Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Piri, Belhirch, Teunissen, Ceder, Van Baarle, Dobbe en Dassen over geen uitvoering geven aan de motie Piri die de regering verzoekt om te onderzoeken of (beperkte) individuele financiële tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van slachtoffers van Hawija
Vragen van de leden Piri (PRO), Belhirch (D66), Teunissen (PvdD), Ceder (CU), Van Baarle (DENK), Dobbe (SP) en Dassen (Volt) aan de Minister van Defensie over geen uitvoering geven aan de motie Piri die de regering verzoekt om te onderzoeken of (beperkte) individuele financiële tegemoetkoming mogelijk is voor goed gedocumenteerde gevallen van slachtoffers van Hawija (ingezonden 21 juli 2026).
Antwoord van Minister Yeşilgöz-Zegerius (Defensie) (ontvangen 31 augustus 2026).
Vraag 1
Herinnert u zich uw Kamerbrief van 13 juli jl. waarin u aangeeft niets de doen met
de Kameruitspraak om te onderzoeken of slachtoffers van Hawija individueel kunnen
worden gecompenseerd?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Erkent u dat de Kamerbrief geen nieuwe informatie of argumenten bevat die de leden
niet al tot zich hadden genomen voor de stemming over de motie?
Antwoord 2
Het is aan de leden zelf om te bepalen welke argumenten zij meenemen in hun overwegingen
voor een stemming.
Vraag 3
Erkent u dat er in de motie niet wordt gesproken over de aansprakelijkheid van de
gevolgen van de wapeninzet door de Nederlandse staat, en deze motie dus ook los staat
van de rechtszaak die wordt gevoerd door slachtoffers?
Antwoord 3
Ja.
Vraag 4
Klopt het dat andere partnerlanden en Nederland zelf in het verleden vrijwillige (ex
gratia) betalingen hebben uitgekeerd aan burgerslachtoffers zonder dat er sprake was
van aansprakelijkheid? Zo ja, hoe verhoudt zich dit tot het argument dat het uitkeren
van individuele vrijwillige betalingen in de zaak Hawija «de verwachting zou wekken
dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders
van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel
niveau zou volgen»?
Antwoord 4
Als uitgangspunt geldt dat Defensie bij een legitieme krijgshandeling onder het humanitair
oorlogsrecht niet verplicht is tot compensatie voor burgerslachtoffers. Dat kan anders
liggen in geval van onrechtmatig geweldgebruik of een rechterlijke uitspraak. Het
beleid van Defensie ten aanzien van vrijwillige financiële compensatie (zogenoemde
ex-gratia betalingen) is gericht op maatwerk.1 Nederland heeft in het verleden, bijvoorbeeld in Afghanistan in de periode 2002–2021,
net als meerdere partnerlanden vrijwillige vergoedingen op individueel niveau uitgekeerd.2 De aard van de inzet in Afghanistan verschilde wezenlijk van die in Irak tegen ISIS:
in Afghanistan was sprake van een wederopbouwmissie, terwijl de inzet in Irak gericht
was op het bestrijden van ISIS. Dergelijke variabelen, zoals de aard van de wapeninzet
en de context van een conflict, zorgen voor verschillende afwegingen bij het al dan
niet toekennen van vrijwillige individuele financiële vergoedingen.
Voorkomen moet worden dat de verwachting ontstaat dat bij toekomstig, rechtmatig geweldgebruik
op een legitiem doel tijdens een gewapend conflict3, een vrijwillige vergoeding op individueel niveau zou volgen terwijl er geen reden
is om van het hiervoor beschreven uitgangspunt af te wijken.
Vraag 5
Kunt u bevestigen dat de afgelopen jaren telkens tevens praktische bezwaren zijn geuit
tegen individuele vergoedingen – zoals dat het onmogelijk is om te achterhalen wie
er schade hebben geleden –, zonder dat hier serieus onderzoek naar is gedaan? Zo nee,
op welke wijze is deze optie onderzocht?
Antwoord 5
De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen, is een belangrijk
en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Het kabinet heeft
de opties in kaart gebracht voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van)
de slachtoffers en/of gemeenschap, zoals eerder aan uw Kamer gemeld.4 Over de overwegingen om niet over te gaan tot individuele vergoeding is uw Kamer
de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief
«Reactie-BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.5 Alhoewel niet doorslaggevend, klopt het dat er verschillende praktische bezwaren
zijn geuit als onderdeel van deze overwegingen, waardoor het kabinet het nog altijd
zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele vergoeding te realiseren.
Vraag 6
Kunt u bevestigen dat reeds in 2020, toen er werd gekozen door het toenmalige kabinet
om niet over te gaan tot individuele compensatie, hierover verschil van mening was
tussen de Ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie? Zo ja, kunt u die stukken
met de Kamer delen?
Antwoord 6
Binnen zowel het Ministerie van Defensie als Buitenlandse Zaken is zorgvuldig nagedacht
over de opties voor een vrijwillige vergoeding aan (de nabestaanden van) de slachtoffers
en/of de gemeenschap.6 Er is meermaals ambtelijk overleg geweest over de wenselijkheid en haalbaarheid
van deze opties. Het uiteindelijke besluit ligt echter bij het kabinet dat destijds
op basis van verschillende overwegingen heeft besloten niet over te gaan tot het uitkeren
vrijwillige tegemoetkomingen op individueel niveau, zoals ook benoemd in de Kamerbrief
«Reactie BOOS-uitzending over Hawija» van 19 mei 2026.7 De daaropvolgende kabinetten hebben dit onderschreven. Allereerst stelt het kabinet
dat de aanval op de ISIS-autobommenfabriek in de nacht van 2 op 3 juni 2015 rechtmatig
was, omdat deze in overeenstemming met het humanitair oorlogsrecht werd uitgevoerd,
en de Staat dus niet aansprakelijk is voor de geleden schade. Om deze reden heeft
het kabinet in beginsel destijds besloten niet over te gaan tot het uitkeren van vrijwillige
vergoedingen op individueel niveau. Daarnaast is meegenomen in het besluit dat het
vrijwillig aanbieden van vergoedingen op individueel niveau de verwachting zou wekken
dat er ook bij toekomstige, legitieme wapeninzet – die correct en binnen de kaders
van het humanitair oorlogsrecht wordt uitgevoerd – een vrijwillige vergoeding op individueel
niveau zou volgen. Dit terwijl er in dit geval geen sprake is van aansprakelijkheid
en er daarom geen reden is om van het uitgangspunt af te wijken, om zo geen onterechte
verwachtingen voor de toekomst te scheppen. Hoewel niet doorslaggevend gelden in deze
casus ten overvloede verschillende praktische bezwaren, waardoor het kabinet het nog
altijd zeer moeilijk acht om op een verantwoorde wijze individuele tegemoetkoming
te realiseren. Zo is het jaren na de aanval haast onmogelijk om te achterhalen wie
in Hawija welke schade heeft ondervonden door de secundaire explosie en om, conform
de motie Fritsma8, (voormalige) ISIS-sympathisanten hiervan uit te sluiten. Stukken hieromtrent zijn
openbaar gemaakt op basis van de Wet open overheid.9
Vraag 7
Denkt u dat het moeilijk is om conform de motie-Fritsma vast te stellen dat de vijf
omgekomen kinderen van Abdullah Rashid Saleh geen ISIS-sympathisanten waren? Zo ja,
waarom?
Antwoord 7
De motie-Fritsma verzoekt de regering «op actieve wijze zeker te stellen dat geen
cent van de door Nederland betaalde schadevergoedingen aan de gemeenschap van Hawija
terechtkomt bij (oud-)IS’ers».10 Gelet op het besluit van het kabinet om over te gaan tot vrijwillige vergoeding van
de gemeenschap, zijn er geen stappen ondernomen om tot vormgeving of uitvoering van
een individueel tegemoetkomingstraject te komen.11 Defensie heeft dan ook geen onderzoek gedaan naar persoonsdossiers van individuele
slachtoffers en spreekt zich niet uit over individuele casuïstiek.
Vraag 8
Hoe kan het tot rechtsongelijkheid leiden als mensen niet voldoende kunnen bewijzen
dat zij slachtoffer zijn van de Nederlandse wapeninzet in Hawija? Is er bij eerdere
vrijwillige betalingen ook uitgekeerd aan slachtoffers die daar geen enkel bewijs
voor hebben aangeleverd?
Antwoord 8
Een individuele tegemoetkoming zou, indien daartoe zou worden besloten, betrekking
moeten hebben op de volledige groep die daarvoor op basis van gehanteerde criteria
in aanmerking zou komen, en niet op slechts een deel van deze groep. Dit vraagstuk
is echter niet aan de orde, aangezien reeds is besloten om niet over te gaan tot individuele
tegemoetkomingen.12
Vraag 9
Bent u bereid om conform de aangenomen Kamermotie alsnog te onderzoeken of individuele
compensatie mogelijk zou kunnen zijn en de Kamer hierover binnen zes maanden te informeren?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Nee. De vraag wat het kabinet voor de slachtoffers en nabestaanden kan doen is een
belangrijk en terugkerend onderdeel geweest van de inspanningen van Defensie. Ten
aanzien van de overwegingen om niet over te gaan tot individuele tegemoetkoming is
uw Kamer de afgelopen jaren meermaals geïnformeerd, zoals ook uiteengezet in de Kamerbrief
«Reactie motie Lid Piri (PRO), juni 2026» en «Reactie-BOOS-uitzending over Hawija»
van 19 mei 2026.13 Defensie zet zich onverminderd in voor de invulling van de circa 10 miljoen voor
aanvullende projecten om de getroffen gemeenschap tegemoet te komen in Hawija, waarbij
de behoeften van de gemeenschap zorgvuldig worden meegenomen.
Vraag 10
Kunt u de bovenstaande vragen elk afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
D. Yeşilgöz-Zegerius, minister van Defensie
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.