Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Stoffer en Ceder over het bericht ‘OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen’
Vragen van de leden Stoffer (SGP) en Ceder (ChristenUnie) aan de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en van Justitie en Veiligheid over het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school vervolgen» (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Tielen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen
31 augustus 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «OM gaat toch ouders die kinderen thuishouden van school
vervolgen»?1
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
Kunt u aangeven hoeveel vrijstellingen voor thuisonderwijs er in de afgelopen jaren
zijn geweest en waar deze cijfers op berusten?
Antwoord 2
De Leerplichtwet 1969 (hierna: Lpw) kent drie vrijstellingen voor de plicht van ouders2 hun kind als leerling in te schrijven op een school. Deze vrijstellingen volgen uit
artikel 5 Lpw, en houden kort samengevat in dat een kind wordt vrijgesteld, wanneer
a) deze om lichamelijke of psychische gronden niet geschikt is voor het onderwijs,
b) de ouders overwegende bedenkingen hebben tegen de richting van het onderwijs op
alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen, en c) het kind al staat
ingeschreven op een school in het buitenland en hier ook regelmatig heengaat. Ouders
met een 5(a)- of 5(b)-vrijstelling kunnen ervoor kiezen om thuisonderwijs te geven,
maar er bestaat geen «vrijstelling voor thuisonderwijs».
In het schooljaar 2024–2025 waren er 2860 5(b)-vrijstellingen. Deze cijfers berusten
op de leerplichttelling.3 Het is niet bekend of er bij al deze vrijstellingen ook vervangend (thuis)onderwijs
wordt geboden.
Vraag 3
Klopt het dat de specifieke categorie van de vrijstelling in verband met de bescherming
van persoonsgegevens niet mag worden geregistreerd en wat betekent dit in de praktijk
voor het verzamelen van gegevens door gemeenten en DUO?4
Antwoord 3
Dit klopt niet. De Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) belet niet
dat deze gegevens worden geregistreerd. Artikel 6 Lpw schrijft voor dat ouders aan
de gemeente waarin zij wonen kennisgeven op welke grond zij menen een beroep te mogen
doen op een vrijstelling. Indien zij een beroep doen op de 5(b)-vrijstelling moet
die kennisgeving de verklaring bevatten dat er overwegende bedenkingen bestaan tegen
de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen
scholen onderscheidenlijk instellingen waarop de jongere geplaatst zou kunnen worden.
In het kader van hun toezichthoudende taak moeten de leerplichtambtenaren van de gemeente,
als een kind niet is ingeschreven op een school, kunnen vaststellen of er beroep op
vrijstelling is gedaan en zo ja, of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor
het doen van beroep op vrijstelling. Hiervoor is het bewaren van genoemde kennisgevingen
en verklaringen noodzakelijk. In dit verband verwijs ik naar een recente uitspraak
van de rechtbank Noord-Holland, waarin de rechtbank het standpunt dat de gemeente
voor het bewaren van de verklaring over de richtingbezwaren geen beroep kon doen op
de wettelijke plicht tot verwerking als bedoeld in de AVG, verwierp.5 De rechtbank achtte het bewaren van de verklaring noodzakelijk, evenredig, proportioneel
en evenwichtig.
DUO registreert dat een leerling een vrijstelling heeft op grond van artikel 5 Lpw,
maar niet of dit is op grond van onderdeel a, b of c. DUO maakt dus niet de koppeling
op persoonsniveau tussen de leerling en de reden van vrijstelling. Voor de leerplichttelling
baseert DUO zich op informatie van de leerplichtambtenaren die per gemeente het totaal
aantal vrijstellingen doorgeven. Hierbij wordt wel een uitsplitsing gemaakt per onderdeel
a, b, of c, maar omdat dit om totalen gaat, is er geen sprake van gegevensverwerking.
Vraag 4
Klopt het dat de wettelijk voorgeschreven evaluatie van de Wet register onderwijsdeelnemers
nog niet heeft plaatsgevonden? Zo ja, wanneer wordt deze opgeleverd en wordt daarin
ook aandacht besteed aan de vrijstellingen van de inschrijvingsplicht?
Antwoord 4
Dat klopt. In het derde kwartaal van dit jaar wordt deze evaluatie gestart en de uitkomsten
worden in de eerste helft van 2027 verwacht. Op dit moment is nog niet precies vastgelegd
op welke elementen deze evaluatie precies ziet. Uw suggestie wordt meegenomen in de
besluitvorming hierover.
Vraag 5
Onderkent u dat volgens de oorspronkelijke bedoeling van de huidige wet voldaan wordt
aan de vereiste kennisgeving op grond van de artikelen 5, aanhef en onder b, 6 en
8, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969 indien ouders bij de kennisgeving de feitelijke
verklaring voegen dat zij overwegende bezwaren hebben tegen de richting van het onderwijs
op alle scholen in de nabijheid van hun woning, onder andere duidelijk blijkend uit
het door het Ministerie van OCW uitgegeven modelformulier van 12 juli 1995 dat nog
opnieuw door u onder de aandacht is gebracht bij de VNG op 2 juni 2016? Constateert
u dat de huidige jurisprudentie feitelijk gezien bijzonder ver verwijderd is geraakt
van dit oorspronkelijke uitgangspunt?
Antwoord 5
Het modelformulier waarnaar wordt verwezen in de vraagstelling is een hulpmiddel voor
gemeenten en heeft geen juridische status. In dat formulier uit 1995 werd ouders verzocht
een feitelijke verklaring te geven dat zij overwegende bedenkingen hebben tegen de
richting van het onderwijs op alle scholen in de nabijheid van hun woning.
In de Nederlandse rechtsstaat is de rechter bevoegd tot interpretatie van wetten en
regels en langs die weg wordt het positieve recht mede vormgegeven. Die interpretatie
kan door de jaren heen veranderen, omdat juridische of maatschappelijke ontwikkelingen
daartoe nopen. Mede daarom bevat de wet (bewust) abstracte termen, die in de rechtspraktijk
nader vorm krijgen. Zo kan het recht meebewegen met de tijd. Het arrest van de HR
van 21 april 2026 is daar een goed voorbeeld van. Het arrest geeft duidelijkheid over
de wijze waarop de Lpw moet worden uitgelegd en toegepast.
Vraag 6
Bent u bekend met het feit dat volgens de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak
van de Raad van State de vrijstelling van de inschrijvingsplicht rechtstreeks voortvloeit
uit de wet indien de kennisgeving de verklaring bevat als bedoeld in artikel 8, eerste
lid, Leerplichtwet en dat het college van de gemeente daarom niet bevoegd is een inhoudelijke
beslissing te nemen?6
Antwoord 6
Ik ben bekend met deze jurisprudentie over het van rechtswege ontstaan van de vrijstelling.
Deze jurisprudentie betreft slechts de afbakening van de bevoegdheid van de bestuursrechter
ten opzichte van die van de strafrechter. Er is dus geen sprake van verschillende
inhoudelijke lijnen in de rechtspraak over de voorwaarden waaronder een vrijstelling
ontstaat.
Vraag 7
Hoe gaat u om met de situatie dat twee hoogste nationale rechterlijke instanties een
verschillende lijn hanteren ten aanzien van deze vrijstelling op grond van de Leerplichtwet
en vraagt de zorgvuldigheid in zulke uitzonderlijke situaties niet dat bij uitstek
de wetgever eerst duidelijkheid schept om de impasse in de praktijk te doorbreken?
Antwoord 7
De redenering van de Hoge Raad is gebaseerd op een uitvoerige analyse van de reeds
ingezette perspectiefwisseling ten aanzien van de rechten van het kind. De Hoge Raad
baseert zich daarbij vooral op internationaalrechtelijke en Europeesrechtelijke bepalingen.
De Hoge Raad is bevoegd om een eerder standpunt aan te scherpen. In de praktijk waren
er veel vragen over het bestaande toetsingskader en de manier waarop die zou moeten
worden toegepast, die leidden tot verschillende procedures bij verschillende gemeenten.
De Hoge Raad heeft met het recente arrest het toetsingskader willen verduidelijken
en aanscherpen.
Vraag 8
Kunt u aangeven in hoeverre er volgens u sinds het standaardarrest van de Hoge Raad
van 2019 nieuwe ontwikkelingen in de Europese en internationale jurisprudentie zijn
geweest als het gaat om de positie van het kind met betrekking tot thuisonderwijs
en welk arrest van het EHRM dat nadien gewezen is, zou grond vormen voor een striktere
lijn ten aanzien van thuisonderwijs? Klopt het dat de Hoge Raad enkel verwijst naar
jurisprudentie die zelfs voor het arrest van 2019 al lang bekend was?7
Antwoord 8
Ik ben bekend met de jurisprudentie waarin het EHRM heeft geoordeeld dat staten beoordelingsruimte
hebben bij het bepalen of zij thuisonderwijs toestaan.8 Het EHRM heeft in diezelfde jurisprudentie benadrukt dat het niet in strijd is met
het EVRM om thuisonderwijs te verbieden of om dit niet actief mogelijk te maken. Nederland
kan hierin een eigen afweging maken.
Vraag 9
Onderkent u dat staten volgens de jurisprudentie van het EHRM de beoordelingsvrijheid
hebben om een regeling voor thuisonderwijs te treffen die recht doet aan het belang
van ouders en kinderen en dat het uitsluiten van thuisonderwijs in andere landen,
zoals bijvoorbeeld aan de orde is in de zaak Konrad/Duitsland, dus niet betekent dat
Nederland die lijn zou moeten volgen?9
Antwoord 9
De Hoge Raad is bevoegd om de Lpw te interpreteren. Die interpretatie vindt plaats
met inachtneming van de voor de rechtsvraag relevante juridische context. Het is aan
de rechter om te bepalen op welke wijze die interpretatie plaatsvindt, wat het resultaat
daarvan is en hoe die wordt gemotiveerd. Het recht op onderwijs van het kind is als
zodanig niet expliciet in het nationale recht neergelegd. In artikel 2 EP EVRM is
het recht op onderwijs én het ouderlijk opvoedingsrecht wel neergelegd. De kern van
de zaak werd uiteindelijk gevormd door de verhouding tussen die twee rechten en daar
sluit de HR bij aan. Daarover is ook jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten
van de Mens voorhanden, waarnaar de Hoge Raad verwijst. De Hoge Raad betrekt overigens
ook het nationale recht, voor zover hij verwijst naar de mogelijkheid om particuliere
scholen te stichten waar de leerplicht kan worden vervuld.
Ik volg de stelling dat het thuisonderwijs en de vrijstelling onder de Grondwet een
status hebben die niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen niet. Bij de invoering
van de Lpw in 1969 is thuisonderwijs als onderwijsvorm juist afgeschaft. Van een vanzelfsprekende
status van het thuisonderwijs was dus allerminst sprake. Dat geldt ook voor de vrijstelling.
Hoewel het geven van thuisonderwijs in het wetsontwerp van de Lpw 1969 nog was opgenomen
als vrijstellingsgrond, is deze mogelijkheid in de definitieve wet vervallen. Hierbij
was geen overweging dat het thuisonderwijs een zo vanzelfsprekende status had dat
het niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen in de wet.
Vraag 10
Hoe beoordeelt u dat de Hoge Raad een fundamentele verschuiving in de verhouding tussen
grondrechten doorvoert zonder enige aandacht te besteden aan de status die deze vorm
van onderwijs volgens onze Grondwet toekomt en hoe deze ontwikkeling past binnen de
Grondwet en hoe geeft u zich rekenschap van het feit dat het thuisonderwijs en de
vrijstelling volgens de literatuur onder de Grondwet een zodanig vanzelfsprekende
status hebben dat dit niet expliciet tot uitdrukking hoefde te komen?10
Antwoord 10
Ik deel niet dat de Hoge Raad relevante normen uit de Grondwet buiten beschouwing
heeft gelaten. Daarbij heeft de Hoge Raad in zijn arrest rekenschap gegeven van de
vrijheid van onderwijs uit artikel 23 Grondwet door te wijzen op de mogelijkheden
voor ouders om geschikt onderwijs te kiezen voor hun kind en de mogelijkheid om particuliere
scholen te stichten.11
Wanneer de veroordeelde meent dat de Hoge Raad een oordeel heeft gegeven dat in strijd
is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, kan diegene hierover een
klacht indienen bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de vorm van een
verzoekschrift. Indien deze klacht slaagt, kan een verzoek tot herziening bij de Hoge
Raad worden gedaan op grond van artikel 457, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek
van Strafvordering.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u in rechtsstatelijke zin dat een strafrechtelijk oordeel in hoogste
nationale instantie wordt gegeven waarin kennelijk relevante normen uit de Grondwet
buiten beschouwing worden gelaten en welke mogelijkheden tot herstel zijn er in situaties
waarin de Hoge Raad een misslag heeft begaan en men daardoor in de praktijk direct
voor grote moeilijkheden komt te staan?
Antwoord 11
Alleen wanneer er een 5(b)-vrijstelling is ontstaan, is er geen sprake van een strafbaar
feit en kan niet worden toegekomen aan de vraag of er van een strafuitsluitingsgrond
(rechtvaardigingsgrond dan wel schulduitsluitingsgrond) van toepassing zou kunnen
zijn. Er is dan namelijk geen verplichting om te handelen in lijn met artikel 2 Lpw,
zodat een overtreding daarvan ook niet mogelijk is.
Ik deel dat zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en
interpretatie.
Vraag 12
Vindt u ook dat gezien de duidelijke bedoeling van de wetgever met de systematiek
van de Leerplichtwet het huidige artikel 5, aanhef en onder b, eerder als een rechtvaardigingsgrond
dan als een strafuitsluitingsgrond gezien zou moeten worden, gelet op het feit dat
het handelen van ouders bij het juiste, wettelijke gebruik van de kennisgeving door
de wetgever volledig gelegitimeerd wordt? Bent u ook van mening dat hoe dan ook grote
zorgvuldigheid en voorspelbaarheid vereist zijn bij de formulering en interpretatie
van een dergelijke bepaling, gelet op de grote consequenties die deze heeft voor ouders
en kinderen?
Antwoord 12
De rechtsgelijkheid en rechtszekerheid worden gewaarborgd omdat het arrest voor alle
gemeenten geldt, ook in lopende zaken. Ook hebben de Vereniging van Nederlandse Gemeenten
en Ingrado naar aanleiding van het arrest een handreiking opgesteld.12 De handreiking biedt duidelijkheid aan gemeenten en leerplichtambtenaren.
Vraag 13
Wat betekent het recente arrest van de Hoge Raad voor rechtszaken die op dat moment
reeds aanhangig waren en hoe worden de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid van burgers
gewaarborgd?
Antwoord 13
Uit de Grondwet volgt dat onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg van de regering
is en dat het geven van onderwijs vrij is. Hieruit vloeit concreet voort dat de overheid
zorg draagt voor een toegankelijk stelsel met voldoende openbaar onderwijs en dat
het stichten van een school naar de eigen richting mogelijk is en een dergelijk initiatief
vanuit de overheid gefinancierd kan worden. Het onderwijs op openbare scholen is levensbeschouwelijk
neutraal. Van deze uitgangspunten wordt in het arrest van de Hoge Raad rekenschap
gegeven. Overigens is in Nederland 31% van de basisscholen openbaar, 30% van de scholen
is katholiek, 30% protestants-christelijk en 9% heeft een andere denominatie.13 Voor 98% van de leerlingen (po en vo) geldt dat er een openbare school op redelijke
afstand beschikbaar is.
Vraag 14
Hoe is de opvatting van de Hoge Raad te verenigen met de bestendige uitleg van artikel 23
van de Grondwet dat burgers niet gedwongen kunnen worden onderwijs te volgen dat niet
in overeenstemming is met een specifieke, positieve eigen overtuiging?
Antwoord 14
Het is niet aan het kabinet om rechterlijke uitspraken te becommentariëren. De door
de Hoge Raad gehanteerde criteria volgen uit Europese jurisprudentie.14
De brede vorming die we van elke school verwachten in het kader van burgerschapsonderwijs
(en dus ook openbare) komt terug in de wettelijke vereisten om onder andere kennis
over en respect bij te brengen voor verschillen in godsdienst, levensovertuiging,
politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap en seksuele gerichtheid.
Vraag 15
Vindt u het pedagogisch gezien acceptabel dat de Hoge Raad het onderwijs op de openbare
school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is enkel
benadert vanuit de maatstaf van kennis- en informatieoverdracht en op welke wijze
komt hierin de brede vorming tot uitdrukking die in het kader van burgerschapsonderwijs
juist van alle scholen verwacht wordt?
Antwoord 15
Ik zie geen noodzaak tot een dergelijke verkenning. Het uitgangspunt is dat openbare
scholen hieraan voldoen. In de wet is immers bepaald dat openbare scholen toegankelijk
zijn voor leerlingen van alle achtergronden en dat het onderwijs wordt gegeven met
eerbiediging van ieders godsdienst of levensbeschouwing.15 Scholen worden hierop gecontroleerd door de Inspectie van het Onderwijs.
Zoals aangekondigd stuur ik u spoedig een kamerbrief over artikel 5(b) Lpw, waarbij
ook het arrest van de Hoge Raad wordt meegenomen. Een aanvullende verkenning acht
ik niet noodzakelijk.
Vraag 16
In hoeverre noopt het criterium van de Hoge Raad dat het onderwijs op de openbare
school dat godsdienstig, levensbeschouwelijk of maatschappelijk van aard is op een
objectieve, kritische en pluralistische manier dient te gebeuren tot een verkenning
of en hoe dat daadwerkelijk gebeurt en bent u bereid om, in lijn met het arrest, te
verkennen of specifieke uitzonderingen en vrijstellingen in de huidige regelgeving
toereikend zijn?
Antwoord 16
Ja, ik kan deze vragen afzonderlijk beantwoorden en de antwoorden met u delen voor
ik de brief stuur.
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.