Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Nobel en Ellian over het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel
Vragen van de leden Nobel en Ellian (VVD) aan de Ministers van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van Asiel en Migratie over het bericht dat het kabinet wel bouwstenen, maar nog geen plan heeft voor de huisvesting van mensen in de knel (ingezonden 17 juli 2026).
Antwoord van Minister Boekholt-O’Sullivan (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening)
(ontvangen 4 september 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Wel de «bouwstenen», nog geen plan voor huisvesting mensen in de knel»?1
Antwoord 1
Ja, ik ben daarvan op de hoogte.
Vraag 2
Klopt het dat het kabinet bij de huisvesting van aandachtsgroepen, waaronder statushouders,
ook nadrukkelijk kijkt naar woningdeling binnen de sociale woningvoorraad?
Antwoord 2
Het kabinet werkt aan het realiseren van aanvullende huisvesting buiten de sociale
voorraad. Gezien de urgentie van het vraagstuk, zet het kabinet daarnaast in op woningdelen
binnen de sociale woningvoorraad. Dit is vaak sneller realiseerbaar. Hierdoor zijn
minder woningen nodig voor huisvesting van statushouders, wat de wachttijd voor sociale
huurwoningen vermindert.
Vraag 3
Klopt het dat er gemeenten en woningcorporaties zijn die sociale huurwoningen beschikbaar
stellen als «doorstroomlocatie»?
Antwoord 3
Via de regeling Doorstroomlocaties (DSL) is het niet mogelijk om statushouders te
huisvesten in reguliere sociale huurwoningen. Woningdelen in bestaande sociale huurwoningen
is wel mogelijk via de Doelgroepflexibele regeling (DFR), die per 1 juli jongstleden
in werking is getreden. Deze regeling biedt gemeenten en woningcorporaties de mogelijkheid
en financiële kaders om onzelfstandige woonruimte in te zetten en te realiseren, waardoor
meerdere alleenstaande statushouders efficiënter gebruik kunnen maken van een bestaande
woning. Op deze manier zijn er minder afzonderlijke woningen nodig voor deze doelgroep
en blijven er meer woningen beschikbaar voor andere woningzoekenden.
Vraag 4
Waarom kiest het kabinet er niet voor om, conform het coalitieakkoord, als uitgangspunt
te hanteren dat alternatieve huisvestingsvormen voor statushouders zoveel mogelijk
buiten de bestaande sociale woningvoorraad worden gerealiseerd?
Antwoord 4
Het kabinet zet, conform het coalitieakkoord, in op aanvullende huisvesting buiten
de sociale woningvoorraad. De opgave is echter groot: er moeten jaarlijks circa 30.000
statushouders gehuisvest worden, met een achterstand van ongeveer 10.000 statushouders.
Om de druk op de asielopvang, kosten en vertraging in inburgering te beperken, is
snelle uitstroom noodzakelijk. Nieuwe woonvormen alleen bieden op korte termijn onvoldoende
oplossing. Daarom zet het kabinet aanvullend in op het beter benutten van de bestaande
voorraad, bijvoorbeeld via woningdelen.
Vraag 5
Welke alternatieven buiten de sociale woningvoorraad onderzoekt u om invulling te
geven aan de taakstelling voor de huisvesting van statushouders, zonder de druk op
de reguliere sociale huurmarkt verder te vergroten?
Antwoord 5
In de Kamerbrief van 3 juli heb ik de bouwstenen voor een bestuurlijk akkoord met
gemeenten en woningcorporaties geschetst. Daarbij zet het kabinet nadrukkelijk in
op aanvullende vormen van huisvesting buiten de bestaande sociale woningvoorraad.
Het gaat hierbij onder andere om onzelfstandige flexwoningen, transformatie van bestaand
vastgoed en vormen van woningdelen buiten de reguliere sociale huurvoorraad. Met deze
inzet beoogt het kabinet zowel de druk op de asielopvang te verlagen, als de druk
op de sociale huurmarkt niet verder te vergroten.
Vraag 6
In hoeverre deelt u de opvatting dat het oneerlijk is dat woningzoekenden soms pas
na 10 jaar in aanmerking komen voor een sociale huurwoning terwijl statushouders voorrang
krijgen op sociale huurwoningen? Zo niet, waarom niet?
Antwoord 6
Voorrang voor statushouders bij sociale huur knelt steeds meer, omdat andere woningzoekenden
te lang op een wachtlijst staan. Het kabinet doet hier wat aan doen langs drie routes:
minder instroom, meer nieuwbouw en aanvullende vormen van huisvesting. Daarmee kunnen
we de druk op de sociale woningvoorraad verminderen, met alternatieven voor statushouders
en voldoende uitstroom uit de asielopvang.
Vraag 7
In hoeverre deelt u de opvatting dat statushouders daarom zoveel mogelijk in sobere
alternatieve huisvesting buiten de sociale woningvoorraad moeten worden gehuisvest?
Antwoord 7
Het kabinet zet in op het realiseren van aanvullende vormen van huisvesting buiten
de sociale woningvoorraad. Deze vormen van huisvesting dienen te voldoen aan de geldende
kwaliteitseisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Aanvullende huisvesting
kan tijdelijk en eenvoudiger van aard zijn, maar moet veilig en passend zijn en met
oog voor leefbaarheid. Het moet bewoners een basis bieden om mee te doen in de samenleving
en voorspoedig in te burgeren.
Vraag 8
Welke maatregelen bent u bereid te nemen om te voorkomen dat gemeenten en woningcorporaties
reguliere sociale huurwoningen inzetten als doorstroomlocatie voor statushouders?
Antwoord 8
Gemeenten en woningcorporaties hebben binnen de bestaande kaders ruimte om de voorraad
tijdelijk flexibel in te zetten, bijvoorbeeld om acute druk op de opvang te verlichten.
Het inzetten van een sociale huurwoning voor woningdelen, kan op dit moment een oplossing
bieden om minder druk op de sociale woningvoorraad te leggen. Er zijn hierdoor namelijk
minder afzonderlijke woningen nodig. Ik ben daarom niet voornemens dergelijke maatregelen
te nemen.
Vraag 9
Welke mogelijkheden tot inspraak hebben omwonenden wanneer een sociale huurwoning
wordt aangewezen als doorstroomlocatie?
Antwoord 9
De mogelijkheden voor inspraak van omwonenden bij een doorstroomlocatie hangen af
van de concrete situatie. Als voor een locatie een ruimtelijke procedure nodig is,
bijvoorbeeld bij functiewijziging of verbouwing, gelden de gebruikelijke regels voor
participatie en inspraak. Zorgvuldige communicatie met omwonenden is altijd belangrijk.
Vraag 10
Hoeveel statushouders zijn de afgelopen drie jaar gehuisvest in een zelfstandige sociale
huurwoning? Welk aandeel van de jaarlijkse toewijzingen aan corporatiewoningen betreft
dit? Welk effect verwacht u dat de beschreven plannen zullen hebben op dit aandeel?
Antwoord 10
Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ging in 2023 bijna 8 procent
van alle vrijgekomen corporatiewoningen naar huishoudens met één of meerdere statushouders.
Dat zijn ruim 13 duizend woningen, iets meer dan een jaar eerder (7 procent). Huishoudens
met een of meer statushouders waren vaker starters op de woningmarkt, dan huishoudens
zonder statushouders. 20 procent van alle starters die in corporatiewoning ging wonen
was een huishouden met een statushouder. Dit komt neer op ongeveer 8.200 huishoudens.
Dit zijn de meest recente cijfers van het CBS.
Het effect dat de plannen zullen hebben op deze toewijzingspercentage is moeilijk
te voorspellen. Met name omdat andere factoren zoals de totale asielinstroom en huishoudsamenstelling
van statushouders hier ook een effect op hebben.
Vraag 11
Bent u het eens dat woningdelen voor statushouders binnen de bestaande voorraad strijdig
is met het voornemen om te komen tot een wetsvoorstel waarmee de voorrang voor statushouders
op sociale huurwoningen wettelijk niet meer mogelijk is? Zo niet, waarom niet?
Antwoord 11
Zoals beschreven in de Kamerbrief van 20 maart werkt het kabinet momenteel aan een
nieuw, uitvoerbaar wetsvoorstel, waarbij tegemoet wordt gekomen aan de reacties van
de Raad van State, gemeenten en andere betrokken partijen over de uitvoerbaarheid
van het eerdere wetsvoorstel voor verbod op voorrang statushouders. In dezelfde brief
staat dat het kabinet conform coalitieakkoord met gemeenten en andere maatschappelijke
partners afspraken maakt over het snel ontwikkelen van aanvullende huisvesting waar
statushouders, Oekraïners en Nederlanders die tijdelijke huisvesting nodig hebben
samen terechtkunnen, als alternatief voor het gebruik van sociale huurwoningen. Ook
woningdelen wordt hierbij als oplossing genoemd. Vanwege de snelheid waarmee aanvullende
huisvesting kan worden gerealiseerd.
Vraag 12
In antwoord op eerdere schriftelijke vragen gaf u aan dat er slechts 48 doorstroomlocaties
met 1.853 plekken zijn gerealiseerd. De verwachting was dat er nog voor het zomerreces
263 extra plekken gerealiseerd zouden worden. Zijn deze plekken ook daadwerkelijk
voor het zomerreces gerealiseerd?
Antwoord 12
Deze plekken zijn niet volledig voor het zomerreces gerealiseerd. Momenteel zijn er
51 doorstroomlocaties operationeel, waarmee het aantal gerealiseerde plekken is gestegen
naar 1.925 voor statushouders. Dit is minder dan eerder aangegeven. De vertraging
wordt onder andere veroorzaakt door langere doorlooptijden bij bouw, vergunningverlening
en bezwaarprocedures. De verwachting is dat het aantal operationele locaties tot 1 januari
2027 verder stijgt naar circa 61 locaties, waarmee de capaciteit oploopt naar ongeveer
2.436 plekken voor statushouders.
Deze cijfers betreffen specifiek doorstroomlocaties die zijn gerealiseerd met de regeling
doorstroomlocaties (Bekostigingsregeling huisvesting vergunninghouders in doorstroomlocaties)
of de doelgroepflexibele regeling (Regeling tijdelijke bekostiging opvang en huisvesting
gemeenten). Andere typen voorzieningen die worden ingezet voor de doorstroom van statushouders
zijn hier geen onderdeel van, omdat hier geen exacte cijfers van bekend zijn.
Vraag 13
Hoeveel plekken moeten volgens u nog worden gerealiseerd voordat u een wetsvoorstel
naar de Kamer kunt sturen waarmee de wettelijke voorrang voor statushouders op sociale
huurwoningen wordt beëindigd? Wanneer verwacht u dit wetsvoorstel naar de Kamer te
sturen?
Antwoord 13
Momenteel wordt gewerkt aan de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Het is de
verwachting dat dit wetsvoorstel voor het kerstreces in internetconsultatie wordt
gebracht. Uw Kamer zal hierover voorafgaand worden geïnformeerd.
Vraag 14
In uw brief «Bouwstenen: versnelde realisatie aanvullende vormen van huisvesting»
heeft mijn fractie niet kunnen opmaken op welke wijze u invulling heeft gegeven aan
de motie Nobel/Flach (Kamerstuk 36 881, nr. 9) over onderzoeken hoe gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie
van alternatieve huisvesting zodat de voorrang statushouders kan worden afgeschaft,
kunnen worden beloond. Kunt u hier alsnog antwoord op geven?
Antwoord 14
Het belonen van gemeenten die voortvarend aan de slag zijn gegaan met de realisatie
van aanvullende vormen van huisvesting, neem ik mee in de bestuurlijke afspraken die
ik maak met gemeenten, provincies en woningcorporaties. In de ondersteuning die ik
daarvoor inricht (zoals locatiescans, begeleiding en expertise), zullen gemeenten
die voortvarend aan de slag gaan beloond worden. Bijvoorbeeld door middel van prioritaire
of extra toegang tot deze ondersteuning.
Vraag 15
Kunt u deze vragen één voor één beantwoorden?
Antwoord 15
Ja.
Ondertekenaars
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.