Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Claassen over het artikel 'Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8'
Vragen van het lid Claassen (Groep Markuszower) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8» (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
31 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2310.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Vmbo- en praktijkscholen in de knel door optimistische schooladviezen groep 8»?1
Antwoord 1
Ja
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de signalen van vmbo- en praktijkscholen dat het beleid van zogenoemd
kansrijk adviseren leidt tot grote aantallen afstromende leerlingen, extra werkdruk,
stijgend ziekteverzuim en organisatorische problemen binnen scholen?
Antwoord 2
Deze signalen neem ik serieus en daarom houd ik op verschillende manieren vinger aan
de pols wat betreft de in-, op-, af- en doorstroom van leerlingen en de effecten van
de maatregel bijstellen schooladvies (zie hiervoor ook de toelichting bij de beantwoording
van vraag 4).
Vraag 3
Deelt u de opvatting dat een beleid dat bedoeld is om kansen te vergroten, maar in
de praktijk leidt tot teleurstelling, faalervaringen en gedwongen schoolwisselingen
voor duizenden kinderen, zijn doel voorbijschiet? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Dit schooljaar hebben we voor het eerst de cijfers (van het éérste cohort leerlingen
dat de doorstroomtoets gemaakt heeft) waarmee het goed mogelijk is om het effect van
de wet doorstroomtoetsen po en de maatregel bijstellen schooladvies te onderzoeken.
Deze leerlingen zitten nu in leerjaar 3.
Op basis van voorspellend onderzoek is het te verwachten dat het aantal leerlingen
dat «afstroomt» iets zal toenemen.2 Bij een sterke toename van de afstroom of bij een grotere afstroom bij bepaalde groepen
moet gekeken worden waar dat aan ligt. Afgelopen jaar liet DUO zien dat leerlingen
met een lage sociaaleconomische status (SES) vaker «afstromen» dan leerlingen met
een hoge SES. Een eerste onderzoek van de VO-raad liet zien dat er sinds de introductie
van de doorstroomtoets in 2023 geen grote wijzigingen zijn in de doorstroom van leerjaar
1 naar leerjaar 2. Het aandeel leerlingen dat afstroomt na het eerste leerjaar is
iets gestegen, maar veel minder hard dan het aandeel dat een bijgesteld advies kreeg.3 Voor veruit de meeste leerlingen lijkt de maatregel «bijstellen schooladvies» vooralsnog
dus goed uit te pakken.
Onderzoeken zoals hierboven beschreven en de jaarlijkse monitoring door DUO helpen
bij de evaluatie van het beleid, de conclusies met betrekking tot effectiviteit en
om waar nodig aanpassingen te maken.
Vraag 4
Hoeveel leerlingen zijn sinds de invoering van het beleid rond kansrijk adviseren
alsnog afgestroomd naar een lager onderwijsniveau en bent u bereid inzichtelijk te
maken welke gevolgen dit heeft gehad voor de personele inzet, de ondersteuningsbehoefte
en de kosten binnen het vmbo en praktijkonderwijs?
Antwoord 4
Het beleid omtrent bijstelling van het schooladvies is gestart met invoering van de
Wet doorstroomtoets po in schooljaar 2023–2024. Komend schooljaar zit de eerste lichting
van de leerlingen die de doorstroomtoets hebben gemaakt in leerjaar drie van het vo.
Leerjaar 3 is een goed leerjaar om wijzigingen in schooladvisering te onderzoeken.4 Komend jaar zijn dus voor dit eerste cohort de cijfers te zien van de in-, op-, af-
en doorstroom en de effecten van de maatregel bijstellen schooladvies. Deze cijfers
worden gebruikt in verschillende onderzoeken, zoals genoemd in het antwoord op vraag
5.
Als deze onderzoeken daar aanleiding toe geven, kan opdracht gegeven worden tot vervolgonderzoek
waarbij ook ingegaan kan worden op de gevolgen voor bijvoorbeeld personele inzet en
kosten binnen bepaalde onderwijstypes.
Vraag 5
Beschikt u over gegevens waaruit blijkt hoeveel leerlingen die op basis van een kansrijk
advies instromen uiteindelijk binnen één, twee of drie jaar alsnog afstromen naar
een lager onderwijsniveau? Zo ja, kunt u deze gegevens, uitgesplitst naar schoolsoort
en schooljaar sinds de invoering van dit beleid, met de Kamer delen? Zo nee, waarom
wordt de effectiviteit van dit beleid niet systematisch gemonitord?
Antwoord 5
Komend schooljaar komen de data beschikbaar over waar de eerste lichting leerlingen
die de doorstroomtoets gemaakt heeft in leerjaar 3 terecht is gekomen. OCW is betrokken
bij verschillende onderzoeken in dit kader:
– DUO monitort jaarlijks systematisch de doorstroom van leerlingen waarbij gekeken wordt
naar het (al dan niet bijgestelde) schooladvies en de plek in het vo in leerjaar 1
en 3 van het vo. Daarbij wordt uitgesplitst naar schoolsoort, sociaaleconomische status,
geslacht, stedelijkheid en herkomst. Deze monitor wordt jaarlijks rond april met uw
Kamer gedeeld.
– De evaluatie van de Wet doorstroomtoetsen po, waarin gekeken wordt naar de effecten
van deze wet, inclusief de maatregel «bijstellen schooladvies». Deze wordt in deelrapporten
naar uw Kamer gestuurd, waarvan u de eerste dit najaar ontvangt.
– DUO bekijkt momenteel of verdiepend onderzoek gedaan kan worden naar leerloopbanen
op de langere termijn.
Vraag 6
Erkent u dat het streven naar kansengelijkheid nooit ten koste mag gaan van realistische
schooladviezen, onderwijskwaliteit en het welzijn van leerlingen? Zo ja, bent u bereid
het beleid rond kansrijk adviseren te heroverwegen en te onderzoeken hoe het professionele
oordeel van leraren weer zwaarder kan gaan wegen?
Antwoord 6
Het beleid rondom de doorstroomtoets en de maatregel «bijstellen schooladvies» is
erop gericht dat leerlingen een passend schooladvies krijgen.5 Een passend schooladvies dient realistisch te zijn, want alleen zo kunnen leerlingen
optimaal leren en hun talenten optimaal ontwikkelen. De maatregel «bijstellen schooladvies»
roept daarom op leerlingen een advies te geven dat past bij de vaardigheden die zij
hebben laten zien. Het is erop gericht dat leerlingen die gelijke vaardigheden laten
zien, in principe gelijke schooladviezen krijgen. Tenzij dat niet in het belang is
van de leerling.
De doorstroomtoets is een hulpmiddel: het oordeel van de school weegt uiteindelijk
zwaarder. Ik zie voldoende vrijheid voor scholen om, in het belang van de leerling,
van de maatregel af te wijken. Bij één op vier leerlingen die op de toets laten zien
meer uitdaging aan te kunnen, besluit de school het advies niet bij te stellen.6
Zoals aangegeven in mijn Kamerbrief van 2 juli vind ik het onverstandig om de maatregel
«bijstellen schooladvies» op dit moment af te schaffen.7 Dit zou er toe leiden dat jaarlijks duizenden leerlingen een schooladvies krijgen
dat niet passend is bij de vaardigheden die zij op de toets lieten zien, bijvoorbeeld
meiden die te maken krijgen met een (onbewuste) onderschatting van hun vaardigheden.8
Dit wordt ondersteund door jaarlijks monitoringsonderzoek en advies van de Onderwijsraad.9
De motie over het gewicht van de doorstroomtoets in schooladvisering neem ik mee in
de verkenning naar een breder schooladvies.10
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.