Antwoord schriftelijke vragen : Antwoorde op vragen van de leden Bamenga, Mathlouti, Huizenga en El Boujdaini over racistische uitingen jegens spelers van het Nederlands elftal op sociale media
Vragen van de leden Bamenga, Mathlouti, Huizenga en El Boujdaini (allen D66) aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over racistische uitingen jegens spelers van het Nederlands elftal op sociale media (ingezonden 2 juli 2026).
Antwoord van Minister Heerma (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) en de Minister
van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport (ontvangen 31 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de berichtgeving dat spelers van het Nederlands elftal, waaronder
Justin Kluivert, Jurrien Timber en Crysencio Summerville, na de verloren Wereld Kampioenschap
(WK)-wedstrijd tegen Marokko zijn overspoeld met racistische beledigingen en haatreacties
op sociale media?1
Antwoord 1
Ja, het kabinet heeft met afschuw kennis genomen van deze racistische uitingen.
Vraag 2 en 3
Hoe beoordeelt u het feit dat Nederlandse internationals die ons land vertegenwoordigen
op het hoogste sportieve podium na een nederlaag niet worden afgerekend op hun prestaties,
maar op hun huidskleur?
Deelt u de opvatting dat dit een onacceptabele vorm van racisme is die niet alleen
de betrokken spelers raakt, maar ook ingaat tegen de waarden van de Nederlandse democratische
rechtsstaat?
Antwoord 2 en 3
Het is volstrekt onacceptabel wanneer mensen, in dit geval Nederlandse sporters, worden
geconfronteerd met racistische uitingen of worden beoordeeld op hun huidskleur in
plaats van op hun (sportieve) prestaties. Discriminatie op grond van herkomst, afkomst
of huidskleur is verboden in artikel 1 van de Grondwet en gaat in tegen de waarden
van de Nederlandse democratische rechtsstaat. Alhoewel het recht op vrijheid van meningsuiting,
waaronder uitingen die kunnen kwetsen en schuren zoals kritiek, eveneens een essentieel
grondrecht is en een belangrijke voorwaarde voor een open en pluriforme samenleving,
is dit recht niet absoluut. Zij is geen vrijbrief maar brengt verantwoordelijkheden
met zich mee en is begrensd wanneer uitingen de rechten en waardigheid van anderen
aantasten. Discriminerende uitingen, zoals het bewust racistisch beledigen van mensen,
zijn strafbaar. Voor deze gevallen geldt evident dat geen beroep gedaan kan worden
op de bescherming die het recht op vrijheid van meningsuiting biedt.
Artikel 1 van onze Grondwet legt in de eerste plaats de wetgever, het bestuur en de
rechter, de zwaarwegende juridische verplichting op om iedereen in Nederland in gelijke
gevallen gelijk te behandelen. Tegelijkertijd geeft dit grondrecht ook uitdrukking
aan een bredere sociaal-normatieve waarde, namelijk de fundamentele standaard dat
iedereen in Nederland gelijkwaardig is.
Vraag 4
Deelt u de opvatting dat deze uiting van racisme veel meer mensen raakt dan alleen
de betrokken sporters, omdat zij ook een signaal afgeeft aan Nederlanders met een
migratieachtergrond dat zij ondanks hun inzet en prestaties nog steeds op hun afkomst
of huidskleur worden afgerekend?
Antwoord 4
Ja, het kabinet deelt deze opvatting. Gevoelens van uitsluiting en onveiligheid hebben
ook invloed op mensen die zich herkennen in de spelers, omdat zij bijvoorbeeld een
vergelijkbare achtergrond hebben, of van dezelfde komaf zijn. Zo raken deze opmerkingen
niet alleen de spelers maar een breder publiek: het signaal dat je niet wordt beoordeeld
op je inzet, kwaliteiten en prestaties, maar op waar je vandaan komt en wie je bent.
Dit raakt niet alleen de sport maar ook andere maatschappelijke terreinen. Dit soort
uitingen gaan in tegen de kerngedachte van fundamentele gelijkwaardigheid binnen onze
samenleving.
Discriminatie en racisme zijn een diepgeworteld probleem in en van de samenleving.
De gevolgen van discriminatie en racisme tasten de sociale cohesie aan, en daarmee
het vertrouwen in de politiek en overheid waardoor ook de maatschappelijke betrokkenheid
afneemt.2 Dit maakt dat de bestrijding van discriminatie en racisme een maatschappelijke en
gezamenlijke uitdaging is die ons allen aangaat, ook diegenen die hier niet direct
door geraakt worden.
Vraag 5
Indien het antwoord op vragen 3 en 4 «ja» luidt, welke maatregelen neemt u om deze
groep beter te beschermen, racisme krachtiger tegen te gaan en duidelijk uit te dragen
dat afkomst of huidskleur nooit bepalend mag zijn voor de manier waarop iemand in
Nederland wordt behandeld?
Antwoord 5
De opgave waar we als samenleving gezamenlijk voor staan is om gelijkwaardigheid te
bevorderen en discriminatie tegen te gaan in al haar verschijningsvormen, ongeacht
het maatschappelijk terrein. Persoonskenmerken zoals afkomst en huidskleur mogen nooit
bepalend zijn voor de wijze waarop iemand behandeld wordt.
Met betrekking tot het bestrijden van racisme en discriminatie binnen de sport werken
de Ministeries JenV, OCW, SZW en VWS met beperkt budget samen met de KNVB binnen het
programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI). De maatregelen binnen OVIVI zijn gericht
op bewustwording, gedragsverandering, signaleren en sanctioneren. Dit programma loopt
tot het eind van 2026 maar het kabinet is voornemens om maatregelen voor te zetten
in 2027, in lijn met het regeerakkoord.
Als het gaat om discriminatie in de sport is het aandeel van meldingen dat gedaan
wordt bij een antidiscriminatievoorziening (ADV) relatief klein ten opzichte van andere
maatschappelijke terreinen.3 Blijvende en nadrukkelijke aandacht voor het herkennen van discriminatie en het melden
ervan blijft noodzakelijk in de procesbegeleiding en trainingsprogramma’s voor de
clubs, bij zowel amateur- als betaald voetbal organisaties (BVO’s). Om het signaleren
en melden van racistische en andere discriminerende gedragingen en uitingen op en
rond de voetbalvelden te versterken, worden in het Plan van aanpak 2023–2025 verschillende
maatregelen genomen, waaronder het versterken van de samenwerking tussen de KNVB en
ADV’s voor begeleiding van het doen van meldingen, de afhandeling daarvan en kennisdeling
tussen deze organisaties en het Centrum Veilige Sport Nederland.4
Daarnaast ontwikkelt de KNVB in samenspraak met reeds betrokken departementen een
normstellend kader voor het tegengaan van online discriminatie binnen het voetbal,
waarin aandacht voor het doen van meldingen een onderdeel is.5
Voor een effectieve aanpak van discriminatie in Nederland is inzicht in ervaren en
gemelde discriminatie essentieel. In algemene zin is bekend is dat het aantal meldingen
niet representatief is voor de daadwerkelijk ervaren discriminatie.6 Deze beperkte meldingsbereidheid, zowel binnen de sport als binnen andere maatschappelijke
sectoren, is onder andere te verklaren door een gebrek aan vertrouwen in de opvolging
van meldingen.7
Melden heeft altijd zin. ADV’s bieden een luisterend oor, voeren hoor- en wederhoor
en kunnen juridische procedures voeren voor hun melders. Om de meldingstoegankelijkheid
verder te stimuleren is een toegankelijke, deskundige en herkenbare meldstructuur
van groot belang. In de afgelopen jaren is ingezet op professionalisering van de 18
individuele ADV’s (die samen meer dan 95% van de Nederlandse gemeenten bestrijken
als werkgebied), waaronder de lancering van Discriminatie.nl als naam voor álle meldpunten
en de toegenomen aandacht voor Discriminatie.nl als landelijke vereniging. Desondanks
is verdere versterking nodig om de effectiviteit, kwaliteit, uniformiteit – en daarmee
de meldingstoegankelijkheid en het vertrouwen om te melden – te vergroten. Het wetsvoorstel
Bijstand bij discriminatie beoogt deze verbeteringen te bereiken door middel van één
door het Rijk gefinancierde landelijke organisatie met lokale fysieke loketten.8 Deze nieuwe landelijke organisatie zal onafhankelijk zijn in de wijze waarop zij
haar taken uitvoert en krijgt daarnaast nieuwe taken gericht op preventie van discriminatie
en om melders actief door te geleiden naar passende nazorg als dat gewenst is.
Om het vertrouwen in het melden van discriminatie verder te verhogen werkt het kabinet
ook aan een brede publiekscommunicatie waaronder een landelijke campagne, gericht
op de meldingstoegankelijkheid van alle gronden, waaronder ook afkomst en herkomst.
De lancering van de campagne is beoogd voor het najaar van 2026.
Tot slot is de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie (NCDR) ingesteld met het
doel om racisme en discriminatie te bestrijden. Als regeringscommissaris adviseert
de NCDR het kabinet over de aanpak van discriminatie en racisme. De NCDR heeft inmiddels
verschillende adviezen uitgebracht en heeft het voornemen om ook een advies over anti-zwart
racisme op te stellen.9
Vraag 6
Heeft u contact opgenomen met de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (KNVB) en de
betrokken spelers om hen desgewenst te ondersteunen bij vervolgstappen?
Antwoord 6
Ja, er is contact opgenomen met de KNVB en is er steun betuigd over de gedane aangifte.
Tijdens het commissiedebat Sportbeleid op 30 juni 2026 heeft de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport haar afschuw uitgesproken over de racistische uitingen.
Vraag 7 en 8
Deelt u de opvatting dat racistische online haat na grote sportevenementen inmiddels
een voorspelbaar patroon vormt? Zo ja, hoe ondersteunt u topsporters en sportbonden
voor en na grote sportevenementen?
Welke rol ziet u weggelegd voor het programma Ons Voetbal Is Van Iedereen (OVIVI)
in het bestrijden van online racisme in het voetbal, ook vanaf 2027?
Antwoord 7 en 8
De wijze waarop de Nederlandse spelers zijn bejegend na het verlies tegen Marokko,
is helaas geen geïsoleerd incident maar komt vaker voor.10 Uitgangspunt is dat sport moet zorgen voor verbinding, waarbij doorgaans veel positieve
emoties loskomen. Tegelijkertijd is het duidelijk dat discriminatie en racisme helaas
niet ongebruikelijk is op verschillende niveaus en op verschillende gronden.
Specifiek binnen het voetbal komen discriminerende en racistische uitingen relatief
vaak voor, zo laat ook het prevalentie onderzoek van Verian11 uit 2026 zien. Daaruit blijkt dat ongeveer 4% van alle sporters en 3% van alle sportprofessionals
in het afgelopen jaar discriminatie heeft ervaren. Binnen de sport wordt het voetbal
– als grootste teamsport met de meeste aantal leden van Nederland – het vaakst genoemd
als context waarin dergelijke uitingen voorkomen. Het gaat vooral om verbale uitingen
van medespelers, tegenstanders en publiek zo meldt het onderzoek. Dat er sprake zou
zijn van een voorspelbaar patroon van racistische online haat na grote sportevenementen
onderschrijft het kabinet echter niet.
Met de programma’s OVIVI en OCIVI (Onze Club Is Van Iedereen) ondersteunt het kabinet
de sportsector in de strijd tegen discriminatie en racisme in het voetbal en sportbreed.
Zowel op het veld, in de hal, langs de lijn en online.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport heeft tijdens commissiedebat Sportbeleid
van 30 juni 2026 medegedeeld dat er wordt binnen OVIVI gewerkt aan het ontwikkelen
van een slimme technologie om daders op te sporen, om het proces tot vervolging te
vergemakkelijken.
Tot slot heeft het kabinet de intentie de subsidie gericht op het bestrijden van online
racisme te zullen voortzetten in 2027, zoals in reactie op vraag 5 reeds is aangegeven.
Daarover lopen momenteel gesprekken met de KNVB.
Vraag 9
Heeft u momenteel zicht op de omvang van online discriminatie tegen Nederlandse sporters?
Zo nee, bent u bereid te onderzoeken in welke mate Nederlandse topsporters structureel
slachtoffer zijn van online racisme en discriminatie, zodat beleid beter kan worden
ingericht?
Antwoord 9
Het eerder genoemde Verian onderzoek (2026) naar discriminatie in de sport maakt onderscheid
naar vormen van discriminatie, maar omvat geen landelijk percentage voor online discriminatie
van sporters. Op dit moment is er daardoor nog geen volledig zicht op de omvang van
online discriminatie tegen Nederlandse sporters. Wel zijn er diverse onderzoeken die
hieronder toegelicht zullen worden.
Binnen de aanpak OVIVI is aandacht voor online racisme richting voetballers. Hierbij
wordt gebruikgemaakt van monitoring, meldingen en technologie om online haat op sociale
media te signaleren. Dit is terug te zien inde Monitor OVIVI, die jaarlijks door het
Mullier Instituut wordt uitgebracht. De meest recente versie van deze monitor is op
24 juni 2026 aan uw Kamer aangeboden.12
Naast de monitor van OVIVI, heeft Movisie in 2022 een overigens niet-representatief
onderzoek gedaan naar online discriminatie onder mannelijke betaald voetbalspelers.13
Er is in het kader van OVIVI begin dit jaar een vragenlijst uitgezet over (online)
discriminatie onder betaald voetbalspelers in Nederland. Helaas was de respons onder
de mannelijke spelers te laag om over te rapporteren. De respons onder vrouwelijke
speelsters was wel hoog genoeg; de resultaten worden door het Mulier Instituut verwerkt
en later dit jaar gepubliceerd.
Daarnaast voeren momenteel het Verwey Jonker Instituut, de Anne Frank Stichting en
de Erasmus Universiteit het onderzoek uit naar antisemitisme in het betaald voetbal
(in opdracht van de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding). Dat bestaat uit
een bevolkingsonderzoek naar in welke mate discriminatie, racisme en antisemitisme
voorkomt in stadions en in online omgevingen, gerelateerd aan voetbal. Dat rapport
wordt medio 2027 verwacht. Die studie richt zich alleen op voetbal en niet op de ervaringen
van (top)sporters zelf.
Vraag 10 en 11
Acht u de mogelijkheden van politie en Openbaar Ministerie (OM) om personen die zich
via sociale media schuldig maken aan racistische belediging, discriminatie, bedreiging
of het aanzetten tot haat jegens Nederlandse sporters op te sporen en strafrechtelijk
te vervolgen toereikend, ook wanneer daders gebruikmaken van anonieme accounts of
buitenlandse platforms?
Op welke wijze werken Nederlandse autoriteiten samen met buitenlandse autoriteiten
en online platforms wanneer daders zich buiten Nederland bevinden?
Antwoord 10 en 11
Het (kunnen) identificeren van plegers van online haat is ingewikkeld. Daar waar plegers
gebruik maken van anonieme (social media) accounts zijn politie en OM in veel gevallen
afhankelijk van internationale rechtshulp. Dat is een kostbaar en tijdrovend proces,
waarbij het Nederlandse OM voor identificerende gegevens van plegers veelal afhankelijk
is van de autoriteiten van landen waar deze tech-bedrijven zijn gevestigd. Daarom
wordt, daar waar dat kan, via minder ingrijpende middelen zoals Open Source Intelligence
(OSINT) getracht om zekerheid te verkrijgen over de identiteit van de online pleger.
In het geval dat dergelijke informatie ontoereikend is en informatie nodig is uit
het buitenland, zal dit worden opgevraagd middels een rechtshulpverzoek aan de landen
waar de tech-bedrijven zich bevinden.
Daar waar de verdenking zich richt op groepsbelediging ex. artikel 137c van het Wetboek
van Strafrecht (WvSr) kunnen er in beginsel weinig bijzondere opsporingsmethoden worden
ingezet, omdat artikel 137c WvSr geen feit is waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten
(als bedoeld in artikel 67 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Tot slot zal er een gesprek tussen de Minister van Langdurige Zorg Jeugd en Sport
en de Minister van JenV plaatsvinden over de mogelijkheden online haat te bestrijden
op socialemediaplatforms. De terugkoppeling daarvan wordt meegenomen in de eerder
toegezegde stand-van-zakenbrief.
Vraag 12
In hoeveel gevallen van online discriminatie of racistische uitingen heeft het OM
de afgelopen vijf jaar daadwerkelijk vervolging ingesteld en ziet u aanleiding deze
aanpak te intensiveren?
Antwoord 12
Het OM rapporteert jaarlijks over de discriminatiecijfers aan de Minister van JenV
via het cijferrapport «Strafbare Discriminatie in Beeld». Dit rapport wordt jaarlijks
ter kennisgeving aan de Kamer aangeboden door de Minister van JenV. In dit rapport
wordt uiteengezet hoeveel specifieke discriminatiefeiten (zoals groepsbelediging)
er bij het OM zijn ingestroomd en hoeveel feiten er zijn ingestroomd waarin een discriminatieaspect
een rol heeft gespeeld. Per 1 juli 2025 zijn de laatstgenoemde categorie feiten opgenomen
als wettelijke strafverzwaringsgrond in artikel 44bis van het Wetboek van Strafrecht.
In 2025 betroffen het 42 specifieke discriminatiefeiten en 37 feiten waarin een discriminatieaspect
een rol speelde, die online zijn gepleegd.
Het OM werkt in principe aangifte-gedreven; zo staat ook te lezen in de Aanwijzing
discriminatie. Verhoging van de aangiftebereidheid leidt daarmee vrijwel automatisch
tot het vaker (kunnen) afdoen van discriminatiezaken, ook online. Daarnaast wordt
er binnen het OM sinds het afgelopen jaar meer samengewerkt tussen de discriminatie-aanpak
en de aanpak van terrorisme en radicalisering online, om waar mogelijk ook vaker ambtshalve
een discriminatieonderzoek te kunnen starten of afronden.
Vraag 13
Welke concrete verplichtingen vloeien voor (zeer grote) online platforms, zoals Instagram
(Meta), Facebook, X en TikTok, voort uit de Digital Services Act bij het beperken
van systematische racistische haatcampagnes en hoe wordt toegezien op naleving daarvan?
Antwoord 13
Discriminatie is in Nederland en de EU verboden. De Digitaledienstenverordening (Digital
Services Act, DSA) legt zorgvuldigheidsverplichtingen op aan tussenhandeldiensten,
waaronder online platforms zoals Meta, X en TikTok, met als doel om illegale inhoud
zoals online haat en racisme aan te pakken. Zo moeten de genoemde platforms voorzien
in doeltreffende kennisgevings- en actiemechanismen waar illegale inhoud kan worden
gemeld. De genoemde platforms moeten verder de zogenaamde systeemrisico’s die voortvloeien
uit hun diensten in kaart brengen en beperken. Deze systeemrisico’s kunnen onder meer
risico’s omvatten die worden veroorzaakt door schadelijke inhoud, zoals online haat
en discriminatie.
Het toezicht op de naleving van deze verplichtingen uit de DSA voor Meta, X en TikTok
– zogenoemde zeer grote online platforms (Very Large Online Platforms, VLOP’s) – ligt
bij de Europese Commissie.
De DSA maakt het daarnaast mogelijk voor organisaties met specifieke expertise in
het opsporen, identificeren en melden van illegale inhoud, om gecertificeerd te worden
als «betrouwbare flagger». In Nederland worden aanvragen voor die status behandeld
door de Autoriteit Consument en Markt. Betrouwbare flaggers kunnen illegale inhoud
bij online platforms melden. Zulke meldingen moeten met prioriteit worden behandeld
door online platformen. In dit kader is het relevant dat Meld.Online Discriminatie
(MOD) is gecertificeerd als betrouwbare flagger voor meldingen van online discriminatie
in Nederland.14 Naar aanleiding van de discriminerende bejegeningen van de Oranjespelers, heeft MOD
meerdere berichten als illegaal beoordeeld en hierover verwijderverzoeken ingediend
bij online platforms. De verwijderverzoeken zijn allen ingewilligd door de bevraagde
platforms.15
Vraag 14
Heeft u aanleiding om te veronderstellen dat de betrokken platforms in deze zaak onvoldoende
of te laat hebben ingegrepen tegen de golf aan racistische reacties? Zo ja, welke
mogelijkheden heeft u om platforms daarop aan te spreken of handhavend op te treden?
Antwoord 14
Ja, uit de berichtgeving blijkt dat de Oranjespelers op grote schaal zijn geconfronteerd
met racistische uitingen. Daaruit concludeer ik dat de platformen er niet in zijn
geslaagd om gebruikers van hun diensten te beschermen tegen online haat en discriminatie.
Dat is verontrustend en zou niet moeten gebeuren. Het ligt voor de hand dat platforms
bij voorspelbare piekmomenten extra maatregelen treffen. Uit navraag bij betrokken
platforms volgt dat zij actief monitoren op racistische content. Zowel TikTok als
Meta geven aan dat zij anticiperen op grote gebeurtenissen, zoals sportevenementen.
Het is aan de Europese Commissie om te onderzoeken of zij met hun huidige werkwijze
voldoen aan de verplichtingen uit de DSA.
Vraag 15
Hoe beoordeelt u het feit dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen hun sociale
media af te schermen om zichzelf tegen racistische haat te beschermen? Wat zegt dit
volgens u over de huidige bescherming van slachtoffers van online discriminatie?
Antwoord 15
Het is onacceptabel dat de betrokken spelers zich genoodzaakt zagen om hun sociale
media af te schermen tegen haat en racisme. Geconfronteerd worden met online haat
en racisme moet niet getolereerd en genormaliseerd worden, of dat gaat om de betrokken
spelers, of wie dan ook. Dit incident laat zien dat de bescherming van slachtoffers
onvoldoende was. Dit demonstreert de noodzaak, urgentie en belang voor het tegengaan
van online discriminatie, en dat duurzamere en effectievere bescherming en ondersteuning
van slachtoffers van groot belang zijn. Deze taak valt ons allemaal toe. Het kabinet
trekt hier in samen op met het maatschappelijk middenveld vanuit het Plan van aanpak
tegen online discriminatie.16
Vraag 16
Verwacht u van grote platforms dat zij op voorspelbare piekmomenten, waaronder grote
sportevenementen zoals een wereldkampioenschap voetbal, extra inzetten op moderatie
en detectie van racistische uitingen en haatcampagnes? Zo ja, acht u de huidige inzet
voldoende?
Antwoord 16
Zie het antwoord onder vraag 14.
Vraag 17
Kunt u uiteenzetten wat de voortgang is van het maatregelenpakket uit het Plan van
aanpak tegen online discriminatie, gepresenteerd september 2025?
Antwoord 17
Het Plan van aanpak online discriminatie omvat rijksbrede maatregelen ter bestrijding
van alle vormen van online discriminatie. Het Plan van aanpak zet onder andere in
op vaker en meer zichtbare consequenties voor daders, betere ondersteuning van slachtoffers
en meer maatschappelijke bewustwording. Hieronder een paar voorbeelden van maatregelen
uit het Plan van aanpak die zijn uitgevoerd of momenteel worden uitgevoerd.
Het kabinet investeert vanaf 2025 structureel in de expertise en personeelsbezetting
van de gespecialiseerde politie-eenheid voor discriminatie, ECAD-P genaamd. Deze investeringen
zijn bedoeld om politie-eenheden te helpen discriminatie beter te herkennen, te registreren
en te bestrijden, zowel offline als online.
Ook steunt het kabinet dit jaar trainingen van International Network Against Cyber
Hate (INACH) aan maatschappelijke organisaties en (decentrale) overheden om bewustwording
over online haatspraak te stimuleren en handelingsperspectieven te bieden. De trainingen
gaan onder meer over de digitale rechten die men heeft, de beschikbare online meldvoorzieningen
en hoe daar gebruik van gemaakt kan worden.
Daarnaast zet het kabinet in op een goede en overzichtelijke hulpinfrastructuur voor
slachtoffers van online discriminatie, waarbij wordt ingezet op intensievere samenwerking
tussen hulporganisaties. Dit blijkt ook uit de lancering van Discriminatie.nl als
naam voor álle meldpunten en diens samenwerkingsovereenkomst met Meld.Online Discriminatie
die dit jaar is ondertekend. Zo kunnen laagdrempeligere meldmogelijkheden geboden
worden aan slachtoffers van online discriminatie.
Ook start in oktober een maatschappelijke dialoog over normen en waarden rond online
discriminatie. Deze dialoog vindt deels plaats op een nog te lanceren dialoogplatform
www.praatmeemetdeoverheid.nl en deels tijdens fysieke bijeenkomsten onder begeleiding van experts. Daarmee zet
het kabinet in op sterkere online normen en waarden, meer maatschappelijke bewustwording
en het betrekken van Nederlanders bij het bedenken van passende beleidsmaatregelen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.