Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Oualhadj en El Boujdaini over het wereldwijd uitschakelen van Anthropic’s Fable- en Mythos-modellen
Vragen van de leden Oualhadj en El Boujdaini (beiden D66) aan de Minister en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het wereldwijd uitschakelen van Anthropic’s Fable- en Mythos-modellen (ingezonden 17 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Aerdts (Economische Zaken en Klimaat), mede namens de
Minister van Buitenlandse Zaken (ontvangen 31 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving dat Anthropic op 12 juni 2026, na een Amerikaans
exportcontrolebesluit, de modellen Fable 5 en Mythos 5 wereldwijd heeft uitgeschakeld
voor niet-Amerikaanse staatsburgers?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Klopt het dat Nederlandse en Europese gebruikers hierdoor abrupt hun toegang tot een
frontier-AI-model (grensmodel) verloren, uitsluitend op grond van een binnenlands Amerikaans
besluit en zonder enige Europese inspraak of beroepsmogelijkheid?
Antwoord 2
Ja. Het verliezen van toegang tot deze modellen gold voor alle gebruikers.
Vraag 3
Was u vooraf op de hoogte van dit besluit of het risico daarop en op welke wijze zijn
Nederland en de EU hierover geïnformeerd of geconsulteerd?
Antwoord 3
Nee. Het kabinet is niet vooraf op de hoogte gesteld van dit besluit.
Vraag 4
Deelt u de analyse dat dit incident blootlegt hoe afhankelijk Nederland en Europa
zijn van een handvol Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde AI, en dat
die toegang aantoonbaar als geopolitiek drukmiddel kan worden in- en uitgeschakeld?
Hoe verhoudt zich dat tot uw constatering in de beleidsbrief Economische Zaken en
Klimaat van 24 april 2026 dat Nederland «niet chantabel» moet zijn door strategische
afhankelijkheden af te bouwen?1
Antwoord 4
Het klopt dat Nederland afhankelijk is van Amerikaanse aanbieders voor de meest geavanceerde
AI. Het kabinet onderschrijft het belang van toegang tot geavanceerde AI modellen
zoals onder meer beschreven in de Internationale AI Strategie (2026), Internationale
Veiligheidsstrategie 2026–20302 en de Kamerbrief Reactie op factsheets digitale strategische autonomie (2025)3 over AI-soevereiniteit. Daarom benadrukken deze ontwikkelingen de urgentie om de
Europese en nationale AI-capaciteiten fors te versterken. Daar zet het kabinet dan
ook op in. Zo wordt in de Ministeriële Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat
momenteel gewerkt aan een Industrieprogramma Digitale Diensten en AI. Ook zullen het
nog op te richten Nationaal Agentschap voor Disruptieve Innovatie (NADI) en de Nationale
Investeringsinstelling (NII) een rol spelen. Eerder is ook via het NGF in AI-programma’s
geïnvesteerd, evenals in de AI Fabriek in Groningen.
Vraag 5
Welk Europees of Nederlands alternatief kan op dit moment een frontier-model van vergelijkbaar niveau leveren wanneer Amerikaanse toegang wegvalt, en hoe
beoordeelt u de situatie indien een dergelijk alternatief ontbreekt?
Antwoord 5
Er zijn momenteel geen Europese alternatieven van vergelijkbaar niveau als Fable en
Mythos. Tegelijkertijd zijn geavanceerde capaciteiten niet enkel meer voorbehouden
aan gesloten modellen. Ook open, vrij toegankelijke AI-modellen komen in de buurt
van de meest geavanceerde modellen. Dit wordt versterkt door het feit dat de capaciteiten
van een AI-model niet enkel of grotendeels voortkomen uit het model zelf, maar juist
uit de technische infrastructuur (het «harnas») om het AI-model heen. Het is onzeker
hoe de markt van AI-modellen en technische infrastructuur zich de komende jaren zal
ontwikkelen en welke rol open modellen daarin zullen spelen. Dat houdt het kabinet
nauwlettend in de gaten. Omdat Europa niet over eigen geavanceerde AI-modellen beschikt,
is het van belang dat Nederland tevens samen met EU-partners en andere gelijkgezinde
middle powers werkt aan toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten.4
Vraag 6
Welke concrete risico’s brengt de blokkade van dit model met zich mee voor het Nederlandse
bedrijfsleven, in het bijzonder wanneer toegang als drukmiddel wordt ingezet, en geldt
dit risico naar uw oordeel ook voor andere frontier-modellen van Amerikaanse aanbieders zoals OpenAI (ChatGPT) en Google (Gemini)?
Antwoord 6
Vanwege het recent beëindigen van de ingevoerde exportrestricties zullen de gevolgen
voor het Nederlandse bedrijfsleven beperkt zijn. Het kabinet schat de directe impact
op het concurrentievermogen van een exportverbod op een individueel AI-model laag
in, omdat er momenteel nog voldoende hoogwaardige alternatieven modellen beschikbaar
zijn. Tegelijkertijd is onduidelijk hoe de markt voor AI-modellen (en daarop gebaseerde
toepassingen) zich zal ontwikkelen. De impact van vergelijkbare besluiten in de toekomst
kan dus mogelijk anders zijn. Het integreren van frontier AI-modellen buiten de EU
in Nederlandse digitale processen vergroot de afhankelijkheid van niet-Europese aanbieders,
met bijbehorende risico’s op het gebied van datasoevereiniteit, continuïteit, vertrouwelijkheid
en strategische afhankelijkheid. Zoals verder toegelicht in de antwoorden op vragen
7 en 8 kunnen modellen als Mythos in ieder geval impact hebben op de cyberveiligheid.
Vraag 7
Heeft de plotselinge uitschakeling van Mythos – een model dat eerder met een select
aantal organisaties in vitale sectoren werd gedeeld om softwarekwetsbaarheden op te
sporen voordat kwaadwillenden deze konden misbruiken – gevolgen gehad voor de cyberweerbaarheid
van Nederlandse of Europese organisaties die dit model gebruikten?
Antwoord 7
Zoals toegelicht in de beantwoording op Kamervragen van de leden El Boujdaini en Kathmann
van 1 juni jl.5 laat onafhankelijk onderzoek zien dat toegang tot AI-frontiermodellen in veel gevallen
niet noodzakelijk is voor effectieve detectie van kwetsbaarheden maar dat ook andere
modellen in staat zijn kwetsbaarheden te vinden. Het Nationaal Cyber Security Centrum
(NCSC) kijkt daarom naar bredere ontwikkeling van AI-modellen die gebruikt kunnen
worden voor cybersecurity doeleinden, en welke kans de toepassing van AI biedt voor
het verbeteren van onze digitale weerbaarheid. Het NCSC zoekt actief contact met relevante
organisaties in het hele ecosysteem om op de hoogte te blijven van relevante ontwikkelingen
op het gebied van deze technologie en de mogelijke gevolgen daarvan voor cyberveiligheid
en digitale veerkracht.
Op termijn kan het niet of onvoldoende voor handen hebben van geavanceerde frontier
AI-modellen wel tot gevolg hebben dat bedrijven zonder toegang minder zelf in staat
worden gesteld kwetsbaarheden te vinden met behulp van AI en deze te verhelpen. Ook
daarom is het van belang om binnen Nederland en de EU met urgentie te bouwen aan het
versterken van de ontwikkeling van AI en toepassingen hiervan en zolang de eigen capaciteit
ontbreekt, samen te werken voor toegang tot noodzakelijke capaciteiten.
Vraag 8
Welke risico’s ziet u in het gegeven dat een AI-model met dergelijke geavanceerde
capaciteiten voor het opsporen van cyberkwetsbaarheden zowel defensief als offensief
inzetbaar wordt geacht, en in hoeverre weegt dit mee in de Nederlandse of Europese
beoordeling van AI-systemen met een hoog risicoprofiel?
Antwoord 8
De ontwikkelingen volgen elkaar in snel tempo op, risico’s zijn dan ook zeer situationeel
afhankelijk. Geavanceerde AI-modellen spelen in algemene zin op twee manieren een
rol in het huidige dreigingsbeeld.
Enerzijds kunnen AI-modellen worden ingezet door kwaadwillenden om systemen aan te
vallen. Dankzij dergelijke AI-modellen kunnen in veel kortere tijd en op grotere schaal
kwetsbaarheden in software worden opgespoord en misbruikt worden voor aanvallen dan
eerder mogelijk was. Hierdoor kan de tijd tussen ontdekking van een kwetsbaarheid
en het moment dat deze wordt misbruikt significant worden verkort.
Anderzijds kunnen AI-modellen ook worden gebruikt voor digitale verdediging, bijvoorbeeld
door ze als softwareontwikkelaar zelf te gebruiken om kwetsbaarheden te vinden maar
ook om het patchen, monitoren, detecteren en de respons geautomatiseerd te laten verlopen.
Ook hiervoor geldt dat dergelijke processen sneller en op grotere schaal kunnen worden
uitgevoerd. De opkomst en het gebruik van geavanceerde AI-systemen kan daarmee leiden
tot scheefgroei tussen organisaties die hun digitale verdediging op orde hebben (al
dan niet met gebruik van AI) en organisaties die hier minder aandacht aan besteden
of minder toe in staat zijn. Aangezien er met behulp van AI onderdelen van de verdediging
geautomatiseerd en sneller kunnen worden uitgevoerd, zullen organisaties die niet
gebruik (kunnen) maken van geautomatiseerde verdediging en bijvoorbeeld handmatig
patchen of reageren, hier minder efficiënt en effectief in zijn en dus relatief kwetsbaarder
worden.
Om digitaal weerbaar te zijn en te blijven is het voor individuele organisaties cruciaal
om de basismaatregelen continu en tijdig toe te passen. Dit was altijd al het geval,
maar de opkomst en toegankelijkheid van AI-modellen onderstreept de urgentie. Wel
bepleit het kabinet terughoudendheid ten aanzien van toegang tot operationeel gebruik
van een niet-Europees leveranciersmodel als oplossingsrichting voor preventieve kwetsbaarheidsdetectie
door de mogelijke afhankelijkheidsrisico’s, zoals beschreven in vraag 6.
Tenslotte stelt de Europese AI-verordening eisen aan AI-systemen en -modellen op basis
van het risico van deze systemen. Zo stelt de verordening eisen aan AI-modellen voor
algemene doeleinden waarbij de regels steviger zijn voor modellen met systeemrisico’s.
Alle AI-modellen voor algemene doeleinden moeten technische documentatie opstellen
waarin in ieder geval informatie staat over het beoogde doel van het model, trainingsmethoden
en gebruikte data. Aanbieders van modellen met een systeemrisico moeten daarbovenop
deze risico’s in kaart brengen en kwetsbaarheden in het model opsporen. Risico’s worden
op deze manier ook meegenomen in het toezicht op deze modellen door het Europese AI
Office.
Vraag 9
Beschikken de Rijksoverheid en de beheerders van vitale infrastructuur over een continuïteits-
of exitstrategie voor het geval dat Amerikaanse frontier-modellen waarop hun diensten draaien plotseling wegvallen, en zo nee, bent u voornemens
een dergelijke strategie te ontwikkelen?
Antwoord 9
Op grond van de Cyberbeveiligingswet is het in eerste instantie aan entiteiten, waaronder
de Rijksoverheid en aan beheerders van vitale infrastructuur, zelf om vast te stellen
welke technische of organisatorische maatregelen passend en evenredig zijn om de risico’s
voor de beveiliging van hun netwerk- en informatiesystemen, waaronder AI frontier-modellen,
waarmee zij geconfronteerd worden, te kunnen beheersen. Entiteiten hebben immers zelf
inzicht in risico’s die hun dienstverlening kunnen raken en hebben de meeste kennis
van hun eigen systemen en processen.
De Cyberbeveiligingswet is op 15 augustus 2026 in werking is getreden. De zorgplicht
die deze entiteiten onder de Cyberbeveiligingswet hebben, ziet op de maatregelen met
het oog op de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen die worden toegepast
voor de dienstverlening van entiteiten of voor het verrichten van hun activiteiten.
Wanneer entiteiten overwegen welke maatregelen in dit verband passend zijn, moeten
zij rekening houden met de specifieke kwetsbaarheden van hun rechtstreekse leveranciers
en dienstverleners en met de algemene kwaliteit van de producten en de cyberbeveiligingspraktijken
van hun leveranciers en dienstverleners. Echter, voor zover de entiteit gebruik maakt
van AI frontier modellen is de zorgplicht ook hierop van toepassing. Ten aanzien van
de continuïteit van de dienstverlening is in het Cyberbeveiligingsbesluit in artikel 9
opgenomen dat een entiteit over een vastgesteld bedrijfscontinuïteitsbeleid en -plan
met betrekking tot haar netwerk- en informatiesystemen moet beschikken. Daarin moeten
risico’s voor continuïteit worden meegenomen, zoals in het voorliggende geval via
het wegvallen van frontier-modellen. De uitkomsten van de verplichte risicoanalyse
die de entiteit heeft uitgevoerd zal bepalen welke mitigerende maatregelen de entiteit
moet nemen om de continuïteit van de dienstverlening bij uitval te herstellen. De
entiteit legt deze maatregelen vast in haar bedrijfscontinuïteitsplan. Wat een entiteit
nodig heeft zal per entiteit verschillen. Het is dan ook niet aan de overheid om ten
behoeve van entiteiten continuïteits- of exitstrategieën op te stellen voor de verschillende
technieken die entiteiten gebruiken. Wel ondersteunt de Rijksoverheid entiteiten via
communicatie om te kunnen voldoen aan de zorgplicht. Zo voorziet de website van het
Nationaal Cyber Security Centrum (NCSC) in allerlei adviezen, zoals over het opstellen
van een bedrijfscontinuïteitsplan en hoe entiteiten meer grip kunnen krijgen op hun
digitale afhankelijkheden.
Vraag 10
Welke maatregelen treft u op korte termijn, al dan niet in Europees verband, om een
dergelijke situatie te voorkomen of op te vangen?
Antwoord 10
Nederland zet zich in EU-verband in voor een gezamenlijke aanpak om risicovolle strategische
afhankelijkheden in de AI-waardeketen terug te dringen. Ook blijft het kabinet zich
inspannen om de Europese en nationale AI-capaciteiten te versterken. Het kabinet onderschrijft
de urgentie hiervan en staat in nauw contact met diverse AI-bedrijven en -experts
om te bespreken welke aanvullende inzet nodig is. In het kader van de Ministeriële
Taskforce Toekomstige Welvaart en Verdienvermogen is recent bijvoorbeeld een sectortafel
omtrent digitale diensten en AI georganiseerd. Daar waar Europa onvoldoende eigen
(geavanceerde) AI-capaciteiten heeft, werkt Nederland samen met EU-partners aan het
veiligstellen van toegang tot noodzakelijke AI-capaciteiten, met waarborgen voor veiligheid,
betrouwbaarheid en bescherming van fundamentele rechten. Voorts neemt Nederland initiatief
voor versterking en coördinatie van het externe optreden van de EU op het gebied van
AI.
Vraag 11
Hoe versnelt u de totstandkoming van een Europees alternatief op topniveau, bijvoorbeeld
door opschaling van de samenwerking met Mistral of door investeringen in rekencapaciteit?
Antwoord 11
Voor de ontwikkeling van een Europees AI-alternatief op topniveau zijn voldoende rekenkracht,
kapitaal, talent en hoogwaardige data randvoorwaardelijk. Het kabinet zet daarom in
op nauwe Europese samenwerking en richt zich daarbij in het bijzonder op initiatieven
die de Europese AI-capaciteit en technologische slagkracht versterken. Via de EuroHPC
Joint Undertaking wordt geïnvesteerd in grootschalige Europese rekencapaciteit, die
beschikbaar wordt gesteld aan bedrijven, kennisinstellingen en overheden. De AI-fabriek
in Groningen draagt hieraan bij als onderdeel van het Europese netwerk van AI-fabrieken,
dat de toegang tot rekenkracht, data en expertise versterkt. Voor de verdere opschaling
van rekencapaciteit zet het kabinet daarnaast in op betere randvoorwaarden voor private
investeringen, waaronder het stroomlijnen van vergunningsprocedures, zodat nieuwe
initiatieven sneller kunnen worden gerealiseerd. Dit sluit aan bij de aanbevelingen
uit het rapport-Wennink. Daarnaast dragen de projecten OpenEuroLLM en EuroLLM bij
aan de ontwikkeling van hoogwaardige, open en meertalige Europese taalmodellen en
daarmee aan een sterker en onafhankelijker Europees AI-ecosysteem. Ook staat het kabinet
in nauw contact met relevante AI-bedrijven, waaronder Mistral.
Frankrijk en Duitsland werken samen met de Europese Commissie aan het Frontier AI-initiatief,
dat is opgenomen in de Apply AI-strategie. Binnen dit initiatief wordt gewerkt aan
de oprichting van een nieuwe publiek-private juridische entiteit die inspeelt op zowel
industriële als maatschappelijke behoeften op het gebied van Frontier AI. Het is de
bedoeling dat deze entiteit geavanceerde, pre-commerciële en concurrerende AI-systemen
gaat ontwikkelen en daarmee de Europese AI-capaciteiten verder versterkt. Voor dit
project wordt nog gezocht naar Europese partners die het initiatief kunnen ondersteunen.
Nederland heeft tegenover de Europese Commissie onder voorbehoud belangstelling voor
betrokkenheid kenbaar gemaakt en onderzoekt momenteel de mogelijkheden om aan dit
initiatief bij te dragen.
Vraag 12
Bent u bekend met het scenario «Europe 2031», waarin wordt beschreven hoe Europa bij
voortzetting van de huidige AI-koers afglijdt naar irrelevantie?6
Antwoord 12
Ja.
Vraag 13
Onderschrijft u de bevinding dat Europa nog circa 5 procent van de wereldwijde AI-compute beheerst tegenover circa 80 procent in de Verenigde Staten en dat de 200 miljard
euro aan InvestAI grotendeels herverpakt geld betreft dat in het niet valt bij één
jaar Amerikaanse investeringen? Zo nee, op welke punten en op basis van welke cijfers
wijkt uw beeld af?
Antwoord 13
Het kabinet onderkent dat Europa momenteel een achterstand heeft ten opzichte van
de Verenigde Staten op het gebied van AI-rekencapaciteit en private investeringen
in AI. De in de vraag genoemde schattingen van circa 5 procent van de wereldwijde
AI-compute voor Europa en circa 80 procent voor de Verenigde Staten zijn gebaseerd
op onderzoek van het instituut Epoch AI, zoals gepubliceerd in een artikel uit juni
2025.7 Het kabinet beschikt niet over recentere bronnen die deze percentages bevestigen.
Binnen het kader van EuroHPC zal komende jaren de totale rekencapaciteit in Europa
vergroot worden met de komst van AI-fabrieken en AI-gigafabrieken onder de controle
van Europese partijen.
Ten aanzien van InvestAI benadrukt het kabinet dat de genoemde € 200 miljard geen
fonds is dat volledig door de Europese Commissie wordt gevuld. Het betreft een publiek-private
investeringsdoelstelling, waarbij de Europese Unie beoogt in totaal € 200 miljard
aan AI-investeringen te mobiliseren uit verschillende bronnen, waaronder substantiële
private investeringen. Een deel van de publieke middelen bouwt daarbij voort op bestaande
Europese financieringsinstrumenten. Het kabinet deelt daarom niet de kwalificatie
dat InvestAI grotendeels uit «herverpakt geld» bestaat.
Tegelijkertijd is duidelijk dat de investeringsambities in de Verenigde Staten, met
name op het gebied van AI-infrastructuur, momenteel groter zijn dan in Europa. Daarbij
is het wel van belang onderscheid te maken tussen publieke overheidsuitgaven en gemobiliseerde
private investeringen, omdat deze niet één-op-één vergelijkbaar zijn. Hoewel we waarde
blijven hechten aan de samenwerking met de Verenigde Staten op het gebied van AI,
zet het kabinet in op nauwe Europese samenwerking om de randvoorwaarden voor een concurrerend
Europees AI-ecosysteem te versterken.
Vraag 14
Deelt u de tijdsdiagnose dat de zomer van 2026 het laatste reële moment is om bij
te sturen voordat de achterstand zichzelf versterkt? Zo nee, welk eigen ijkpunt hanteert
u en waarop baseert u dat?
Antwoord 14
Het kabinet hanteert geen eigen ijkpunt, omdat precieze tijdsvoorspellingen in een
domein dat zich zo snel ontwikkelt inherent onzeker zijn. Dat geldt ook voor de tijdsdiagnose
in Europe 2031. Wat het kabinet wél deelt, is de urgentie die ten grondslag ligt aan
het scenario. De dynamieken tussen compute, modelcapaciteit en investeringscycli zijn
reëel en vragen nu om actie. Het afgelopen jaar is daarom zowel op Europees als op
nationaal niveau gewerkt aan nieuw beleid op dit terrein, waarvan het Tech Sovereignty
Package, de internationale AI-strategie en de werkzaamheden in het kader van de Ministeriële
Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat enkele relevante voorbeelden zijn.
Vraag 15
Bent u bereid dit incident en andere mogelijke strategische AI-afhankelijkheden te
(laten) bestuderen en de Kamer te informeren hoe Nederland zich voorbereidt op een
scenario waarin de toegang tot buitenlandse AI-modellen voor Nederlandse burgers abrupt
wordt beperkt of als drukmiddel wordt ingezet, en daarbij in te gaan op de economische,
strategische en soevereiniteitsgevolgen voor Nederland?
Antwoord 15
Het kabinet communiceert vanwege strategische en diplomatieke gevoeligheden niet in
het openbaar over de analyses die zij uitvoert naar (risicovolle) strategische afhankelijkheden
en eventuele voorbereidingen op scenario's over geopolitieke incidenten. De Kamer
kan daarover vertrouwelijk worden geïnformeerd.
Vraag 16
Wat doet u om meer strategische technologie te ontwikkelen waarvan anderen juist afhankelijk
zijn – naar het voorbeeld van ASML – zodat de kans kleiner wordt dat Nederland wordt
afgesloten van kritieke technologie zoals AI?
Antwoord 16
Het kabinet zet hiertoe in op het versterken van het concurrentievermogen van Nederland,
onder andere via de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce Toekomstige
Welvaart en Vestigingsklimaat.
Vraag 17
Bent u bereid de positie uit de brief aan de Kamer van 31 maart 2026 – dat er binnen
de huidige begroting geen ruimte is voor de financiële verplichting om deel te nemen
aan de Europese aanbesteding van rekencapaciteit en daarmee aanspraak te maken op
het fonds van 20 miljard euro voor maximaal vijf AI-gigafabrieken – te heroverwegen,
nu het Fable-incident precies de geopolitieke verstoring is die in diezelfde brief
als reden werd genoemd waarom Nederland en Europa zelfstandig AI-modellen moeten kunnen
ontwikkelen en hosten?8
Antwoord 17
Het kabinet erkent het belang van AI-infrastructuur als cruciale bouwsteen voor de
ontwikkeling en toepassing van AI-modellen en applicaties. Tegelijkertijd is het kabinet,
in lijn met het rapport-Wennink, onverminderd voorstander van AI-gigafabrieken die
volledig door de markt worden gefinancierd, waarbij voor het kabinet een taak ligt
om de randvoorwaarden te versterken.
Vraag 18
Hoe verhoudt de ambitie om nationale rekencapaciteit op te bouwen zich tot de huidige
netcongestie, de schaarse ruimte en het verbod op hyperscale-datacenters op nieuwe locaties, en welke concrete randvoorwaarden op het gebied van energie,
netaansluiting en vergunningverlening neemt u op welke termijn weg?
Antwoord 18
Voor AI-rekenfaciliteiten geldt dat het huidige beleid hier ruimte voor biedt mits
zij voldoen aan geldende wet- en regelgeving. Grootschalige AI-rekenfaciliteiten brengen
aanzienlijke ruimtelijke claims met zich mee en vragen om substantiële hoeveelheden
elektriciteit. Nederland staat voor uitdagingen op het gebied van netcongestie en
ruimtelijke schaarste. Het kabinet vindt het noodzakelijk dat nieuwe AI-infrastructuur
zorgvuldig wordt ingepast binnen de nationale energie- en ruimtelijke kaders, met
aandacht voor energie-efficiënte, duurzaamheid en de impact op het elektriciteitsnet.
Tegelijkertijd hecht het kabinet eraan dat Nederland beschikt over de rekencapaciteit
die nodig is voor het realiseren van de (digitale) economie van de toekomst en voor
het streven naar meer digitale autonomie. Deze twee perspectieven, ruimtelijke inpassing
en impact op het energiesysteem enerzijds, en economische ontwikkeling en autonomie
anderzijds, vragen om een samenhangende afweging. Daarom wordt onder regie van het
Ministerie van EZK, samen met VRO, gezamenlijk gewerkt aan een nationale geïntegreerde
aanpak datacenters. Onder de werktitel «regie op datacenterontwikkeling» wordt uw
Kamer dit najaar geïnformeerd over deze aanpak.
Vraag 19
Bent u bereid de oprichting van een Nederlands European Lab for Learning and Intelligent
Systems (ELLIS) Instituut als nationaal AI-onderzoekscentrum, zoals aanbevolen in
het rapport-Wennink, op korte termijn mogelijk te maken en te financieren? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 19
Op dit moment werken initiatiefnemers uit het veld het concept van een ELLIS Instituut
nader uit. Het Ministerie van EZK staat in contact met deze initiatiefnemers. Voor
de oprichting van een ELLIS Instituut zijn op dit moment geen middelen op de Rijksbegroting
gereserveerd.
Vraag 20
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederland, anders dan het Verenigd Koninkrijk en de
Verenigde Staten, niet over een eigen AI Safety Institute beschikt en daarmee geen
onafhankelijke capaciteit heeft om de frontier-modellen waarvan onze economie en vitale sectoren afhankelijk zijn zelf te beoordelen
of te testen – zoals het Britse AI Safety Institute wel doet via toegangsafspraken
met onder meer Anthropic, Google en OpenAI – mede in het licht van het gegeven dat
juist een jailbreak (gevangenisuitbraak) van Mythos de aanleiding vormde voor het uitschakelen van Fable?
Bent u bereid een Nederlands AI Safety Institute met die taak en passende bevoegdheden
op te richten?
Antwoord 20
Het kabinet onderkent het belang van het monitoren en afdekken van veiligheidsrisico’s
van geavanceerde AI en is van mening dat dit een aanpak vereist die stevig is verankerd
in inhoudelijke expertise. Hiertoe wordt er binnen Nederland, Europa en diverse kennisinstellingen
gewerkt aan het verder versterken van kennis, expertise en samenwerking op het gebied
van AI-veiligheid.
Zoals reeds aan de Kamer aangegeven9 loopt er in dit kader een interdepartementale verkenning naar de mogelijke inrichting
van een onafhankelijk AI-veiligheidsinstituut. Dit, naar voorbeeld van internationale
initiatieven zoals het AI Security Institute (AISI) in het Verenigd Koninkrijk. De
verkenning zal naar verwachting in september resulteren in een adviesrapport. Op basis
van de uitkomsten daarvan zal het kabinet besluiten of en op welke wijze een dergelijk
instituut kan worden ingericht, inclusief de taken, bevoegdheden en benodigde randvoorwaarden.
Het kabinet houdt daarbij rekening met de verschillende bestaande instituten en initiatieven
die de overheid en private organisaties reeds voorzien van advies en expertise op
het gebied van AI en cybersecurity.
Vraag 21
Onderschrijft u het feit dat het versterken van de brede strategische relevantie van
op Nederland gerichte investeringen vraagt om technologische doorbraken over meerdere
domeinen, en niet alleen in AI? Welke rol ziet u daarbij voor het Nationaal Agentschap
voor Disruptieve Innovatie (NADI) als motor voor disruptieve doorbraken over de volle
breedte van de door Wennink benoemde strategische domeinen (digitalisering en AI,
veiligheid en weerbaarheid, gezondheid en biotechnologie, energie- en klimaattechnologie)?
Antwoord 21
Dat onderschrijf ik. En dat is ook een van de redenen dat het kabinet inzet op verschillende
technologiegebieden in de Nationale Technologiestrategie en de Ministeriële Taskforce
Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat. Het doel van NADI is om technologische
doorbraken te realiseren voor grote maatschappelijke uitdagingen. Het ligt voor de
hand dat AI en de andere genoemde technologieën daar een bijdrage aan kunnen leveren.
Vraag 22
Bent u bereid te laten onderzoeken of het NADI volgens de ARPA-methode een programma
kan opzetten dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur op Europese bodem versterkt,
in het bijzonder chips en de bijbehorende ontwerp- en productietooling?
Antwoord 22
Ja, daar ben ik toe bereid. Daarbij zal worden bezien of een verdere specificering
van de scope tijdens de verkenning wenselijk is, bijvoorbeeld de inzet op basismodellen
in het fysieke domein. Bovendien kan het gegeven dat dit onderwerp nadrukkelijk op
de Europese agenda staat mogelijk ook kansen bieden om een dergelijk programma te
versterken met Europese financiering.
Vraag 23
Bent u bereid de Kamer vóór Prinsjesdag een samenhangend tijdpad te sturen voor het
vergroten van de strategische relevantie van Nederland op AI- en breder technologisch
gebied, met daarin in elk geval de besluitvorming over nationale rekencapaciteit en
energie, een ELLIS Instituut, een AI Safety Institute, de versnelde oprichting van
het NADI en de opschaling van de Nationale Investeringsinstelling?
Antwoord 23
Het door u gevraagde tijdspad voor de initiatieven hebben een raakvlak met AI en met
AI modellen, maar zijn onderdeel van verschillende, bredere beleidstrajecten, zoals
deze onder meer in de Taskforce Toekomstige Welvaart en Vestigingsklimaat of in een
proces van beoordeling van voorstellen van de Commissie wordt geapprecieerd. Uw kamer
wordt deze zomer geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de (implementatie
en integratie van de) NADI en de Nationale Investeringsinstelling in een brief vanuit
de Taskforce. Over het vraagstuk van nationale rekencapaciteit en energie kan ik u
aanvullend melden dat het kabinet deze zomer in het kader van het Tech Sovereignty
Packcage van de Europese Commissie een BNC-fiche over het voorstellen ut de Strategic
Roadmap for Digitalisation and AI in Energy met uw kamer zal delen. Voor het ELLIS
Institute wacht het kabinet op de nadere uitwerking van de initiatiefnemers uit het
veld. Zoals eerder in deze brief aangegeven is er t.a.v. de wenselijkheid en mogelijke
inrichting van een onafhankelijk AI veiligheidsinstituut een verkenning gestart. Naar
verwachting wordt het adviesrapport in september opgeleverd. Dit wacht het kabinet
af alvorens hierover beslissingen te nemen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat -
Mede namens
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.