Schriftelijke vragen : De publicatie 'Het mysterie van de verdwenen onderwijsmiljarden, een analyse van de Onderwijsraad als case study over een falend onderwijssysteem' van De Nieuwe Denktank en Beter Onderwijs Nederland.
Vragen van het lid Boomsma (JA21) aan de Minister en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de publicatie «Het mysterie van de verdwenen onderwijsmiljarden, een analyse van de Onderwijsraad als case study over een falend onderwijssysteem» van De Nieuwe Denktank en Beter Onderwijs Nederland (ingezonden 7 september 2026).
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het onderzoek «Het mysterie van de verspilde onderwijsmiljarden, Een analyse van de Onderwijsraad
als case study over een falend onderwijssysteem», gepubliceerd door De Nieuwe Denktank (DND) en Beter Onderwijs Nederland (BON)?1
Vraag 2
Bent u bereid een schriftelijke reactie te geven op dit onderzoeksrapport, in te gaan
op de bevindingen en aanbevelingen ervan en deze per brief toe te sturen aan de opstellers
en de Kamer? Zo nee, waarom niet?
Vraag 3
Kunt u deze reactie voor de behandeling van de OCW-begroting aan de Kamer sturen?
Vraag 4
Bent u het eens met de conclusie van de DND en BON dat de twee adviezen «Talige diversiteit benutten» en «Later selecteren, beter differentiëren» onvoldoende inzicht geven in de beleidskeuzes die voorliggen, voorbijgaan aan de
voor- en nadelen van deze keuzes en ook onvoldoende ingaan op de kosten en gevolgen
die hiermee gepaard gaan? Zo nee, waarom niet?2 3
Vraag 5
Deelt u de conclusie van DND en BON dat de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) talige
diversiteit een plaats heeft gegeven in de kerndoelen terwijl noch de onderwijspraktijk
noch de Tweede Kamer hierom hebben gevraagd en hoe beoordeelt u het proces waarmee
de betreffende passages zijn toegevoegd aan de kerndoelen?
Vraag 6
Wat is in uw ogen nu precies de verhouding tussen «talige diversiteit» als didactiek
of schoolpraktijk en de passages in de kerndoelen over «rijke taal- en leeromgeving»
en «taalvariatie» en in hoeverre vindt u dat het ruimte bieden voor meertalige didactiek
en meerdere talen op school nu een verplichting is voor scholen die voortvloeit uit
de kerndoelen? Graag een toelichting.
Vraag 7
Kunt u aangeven welke door OCW of de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk
Onderzoek (NWO) gesubsidieerde programma’s en onderzoeken naar meertaligheid, thuistalen
of talige diversiteit in het onderwijs sinds 2015 zijn gefinancierd, voor welke bedragen,
en hoeveel leerstoelen, onderzoeksgroepen en opleidingen hiervoor zijn?
Vraag 8
Welke onderzoekers of onderzoeksgroepen die uit deze middelen zijn gefinancierd, zijn
tevens betrokken geweest bij de ontwikkeling van de nieuwe kerndoelen Nederlands,
bij SLO-trajecten of bij advisering door de Onderwijsraad?
Vraag 9
Deelt u de opvatting dat moet worden voorkomen dat er tunnelvisie sluipt in bepaalde
beleidsvraagstukken doordat de overheid eerst onderzoek naar een bepaald thema financiert,
vervolgens de aldus opgebouwde expertise raadpleegt bij curriculumontwikkeling en
daarna het aldus gewijzigde curriculum gebruikt als argument voor nieuw beleid, nieuwe
scholing en aanvullende financiering? Zo nee, waarom niet?
Vraag 10
Deelt u de conclusie dat de Tweede Kamer in 2021–2022 heeft aangedrongen op meer focus
op de basisvaardigheden en dat voor andere wensen geen plaats is om overladenheid
van het curriculum te voorkomen en hoe verhoudt de nadruk op talige diversiteit zich
tot die wens?
Vraag 11
Op welke wetenschappelijke onderzoeken is de keuze gebaseerd om in de nieuwe kerndoelen
scholen expliciet ruimte te laten bieden aan verschillende thuistalen en taalvariëteiten
van leerlingen en kunt u per onderzoek aangeven welke concrete effecten op taalbeheersing
en onderwijsprestaties daarin zijn aangetoond?
Vraag 12
Hoe is bij de ontwikkeling van beleid rond talige diversiteit geborgd dat ook wetenschappelijke
inzichten zijn betrokken die kritisch zijn op het gebruik van thuistalen in het onderwijs
of die wijzen op het belang van maximale onderdompeling in het Standaardnederlands?
Vraag 13
Hoe beoordeelt u het proces waarbij talige diversiteit enerzijds verscholen in de
vernieuwde kerndoelen is opgenomen en anderzijds toch zodanig is verwerkt dat de lobby
voor talige diversiteit – academici die zijn gespecialiseerd in talige diversiteit –
en de Onderwijsraad op een later moment kunnen zeggen: «scholen moeten hier verplicht
mee aan de slag»?
Vraag 14
Wat vindt u van de conclusie van DND en BON dat het zeer de vraag is of de nieuwe
doelstellingen – focus op basisvaardigheden – wel worden bereikt, omdat kerndoelen
uit 2006 zoals kerndoel 11 uit de kerndoelen Nederlands voor het primair onderwijs
(de leerling leert spellen en ontleden) zijn vervangen door onduidelijke eisen als
«de school stimuleert de taalcompetentie van leerlingen» en «de leerling produceert
teksten»?
Vraag 15
Wat vindt u van de conclusie van de auteurs van het rapport dat ook de nieuwe doelstelling
«minder overladenheid» niet uit de verf dreigt te komen omdat er nieuwe kerndoelen
bij zijn gekomen die van leerlingen op de basisschool vragen om «taalvariatie en taalverandering
in het Nederlandse taalgebied te verkennen» (kerndoel 7B), «de relatie tussen vorm
en betekenis van taal te beschouwen» (kerndoel 6A) en «op het proces van een taalactiviteit
te reflecteren en het product ervan te evalueren» (kerndoel 5A)?
Vraag 16
Deelt u de conclusie van DND en BON dat het advies «Later selecteren, beter differentiëren» het debat over latere selectie tot een extreme vraag heeft beperkt – wel of geen
verbouwing van de onderbouw van de middelbare school – waardoor beter uitvoerbare
maatregelen zoals betere doorstroommogelijkheden uit beeld zijn verdwenen en meent
u ook dat dit de Onderwijsraad kwalijk genomen moet worden? Zo nee, waarom niet?
Vraag 17
Herkent u het beeld dat het rapport van DND en BON schetst dat de Onderwijsraad wel
altijd benoemt dat de uitvoering van de plannen iets vraagt, maar dat die aandacht
voor randvoorwaarden te vrijblijvend is omdat de (on)haalbaarheid ervan nooit invloed
heeft op het advies zelf? Zo nee, waarom niet?
Vraag 18
Hoe beoordeelt u de bevinding dat de Onderwijsraad niet zelden doet alsof wetenschappelijk
onderzoek dwingt tot een beleidskeuze terwijl er vaak onderzoek bestaat dat in een
andere richting wijst en de empirische basis in onderwijskundig onderzoek in het algemeen
zwak is vergeleken met andere takken van sociale wetenschap; zo worden onderwijskundige
studies veel minder vaak gerepliceerd (opnieuw uitgevoerd om te controleren of de
oorspronkelijke resultaten juist en betrouwbaar zijn) dan bijvoorbeeld studies in
de psychologie of geneeskunde. Deelt u de conclusie dat hierdoor onzeker is of de
empirische basis van veel onderwijsadviezen wel rusten op afdoende raakvlakken met
de werkelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Vraag 19
Welke kansen ziet u voor het verbeteren van de empirische basis van onderwijsadviezen?
Vraag 20
Herkent u het beeld van een «dubbele ontkoppeling» die het rapport schetst, waarmee
wordt bedoeld dat de relatie is doorgesneden tussen enerzijds advies en werkelijkheid
en anderzijds tussen invloed en verantwoordelijkheid? Zo nee, waarom niet?
Vraag 21
Hoe beoordeelt u de positie van SLO in het licht van dit rapport en wat vindt u van
de drie routes die het rapport in aanbeveling 6 schetst voor het herzien van de huidige
constructie?
Indieners
-
Gericht aan
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Gericht aan
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Indiener
Diederik Boomsma, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.