Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Clemminck over lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen
Vragen van het lid Clemminck (JA21) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over lesmethoden op islamitische scholen waarin homoseksualiteit wordt afgewezen (ingezonden 4 augustus 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
31 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitzending van Nieuwsuur over de rol van de islam bij geweld
en vijandigheid tegen homoseksuelen en met het opinieonderzoek van EenVandaag naar
de ervaringen van lhbti’ers in Nederland?1
2
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Heeft u kennisgenomen van de in de uitzending getoonde islamitische lesmaterialen
waarin kinderen onder meer leren dat Allah een volk vernietigde vanwege homoseksuele
relaties, dieren een lhbti-vlag in het vuur gooien en het homohuwelijk in verband
wordt gebracht met de «ontwrichting van de samenleving» en «ernstige ziektes»? Zo
ja, wat is uw reactie op deze lesmaterialen?
Antwoord 2
Ja, ik heb kennisgenomen van de in de uitzending getoonde lesmaterialen. Deze lesmaterialen
zijn ook getoond in een uitzending van Nieuwsuur in september vorig jaar. De suggesties
die in de lesmaterialen worden gedaan, keur ik volstrekt af. Deze suggesties kunnen
ertoe leiden dat kinderen een afkeer krijgen van homoseksualiteit en homoseksuele
personen. Dat zijn denkbeelden waar het onderwijs nooit aan mag bijdragen.
Om dat te voorkomen, geldt in Nederland de wettelijke burgerschapsopdracht die van
scholen eist dat ze de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals vrijheid,
gelijkwaardigheid en solidariteit, bevorderen en daarnaar handelen. De Inspectie van
het Onderwijs (hierna: inspectie) ziet erop toe dat scholen aan deze eisen voldoen.
Vraag 3
Acht u het aanvaardbaar dat dergelijke lesmaterialen worden gebruikt op scholen die
door de Nederlandse overheid worden bekostigd? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties
verbindt u hieraan?
Antwoord 3
Alle scholen in Nederland moeten zich houden aan de wettelijke burgerschapsopdracht.
De inspectie houdt daar toezicht op. De inspectie houdt geen toezicht op afzonderlijke
lesmaterialen, maar kijkt wel naar de manieren waarop lesmaterialen worden gebruikt.
Als de inspectie lesmateriaal tegenkomt dat kan leiden tot homofobie of tot andere
vormen van onverdraagzaamheid, zal de inspectie constateren dat bij het gebruik ervan
strijdigheid met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat kan optreden. Een
onderzoek op een school die zulk lesmateriaal gebruikt, wordt dan mede gericht op
het precieze gebruik.
Ook breder controleert de inspectie hoe de school kennis en respect van en voor de
basiswaarden van de democratische rechtsstaat bevordert. Doen scholen dit onvoldoende,
dan handelen ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en kan de inspectie
een herstelopdracht geven.
Vraag 4
Klopt het dat de Inspectie van het Onderwijs deze specifieke lesmaterialen heeft beoordeeld
en heeft geconcludeerd dat het gebruik hiervan binnen de geldende wettelijke kaders
is toegestaan? Zo ja, op welke wettelijke bepalingen en inhoudelijke afwegingen is
deze conclusie gebaseerd?
Antwoord 4
De inspectie houdt geen toezicht op lesmateriaal zelf, maar houdt toezicht op het
gebruik ervan.
Naar aanleiding van de publicatie van Nieuwsuur vorig jaar heeft de inspectie gesproken
met besturen, schoolleiders, leraren en leerlingen van de betrokken scholen. In de
gesprekken met besturen en schoolleiders is gesproken over de bevordering van basiswaarden
binnen de religieuze context van de scholen. De inspectie heeft gesprekspartners bevraagd
op hun gebruik van de leermiddelen die in de publicatie van Nieuwsuur aan bod kwamen.
Onder leraren en leerlingen is vervolgens getoetst of wat besturen aangaven ook is
wat in de praktijk wordt ervaren. Dat is conform de gangbare werkwijze van de inspectie.
De inspectie constateert op basis hiervan dat de betreffende scholen doordachte curricula
hebben waarin zowel ruimte is voor het actief bevorderen van de basiswaarden van de
democratische rechtsstaat als voor de eigen levensbeschouwelijke identiteit van de
school. Eén school vormt een uitzondering. Deze school heeft van de inspectie een
herstelopdracht gekregen omdat het burgerschapsonderwijs op de school niet voldeed
aan de wettelijke eisen. De school heeft na een hersteltermijn de geconstateerde tekortkomingen
nog niet hersteld. De inspectie beraadt zich op maatregelen.
Vraag 5
Heeft de Inspectie van het Onderwijs volledig zicht op de lesmethoden, leesboekjes
en aanvullende religieuze leermiddelen die op islamitische scholen worden gebruikt?
Zo nee, hoe kan de Inspectie dan vaststellen of het onderwijs voldoet aan de burgerschapsopdracht
en of sprake is van een sociaal veilige leeromgeving?
Antwoord 5
De inspectie houdt geen overzicht bij van alle lesmethoden die op scholen worden gebruikt,
hiermee handelt zij conform de huidige wetgeving. De inspectie betrekt in haar toezicht
de manier waarop lesmateriaal in de lessen wordt gebruikt om te beoordelen of de school
handelt conform de wettelijke burgerschapsopdracht en de zorgplicht voor de veiligheid.
Vraag 6
Op welke wijze controleert de Inspectie of religieuze lesmaterialen niet alleen afzonderlijk,
maar ook in hun onderlinge samenhang bijdragen aan een schoolcultuur die in overeenstemming
is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat?
Antwoord 6
De inspectie houdt toezicht op het gebruik van lesmaterialen, afzonderlijk of samen,
en hoe dat zich verhoudt tot bijvoorbeeld de schoolcultuur. Uit de wettelijke burgerschapsopdracht
volgt dat een schoolcultuur in overeenstemming moet zijn met de basiswaarden van de
democratische rechtsstaat, waaronder vrijheid, gelijkwaardigheid en solidariteit.
Vraag 7
Is bij u en de Inspectie bekend door welke personen, organisaties, uitgeverijen of
religieuze instellingen de in de uitzending getoonde lesmethoden zijn ontwikkeld en
verspreid? Zo ja, kunt u uiteenzetten welke partijen hierbij betrokken zijn?
Antwoord 7
De inspectie heeft kennisgenomen van het lesmateriaal dat in de genoemde uitzending
wordt getoond, maar houdt geen toezicht de specifieke herkomst van de methoden.
Vraag 8
Is bekend hoe de ontwikkeling, productie, aanschaf en verspreiding van deze lesmaterialen
zijn gefinancierd, waaronder eventuele financiering door Nederlandse overheden, schoolbesturen,
religieuze organisaties of buitenlandse personen, organisaties of overheden? Zo nee,
bent u bereid dit te onderzoeken?
Antwoord 8
Dit is niet bekend. Voor de aanschaf van lesmaterialen ontvangen scholen centrale
bekostiging in de vorm van een lumpsum, waarbinnen zij zelf bestedingsvrijheid hebben.
De inspectie houdt geen toezicht op de aanschaf van lesmaterialen door scholen. Evenmin
controleert de inspectie de financiële stromen van afzonderlijke uitgeverijen, ontwikkelaars
of lesmaterialen. Indien signalen aanhouden over dergelijk lesmateriaal, bezie ik
of nader toezicht op de herkomst van lesmateriaal van waarde kan zijn en wat daar
wettelijk voor nodig is. brengen.
Vraag 9
Worden deze lesmethoden centraal ingekocht of aanbevolen door samenwerkingsverbanden,
koepelorganisaties of andere organisaties binnen het islamitisch onderwijs? Zo ja,
welke organisaties betreft dit en op hoeveel scholen worden deze materialen gebruikt?
Antwoord 9
Scholen bepalen zelf hoe zij de inkoop van lesmateriaal organiseren. Dit kunnen zij
doen als individuele school, maar ook op bestuursniveau of binnen een koepelorganisatie.
Hier zijn geen overzichten of tellingen van.
Vraag 10
Welke wettelijke taken, bevoegdheden en mogelijkheden hebben gemeenten om toezicht
te houden of in te grijpen wanneer binnen hun gemeente islamitische scholen worden
opgericht of uitgebreid en er zorgen bestaan over de gebruikte lesmaterialen, de invulling
van de burgerschapsopdracht of de sociale veiligheid van leerlingen? Acht u de huidige
positie en het instrumentarium van gemeenten hierbij toereikend? Zo nee, bent u bereid
gemeenten meer mogelijkheden te geven om dergelijke zorgen bij de Inspectie en het
ministerie af te dwingen en opvolging daarvan te verlangen?
Antwoord 10
In de Grondwet is het onderwijs bestempeld als een verantwoordelijkheid van de regering.
De inspectie houdt toezicht op het onderwijs en controleert of scholen aan de wettelijke
eisen voldoen. Leven er binnen een gemeente zorgen over een school, dan kunnen zij
die overbrengen aan de inspectie.
Met het oog op de stichting van scholen specifiek heeft de gemeente de mogelijkheid
om bij iedere stichtingsaanvraag hun zienswijze in te brengen. De grondslag van een
school is op zichzelf echter nooit een legitieme grond voor bezwaar.
De beschreven rolverdeling tussen gemeente en Rijk acht ik passend bij de grondwettelijke
uitgangspunten en daarmee ook toereikend.
Vraag 11
Hoe verhoudt het gebruik van de genoemde lesmaterialen zich volgens u tot de wettelijke
burgerschapsopdracht, waaronder het bevorderen van respect voor de basiswaarden van
de democratische rechtsstaat en het creëren van een schoolcultuur die daarmee in overeenstemming
is?
Antwoord 11
Vanuit de wettelijke burgerschapsopdracht heeft een school de plicht om leerlingen
kennis over en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te
brengen. Dat houdt ook in dat respect voor verschillen de norm is, bijvoorbeeld in
seksuele gerichtheid. De genoemde lesmaterialen passen daar niet bij en leiden ertoe
dat de inspectie in haar toezicht extra aandacht heeft voor de invulling van de burgerschapsopdracht
en het burgerschapsonderwijs op de betreffende school.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat de vrijheid van onderwijs geen vrijbrief kan zijn om kinderen
met publiek geld les te geven uit materialen die homoseksuele relaties stigmatiseren
of in verband brengen met ziekte, vernietiging en maatschappelijke ontwrichting?
Antwoord 12
Ja, die opvatting deel ik. Het onderwijs moet voor iedereen veilig en vrij zijn, en
geen voedingsbodem voor denkbeelden die indruisen tegen de basiswaarden van onze democratische
rechtsstaat. Dat geldt overigens niet alleen voor het bekostigd onderwijs, maar bijvoorbeeld
voor al het onderwijs, ook particulier.
Vraag 13
Welke mogelijkheden hebben de Inspectie en de Staatssecretaris op dit moment om in
te grijpen wanneer een school dergelijke lesmethoden gebruikt, maar volgens de huidige
uitleg nog niet aantoonbaar de wettelijke ondergrens overschrijdt? Acht u dit instrumentarium
toereikend?
Antwoord 13
De inspectie ziet toe op de naleving van de wet en beoordeelt in dat kader of scholen
voldoen aan de wettelijke eisen die de burgerschapsopdracht aan hen stelt. Zo niet,
dan krijgen scholen een herstelopdracht. Zie verder het antwoord op vraag 14 voor
een uitgebreidere beschrijving van het instrumentarium dat de inspectie en de Minister
hebben bij het niet naleven van wettelijke eisen.
Vraag 14
Kunt u de zogenoemde escalatieladder uiteenzetten waarnaar u in de uitzending van
Goedenavond Nederland van 28 juli 2026 verwees, inclusief de verschillende interventies,
de voorwaarden voor toepassing daarvan en de gemiddelde tijd die verstrijkt voordat
tot een bekostigingssanctie of sluiting kan worden overgegaan?3
Antwoord 14
Wanneer de inspectie constateert dat een school in strijd handelt met de wettelijke
burgerschapsopdracht, of met een andere wettelijke eis, geeft de inspectie in principe
eerst een herstelopdracht. Dat is de opdracht aan een school om een vastgestelde tekortkoming
te herstellen binnen een bepaalde termijn, maximaal een jaar. Na de hersteltermijn
doet de inspectie opnieuw een onderzoek. Is de tekortkoming dan nog niet hersteld,
dan kan de inspectie een bekostigingssanctie opleggen. Bij de eerste sanctie wordt
maximaal 15% van de maandelijkse bekostiging ingehouden. Daarna loopt de sanctie gefaseerd
op tot een uiteindelijke inhouding van 100% van de maandelijkse bekostiging.
Het proces verloopt iets anders wanneer de inspectie constateert dat een school structureel
of flagrant in strijd handelt met de wettelijke burgerschapsopdracht en dat dit leidt
of dreigt te leiden tot een ernstige aantasting van een of meer van de basiswaarden
van de democratische rechtsstaat. De inspectie kan dan wanbeheer vaststellen en draagt
de zaak over aan de Minister, die vervolgens een aanwijzing kan opleggen. Dat is een
set maatregelen die het schoolbestuur moet nemen om het wanbeheer te beëindigen. Dat
moet het schoolbestuur op korte termijn doen, vaak binnen enkele weken. Bij zeer hoge
urgentie en de constatering van een redelijk vermoeden van wanbeheer door de inspectie
kan de Minister ook een spoedaanwijzing opleggen en is het aan het schoolbestuur om
meteen het wanbeheer te beëindigen, binnen enkele dagen.
Als een school de (spoed)aanwijzing niet naleeft en het wanbeheer niet herstelt, kan
de Minister direct een bekostigingssanctie opleggen en tot 100% inhouden van de maandelijkse
bekostiging. Als een school een aanwijzing specifiek gericht op burgerschap of veiligheid
niet naleeft en er sprake blijft van wanbeheer, kan de Minister de bekostiging van
een school geheel beëindigen (bij bijzondere scholen) of de school sluiten (bij openbare
scholen). Deze bevoegdheid kan alleen in uitzonderlijke gevallen worden ingezet als
ultimum remedium.
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat de huidige escalatieladder mogelijk onvoldoende mogelijkheden
biedt om snel en effectief in te grijpen wanneer scholen structureel gebruikmaken
van lesmateriaal dat homoseksuelen en homoseksuele relaties stigmatiseert?
Antwoord 15
Waar het de wettelijke burgerschapsopdracht betreft, hebben de inspectie en de Minister
diverse instrumenten tot hun beschikking om in te grijpen wanneer scholen de wet niet
naleven. Sinds de inwerkingtreding van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium
in 2023 heeft de Minister de mogelijkheid om sneller in te grijpen. Het opleggen van
een spoedaanwijziging, zoals gebeurde bij scholen die niet voornemens waren de doorstroomtoets
af te nemen, is hiervan een voorbeeld. In sommige gevallen kan de Minister echter
alsnog minder snel ingrijpen dan gewenst. Dit najaar wordt gestart met de evaluatie
van de Wet. Via de evaluatie, die in het voorjaar van 2028 gereedkomt, zal inzicht
worden verkregen in de doeltreffendheid, doelmatigheid en de effecten van deze wet
in de praktijk. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid tot de gewenste
kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor verbetering. Ik
zal bezien of die aanbevelingen en de ervaringen die worden opgedaan naast de evaluatie
moeten leiden tot aanpassingen van de wet om waar gewenst sneller te kunnen optreden.
Vraag 16
Bent u bereid de escalatieladder en de onderliggende wet- en regelgeving te herzien,
zodat scholen die structureel dergelijke lesmethoden gebruiken sneller een aanwijzing,
bekostigingssanctie of, als ultimum remedium, sluiting tegemoet kunnen zien?
Antwoord 16
Dit najaar start een evaluatie van de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium.
In die evaluatie wordt ook bezien of verdere uitbreiding van het huidige instrumentarium
wenselijk en noodzakelijk is. De evaluatie moet vaststellen of de wet heeft geleid
tot de gewenste kwaliteitsverbeteringen en (eventuele) aanbevelingen benoemen voor
verbetering.
Vraag 17
Uit onderzoek van het EenVandaag Opiniepanel blijkt dat 70 procent van de ondervraagde
lhbti’ers het als een probleem ervaart om de eigen seksuele oriëntatie of genderidentiteit
in het openbaar te tonen en dat zij weerstand vooral ervaren vanuit religieuze en
extreemrechtse hoek, waarbij met name de islam wordt genoemd.4 Hoe beoordeelt u deze uitkomsten?
Antwoord 17
Ik vind het vreselijk dat mensen zich niet geaccepteerd voelen vanwege hun seksuele
gerichtheid of genderidentiteit. In Nederland moet iedereen in veiligheid en vrijheid
zichzelf kunnen zijn en zich gelijkwaardig weten, ongeacht seksuele gerichtheid of
genderidentiteit. Dat geldt overal: op school, tijdens het sporten, op de werkvloer
en online. Helaas laten verschillende onderzoeken zien dat lhbtiq+ personen nog altijd
een hogere mate van onveiligheid ervaren. De resultaten van dit onderzoek zijn niet
verrassend, maar daarom niet minder zorgwekkend. Ik vind het schrijnend dat het voor
een ruime meerderheid van de lhbtiq+-gemeenschap een probleem is om hun seksuele gerichtheid
in het openbaar te laten zien. De signalen dat lhbtiq+ personen weerstand ervaren
uit religieuze en extreemrechts hoek, zijn bekend. Op basis van nadere onderzoeksresultaten
die we in 2027 verwachten, bekijken we of aanvullend onderzoek en inzichten nodig
zijn met betrekking tot de oorzaken van dalende acceptatie in relatie tot onder andere
de manosfeer en religieus conservatisme.
Vraag 18
Deelt u de zorg dat onderwijs waarin homoseksualiteit expliciet negatief of bedreigend
wordt voorgesteld, kan bijdragen aan het maatschappelijke klimaat waarin lhbti’ers
aangeven hun gedrag, kleding en uitingen aan te passen uit angst voor negatieve reacties?
Antwoord 18
Ja, deze zorg deel ik. Ik kan mij goed voorstellen dat als de schoolcultuur homoseksualiteit
negatief voorstelt, lhbtiq+ leerlingen zich onveilig voelen en dat zij dit de rest
van hun leven met zich meedragen. Dat is onacceptabel. Daarom vraagt de wettelijke
burgerschapsopdracht van scholen dat zij zorgdragen voor een schoolcultuur vanuitde
basiswaarden van de democratische rechtsstaat en waarin iedereen zich veilig en geaccepteerd
weet. Doen ze dit niet, dan handelen ze in strijd met de wet en zal de inspectie herstel
afdwingen.
Onderwijs speelt een belangrijke rol in de socialisatie van leerlingen en in het vormen
van een stevige en veilige pedagogische basis, waar vanuit iedere leerling zich in
vrijheid kan ontwikkelen. Het bevorderen van een positief maatschappelijk klimaat
voor lhbtiq+ personen reikt echter verder dan het onderwijs. Dat is een opdracht aan
ons allemaal.
Vraag 19
Bent u bereid de Inspectie van het Onderwijs opdracht te geven gericht onderzoek te
doen naar de aard, omvang en inhoud van lesmaterialen over homoseksualiteit, relaties
en het homohuwelijk binnen het islamitisch onderwijs, en de Kamer over de uitkomsten
daarvan te informeren?
Antwoord 19
De inspectie doet verdiepend onderzoek naar de omgang van scholen met potentiële strijdigheid
in basiswaarden, onder andere met het oog op seksuele diversiteit. Dit onderzoek richt
zich op ervaringen van leerlingen en op dilemma’s en het handelingsrepertoire van
leraren.
Vraag 20
Kunt u vaststellen hoeveel scholen deze lesmethoden gebruiken of in het verleden hebben
gebruikt, gedurende welke periode dit is gebeurd en hoeveel leerlingen naar schatting
reeds met deze materialen in aanraking zijn gekomen?
Antwoord 20
Nee, de inspectie houdt geen overzicht of tellingen van lesmethoden bij.
Vraag 21
Deelt u de opvatting dat leerlingen die onderwijs hebben ontvangen waarin homoseksuele
relaties worden voorgesteld als ziekmakend, maatschappelijk ontwrichtend of aanleiding
voor goddelijke bestraffing, mogelijk onvoldoende onderwijs hebben gekregen in overeenstemming
met de wettelijke burgerschapsopdracht?
Antwoord 21
Ja, die opvatting deel ik. Dergelijk onderwijs kan leiden tot een schoolcultuur die
niet in overeenstemming is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en
waarin leerlingen en personeel zich onvoldoende veilig weten. Een school die onvoldoende
doet aan een schoolcultuur vanuit de basiswaarden, handelt in strijd met de wettelijke
burgerschapsopdracht.
Vraag 22
Bent u bereid maatregelen te treffen om eventuele schade bij deze leerlingen te herstellen,
bijvoorbeeld door de betrokken scholen te verplichten aanvullend burgerschapsonderwijs
aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit
en de grondrechten van lhbti’ers?
Antwoord 22
Scholen moeten zorgdragen voor een schoolcultuur vanuit de basiswaarden van de democratische
rechtsstaat en gericht op de veiligheid van leerlingen. Doen ze dat niet, dan handelen
ze in strijd met de wettelijke burgerschapsopdracht en geeft de inspectie daarvoor
een herstelopdracht. Blijft herstel uit, ondanks de herstelopdracht, dan kan de inspectie
een financiële sanctie opleggen om de school op die manier te dwingen de tekortkomingen
te herstellen en de wet na te leven.
Op grond van de wettelijke burgerschapsopdracht, zijn alle scholen verplicht om onderwijs
aan te bieden over gelijkwaardigheid, het discriminatieverbod, seksuele diversiteit
en de universele rechten van de mens.
Vraag 23
Zo ja, hoe wordt gecontroleerd dat dit aanvullende onderwijs daadwerkelijk wordt aangeboden
en inhoudelijk voldoet aan de basiswaarden van de democratische rechtsstaat? Zo nee,
waarom acht u herstelmaatregelen niet noodzakelijk?
Antwoord 23
Als de inspectie een herstelopdracht geeft, wordt vervolgens opnieuw onderzoek gedaan
op de school naar de voortgang en mate van herstel. De inspectie onderzoekt of de
school inmiddels wél voldoet aan de wettelijke eisen.
Vraag 24
Bent u tevens bereid om, in afwachting van dat onderzoek, met de betrokken schoolbesturen
in gesprek te gaan over het onmiddellijk uitfaseren van lesmaterialen waarin homoseksuele
relaties in verband worden gebracht met ziekte, goddelijke bestraffing of maatschappelijke
ontwrichting?
Antwoord 24
Het verbieden van lesmateriaal als zodanig past niet bij artikel 23 van de Grondwet,
waarin staat dat de keuze voor leermiddelen vrij is.
Vraag 25
Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden?
Antwoord 25
Ja.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.