Schriftelijke vragen : Drie kinderen die op een vakantiepark verblijven en bijna 1,5 miljoen euro per jaar aan jeugdzorg kosten
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over drie kinderen die op een vakantiepark verblijven en bijna 1,5 miljoen euro per jaar aan jeugdzorg kosten (ingezonden 7 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Gezin in jeugdzorg kost Westerwolde bijna 1,5 miljoen
euro», waaruit blijkt dat drie kinderen zonder hun ouders op een vakantiepark verblijven,
daar 24 uur per dag door twee personen worden begeleid en waarvoor de gemeente dit
jaar bijna 1,5 miljoen euro betaalt?1
Vraag 2
Waren deze drie kinderen opgenomen in de nulmeting Zicht op Jeugd, waarin op peildatum 1 mei 2026 768 jeugdigen in een één-op-éénplaatsing zijn geteld? Zo
ja, sinds wanneer was hun situatie bij de betrokken jeugdregio en bij uw ministerie
bekend?
Vraag 3
Indien deze kinderen niet in de nulmeting zijn opgenomen, wat is daarvan de reden
en wat zegt dit volgens u over de volledigheid van het genoemde aantal van 768 jeugdigen?
Vraag 4
Hoe verhoudt deze casus zich tot uw eerdere aankondiging dat gemeenten, gecertificeerde
instellingen en regionale expertteams gezamenlijk zicht moeten krijgen op deze jongeren, hun veiligheid, de passendheid van de zorg en de hulp
die zij nodig hebben, en dat bij niet-passende zorg moet worden toegewerkt naar passende
zorg?
Vraag 5
Welke rol hebben de betrokken gecertificeerde instelling en het regionale expertteam
in deze specifieke casus gespeeld bij het vinden van passende zorg en waarom is het
tot op heden niet gelukt om voor deze drie kinderen een passende structurele plek
te realiseren?
Vraag 6
Hoe verhoudt het langdurige verblijf van deze kinderen op een vakantiepark zich tot
uw eerdere uitgangspunt dat een één-op-éénplaatsing slechts in het directe en aantoonbare
belang van een jeugdige of als tijdelijke overbrugging naar geschikt aanbod zou moeten
plaatsvinden? Wanneer is volgens u nog sprake van een tijdelijke overbrugging?
Vraag 7
Hoe verklaart u dat binnen het huidige jeugdzorgstelsel bijna 1,5 miljoen euro per
jaar kan worden besteed aan deze noodconstructie, terwijl voor deze drie kinderen
kennelijk geen passende structurele zorgplek beschikbaar is? Waar zit in deze casus
concreet de blokkade?
Vraag 8
Kunt u aangeven hoeveel jeugdigen op dit moment daadwerkelijk verblijven in vakantiehuisjes,
appartementen of vergelijkbare noodconstructies – gegeven het feit dat uit Zicht op
Jeugd blijkt dat regio's de feitelijke verblijfssetting en mate van individuele begeleiding
niet altijd registreren en dat de uitkomsten slechts als een eerste voorzichtige indicatie
kunnen worden beschouwd? Indien u dat niet kunt, hoe en wanneer u ervoor zorgt dat
dit wel inzichtelijk wordt?
Vraag 9
Bent u bereid deze casus expliciet te betrekken bij het bestuurlijk overleg van 10 september
met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en brancheorganisaties over het terugdringen van één-op-éénplaatsingen en het realiseren van
voldoende passende jeugdhulp?
Vraag 10
Bent u bereid de Kamer bij de toegezegde terugkoppeling na dit bestuurlijk overleg
tevens te informeren hoeveel van de 768 jeugdigen inmiddels zijn doorgestroomd naar
passende zorg, hoeveel nog in een één-op-éénplaatsing verblijven en wat de belangrijkste
oorzaken zijn waardoor passende zorg voor deze jeugdigen niet beschikbaar komt?
Indieners
-
Gericht aan
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Indiener
Nicole Moinat, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.