Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Ergin over de uitspraak dat het islamitische geloof ‘het minst tolerant’ zou zijn
Vragen van het lid Ergin (DENK) aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over de uitspraak dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn (ingezonden 30 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
31 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2543.
Vraag 1
Waarom heeft u ervoor gekozen om, naar aanleiding van een onderzoek naar lhbtiq+-opvattingen
onder jongeren, te stellen dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn
in vergelijking met het christendom en andere geloofsovertuigingen?
Antwoord 1
Ik sta pal voor vrijheid en gelijkwaardigheid als fundamentele waarden in onze democratische
rechtsstaat. Deze waarden zijn niet onderhandelbaar. In Nederland moet iedereen in
vrijheid en veiligheid zichzelf kunnen zijn, ongeacht godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, ras, geslacht, handicap, seksuele gerichtheid of welke grond
dan ook.
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongeren van de Universiteit van Amsterdam1 stond op de convocatie van het Commissiedebat Emancipatie van 25 juni jongstleden.
Tijdens dit debat vond een discussie plaats tussen de leden van de commissie. Hierbij
vroegen de leden om een toelichting over acceptatie in relatie tot religie. In mijn
reactie heb ik toegelicht wat het onderzoek hierover zegt. Het onderzoek meldt dat
religieuze jongeren gemiddeld negatievere lhbtiq+-opvattingen hebben dan niet-religieuze
jongeren. Onder religieuze jongeren hebben islamitische jongeren gemiddeld negatievere
lhbtiq+-opvattingen dan christelijke en andersgelovige jongeren (p. 45–46 van het
rapport).
Vraag 2
Klopt het dat het onderzoek geen oordeel geeft over de tolerantie van religies, maar
uitsluitend ziet op opvattingen van jongeren over lhbtiq+-personen? Zo ja, waarop
baseerde u dan uw uitspraak dat het islamitische geloof «het minst tolerant» zou zijn?
Antwoord 2
Het onderzoek brengt in kaart welke factoren correleren met de lhbtiq+-opvattingen
van jongeren. Uit het onderzoek blijkt dat met name de mate van conservatisme, geslacht,
godsdienst en leerweg een rol spelen bij de lhbtiq+-opvattingen van jongeren. Zie
het antwoord op vraag 1.
Vraag 3
Heeft u deze uitspraak gedaan namens het kabinet, onder het beginsel van eenheid van
kabinetsbeleid, of betrof dit uw persoonlijke opvatting?
Antwoord 3
Zie de antwoorden op vragen 1 en 2. In de kabinetsreactie op het onderzoek
De lhbtiq+-opvattingen van 1 juni jl. deel ik mijn appreciatie van de resultaten uit het rapport.2
Vraag 4
Indien dit kabinetsbeleid betreft: kan het kabinet bevestigen dat het islamitische
geloof volgens het kabinet «het minst tolerant» is? Indien dit niet het geval is,
waarom heeft u deze uitspraak dan gedaan als bewindspersoon?
Antwoord 4
Zie de antwoorden op vragen 1, 2 en 3.
Vraag 5
Waarom heeft u ervoor gekozen een algemene kwalificatie te geven van «het islamitische
geloof», terwijl het onderzoek uitsluitend betrekking heeft op opvattingen van respondenten
die zichzelf als moslim identificeren?
Antwoord 5
Het onderzoek De lhbtiq+-opvattingen van jongerenwas onderwerp van gesprek in het Commissiedebat Emancipatie. In mijn reactie heb ik
toegelicht wat het onderzoek hierover zegt als het gaat om religie en verschillen
tussen religies.
Zie ook het antwoord op vraag 1.
Vraag 6
Erkent u dat uw uitspraak een algemene kwalificatie van het islamitische geloof inhoudt,
terwijl de onderzoekers zelf geen conclusies trekken over religies, maar uitsluitend
rapporteren over opvattingen van een onderzochte groep jongeren? Erkent u daarmee
dat u met uw algemene duiding verder bent gegaan dan de onderzoekers zelf verantwoorden?
Antwoord 6
Mijn uitspraken komen voort uit eerdergenoemd onderzoek en zijn gedaan in het Commissiedebat
Emancipatie dat ging over de mogelijke zorgen met betrekking tot afnemende lhbtiq+-acceptatie
onder jongeren.
Vraag 7
Heeft u vooraf kennisgenomen van de methodologische kanttekeningen van de onderzoekers,
waarin zij waarschuwen dat de resultaten met voorzichtigheid moeten worden geïnterpreteerd?
Zo ja, waarom heeft u die waarschuwingen niet betrokken bij uw publieke duiding?
Antwoord 7
Ja. In het verlengde daarvan zijn aanvullende onderzoeken en inzichten nodig om beter
te begrijpen hoe het complex van factoren met betrekking tot lhbtiq+-acceptatie werkt
en daar beleid op te maken voor het verbeteren van de vrijheid en gelijkwaardigheid
van lhbtiq+ personen. In 2027 wordt aanvullend onderzoek gepubliceerd dat onder andere
nader inzicht moet geven in de invloed van (verschillende vormen van) religieus conservatisme.
Op basis van die resultaten weeg ik af welk aanvullend onderzoek en toezicht nodig
is.
Vraag 8
Bent u bereid uw woorden in te trekken en excuses aan te bieden aan de moslimgemeenschap
in Nederland?
Antwoord 8
Ik ga graag in gesprek met de moslimgemeenschap over lhbtiq+-acceptatie in het algemeen
en de vrijheid en gelijkwaardigheid van islamitische lhbtiq+ jongeren in het bijzonder.
Vraag 9
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 9
Ja.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.