. In de huidige registraties van de GI is «voogdij wegens
overlijden beide ouders» niet als aparte categorie opgenomen. Uit het gezagsregister
is evenmin te achterhalen of de voogd is benoemd wegens overlijden van de ouder(s)
met gezag.
Vraag 6
Wordt altijd onderzocht of familie of iemand uit het netwerk de voogdij kan dragen
voordat een gecertificeerde instelling wordt voorgesteld? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
Ja, dat wordt altijd onderzocht.
Vraag 7
Deelt u de mening dat geschikte familieleden niet tegenover het jeugdbeschermingssysteem
zouden moeten komen te staan om kinderen binnen de familie te kunnen houden?
Antwoord 7
Ik deel de mening dat geschikte familieleden of iemand binnen het vertrouwde netwerk
niet tegenover het jeugdbeschermingsstelsel zouden moeten komen te staan. Het belang
van het kind dient voorop te staan; waar plaatsing binnen familie of het vertrouwde
netwerk in zijn/haar belang is, heeft dat de voorkeur.
Vraag 8
Bent u bereid te onderzoeken hoe het uitgangspunt «familie of vertrouwd netwerk, tenzij
dit niet in het belang van het kind is» sterker kan worden geborgd bij beslissingen
over voogdij?
Antwoord 8
Dat uitgangspunt is reeds geborgd, extra onderzoek op dat punt dient geen doel.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid