Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van lid Wiersma over ‘water grote rivieren’
Vragen van het lid Wiersma (BBB) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over water grote rivieren (ingezonden 27 juli 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (ontvangen 31 augustus 2026).
Vraag 1
Kunt u aangeven hoe u de toenemende watertekorten in Nederland beoordeelt en welke
gevolgen u verwacht voor de landbouw, natuur, drinkwatervoorziening, industrie en
regionale economie?
Antwoord 1
Zoals gemeld in de droogtebrief van 16 juli jl.1 is sprake van een stevige droogteperiode en worden de effecten daarvan helaas steeds
merkbaarder. Op dit moment ondervinden de scheepvaart, de agrarische sector, de natuur,
de industrie en regionale economie negatieve gevolgen van de droogte. De drinkwatervoorziening
is nog geborgd.
Helaas zijn maatregelen, zoals schutbeperkingen en onttrekkingsverboden nodig om de
waterveiligheid, drinkwater en energievoorziening te waarborgen. De waterverdelingskeuzes
volgen uit de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks uit Omgevingswet en het Besluit
kwaliteit leefomgeving. Daarin is de rangorde van maatschappelijke belangen bij waterschaarste
bepaald. De samenwerkende waterbeheerders doen er alles aan om de negatieve effecten
die optreden zo veel mogelijk te mitigeren. Net als iedereen hoop ik op een spoedig
herstel van de waterbalans in Nederland waardoor de verschillende getroffen sectoren
weer regulier van water kunnen worden voorzien.
Vraag 2
Bent u bekend met de zorgen van de waterschappen over de verdeling van het beschikbare
Rijn- en Maaswater tussen de verschillende landen en bent u bereid zich in te zetten
voor een rechtvaardigere verdeling van het water bij zowel droogte als hoogwater?
Antwoord 2
Ja, daarmee ben ik bekend. Nederland is afhankelijk van het water uit de rivier dat
vanuit bovenstrooms gelegen landen ons land binnenstroomt. Deze afhankelijkheid geldt
omgekeerd ook: bovenstroomse gebieden zijn afhankelijk van voldoende zoetwater in
Nederland voor de bevaarbaarheid van rivieren en daarmee de bevoorrading van de eigen
industrie. Internationale samenwerking is daarom essentieel om de waterbeschikbaarheid
te waarborgen. Dit is vastgelegd in diverse verdragen. Het beeld dat de verdeling
nu niet rechtvaardig zou zijn, herken ik niet.
Nederland is al lang actief om internationaal afspraken te maken binnen diverse intensieve
samenwerkingsverbanden waaronder de Internationale Commissie ter bescherming van de
Rijn (ICBR) en de Internationale Maascommissie (IMC) voor de hoofdstroom van de Rijn
en de Maas. Deze Rijn- en Maascommissies gaan onder andere over waterkwaliteit en
waterkwantiteit. De afspraken zijn vastgelegd in verdragen. Doel van de verdragen
is het bereiken van een duurzaam en integraal waterbeheer van de internationale stroomgebieden.
Binnen deze riviercommissies worden kennis en data uitgewisseld, waardoor betrouwbare
voorspellingen gedaan kunnen worden en effecten van klimaatverandering op waterafvoeren
worden ingeschat. Naast hoog water wordt binnen de ICBR en de IMC steeds gerichter
samengewerkt aan laagwater.
Nederland is er sinds 2018 in geslaagd om de problematiek van afnemende afvoeren en
daarmee gepaard gaande droogte in zowel de ICBR als in de IMC op de agenda te krijgen.
In de ICBR wordt nu gezamenlijk gewerkt aan het in beeld brengen van sociaaleconomische
ontwikkelingen en handelingsperspectieven. Dit biedt de basis voor de aanpassing van
de ICBR-klimaatadaptatiestrategie en nadere afspraken. Binnen de IMC is ook afgesproken
om een gezamenlijke klimaatstudie te starten als basis voor afspraken in het gehele
stroomgebied. Voor de Maas zijn er reeds afspraken over waterverdeling tussen Vlaanderen
en Nederland. Dit is vastgelegd in het Maasafvoerverdrag.
Door klimaatverandering neemt de noodzaak van een sterke internationale samenwerking
verder toe. Nederland zet vooralsnog in op afspraken binnen de riviercommissies en
maakt daarbij mede gebruik van de lopende Europese trajecten zoals de Europese Water
Resilience Strategy. Met de Europese Water Resilience Strategy zet de Europese Commissie
samen met lidstaten in op een efficiënter gebruik van water en het verder versterken
van de internationale samenwerking.
Vraag 3
Bent u bereid om met de Rijn- en Maasstaten in overleg te treden om te komen tot nieuwe
of aangepaste afspraken over de verdeling van het beschikbare rivierwater, zodat Nederland
bij perioden van droogte niet onevenredig wordt benadeeld?
Antwoord 3
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 4
Kunt u toelichten welke afwegingen momenteel worden gemaakt bij de verdeling van het
Rijnwater over de Waal, de Neder-Rijn/Lek en de IJssel tijdens perioden van lage afvoer
en hoe daarbij de belangen van landbouw, natuur, drinkwater, scheepvaart en het tegengaan
van verzilting worden meegewogen?
Antwoord 4
Bij (dreigende) waterschaarste geldt de zogenaamde verdringingsreeks die gebaseerd
is op artikel 2.42 van de Omgevingswet en die nader is uitgewerkt in artikel 3.14
van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De reeks geeft de rangorde van maatschappelijke
belangen aan die bij de verdeling van het beschikbare water in acht wordt genomen.
Dat geeft in tijden van waterschaarste op voorhand duidelijkheid over welke belangen
vóórgaan als onvoldoende water beschikbaar is voor alle belangen.
Concreet komt het erop neer dat het water op grond van de verdringingsreeks als volgt
wordt verdeeld (waarbij categorie 1 voorrang krijgt boven categorie 2, categorie 2
voorrang krijgt boven categorie 3 en categorie 3 voorrang krijgt boven categorie 4):
categorie 1 -
categorie 2 -
categorie 3 -
categorie 4 -
veiligheid en voorkomen van onomkeerbare schade
nutsvoorzieningen (in verband met leveringszekerheid)
kleinschalig hoogwaardig gebruik
overige belangen (economische afweging, ook voor natuur)
1. stabiliteit van waterkeringen
2. voorkomen van klink en zetting (veen en hoogveen)
3. natuur (voorkomen onomkeerbare schade, anders dan cat. 4)
1. drinkwatervoorziening
2. energievoorziening
– tijdelijke beregening kapitaalintensieve gewassen
– verwerken van industrieel proceswater
– scheepvaart
– landbouw
– natuur
– industrie
– waterrecreatie
– binnenvisserij
– drinkwatervoor-ziening (anders dan belang van leveringszekerheid)
– energievoorziening (anders dan belang van leverings-zekerheid)
– overige belangen
gaat voor →
gaat voor →
gaat voor →
–
Binnen deze verdringingsreeks treffen Rijkswaterstaat, provincies en waterschappen
regionaal en lokaal maatregelen, die recht doen aan de per regio verschillende kenmerken
zoals de mogelijkheden tot aanvoer van water, bodemgesteldheid, type natuur en economische
belangen. Het doel is daarbij om maatschappelijke en/of economische schade zoveel
mogelijk te beperken.
In het Landelijk Draaiboek Waterverdeling en Droogte staat hoe crisispartners informatie uitwisselen, maatregelen afstemmen en de communicatie
aanpakken.
Waar verzilting van invloed is op een van de belangen uit de verdringingsreeks, wordt
dit dus volwaardig meegewogen in de waterverdelingskeuzes.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u de signalen dat tijdens droogte een groot deel van het beschikbare
zoetwater wordt ingezet voor het tegengaan van verzilting in West-Nederland, terwijl
Noord-, Oost- en Zuid-Nederland hierdoor met watertekorten worden geconfronteerd?
Antwoord 5
Hoewel de geografische verdeling van water geen doel is bij waterschaarste, kan een
waterverdelingskeuze op basis van de verdringingsreeks wel positief uitpakken voor
de ene regio en negatief voor een andere regio. Maar dat is dan het resultaat van
de inhoudelijke belangenafweging binnen deze wettelijke verdringingsreeks. De belangen
van alle regio’s worden daarmee, zeker in de zwaarwegender categorieën 1–3, zo goed
mogelijk beschermd.
Vraag 6
Bent u bereid onderzoek te laten uitvoeren naar de mogelijkheden om tijdens perioden
van lage rivierafvoer meer zoetwater in Nederland vast te houden, bijvoorbeeld door
aanvullende stuwen, sluizen of andere waterbergende maatregelen, zodat Nederland beter
bestand is tegen langdurige droogte?
Antwoord 6
Ja, hiertoe ben ik bereid. Het kabinet investeert actief in kennisontwikkeling gericht
op het beter vasthouden van zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk
en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort te beperken en Nederland beter weerbaar
te maken tegen droogte en waterschaarste. Daarbij wordt onderzoek gedaan naar een
breed pakket aan maatregelen, zoals het optimaliseren van bestaande zoetwaterbuffers
(bijvoorbeeld het IJsselmeer), het vergroten van de sponswerking van de bodem, ondergrondse
zoetwateropslag en slimmer operationeel waterbeheer met behulp van de bestaande infrastructuur.
Ook in het kader van het Programma Ruimte voor de Rivier 2.0 wordt onderzoek gedaan
naar onder andere het verbeteren van de zoetwaterverdeling over de Rijntakken. In
juli 2026 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van het Programma Ruimte
voor de Rivier 2.02.Er zijn grote keuzes nodig over de indeling van ruimte. We moeten op meer plekken
ruimte creëren waar water kan worden opgeslagen, zodat we daaruit kunnen putten in
tijden van droogte. Ook moeten we op sommige plekken de grondwaterstanden verhogen.
Dit gesprek voeren we in het kabinet, dat is belangrijk want het heeft consequenties
voor het gebruik van onze ruimte en de richting daarvan.
Tegelijkertijd geldt dat het hoofdwatersysteem niet overal en altijd kan voorkomen
dat watertekorten ontstaan, ook niet met aanvullende maatregelen. Daarom investeert
het kabinet ook in regionaal praktijkonderzoek gericht op het vasthouden van grondwater
zoals in projecten Proeftuin Zoet Water Zeeland, BodemUP 2.0 in Noord-Brabant en de
ondergrondse zoetwateropslag bij Wolphaartsdijk. Ook in Europees verband wordt kennis
ontwikkeld, zoals binnen het onderzoeksproject AGROMAR gericht op verantwoorde grondwateraanvulling.
Daarnaast zijn er nog verschillende onderzoeken gericht op droogteadaptatie en het
omgaan met verzilting.
Nieuwe, aanvullende plannen voor kennisontwikkeling worden momenteel voorbereid in
het kader van het nieuwe Nationaal Water Programma (2028–2033) dat eind dit jaar in
concept gereed is.
Vraag 7
Welke concrete langetermijnmaatregelen bereidt u voor om de Nederlandse zoetwatervoorziening
toekomstbestendig te maken en wordt daarbij ook gekeken naar grootschalige infrastructurele
oplossingen, zoals extra stuw- en sluizencomplexen en andere maatregelen om meer rivierwater
in Nederland vast te houden?
Antwoord 7
In het Deltaprogramma Zoetwater werken Rijk en regio sinds 2012 samen om het zoetwatertekort
te beperken en Nederland beter weerbaar te maken tegen droogte en waterschaarste.
Tot nu toe is in de praktijk vooral ingezet op optimaliseren van het huidige watersysteem.
In de droge jaren 2018 en 2022 en ook dit jaar, hebben we daar de vruchten van geplukt.
Voorbeelden van optimalisatie zijn de Klimaatbestendige Wateraanvoer Midden-Nederland
(KWA), de aanleg van de Roode Vaart in Zevenbergen, waterbesparende maatregelen bij
de stuwen en sluizen in de Maas, het optimaliseren van de waterverdeling over de Rijntakken,
het aanpassen van gemalen voor het regionale watersysteem en Slimwatermanagement.
Vanwege klimaatverandering is dit echter niet langer voldoende3, gelet op de omvang van de zoetwateropgave. Nederland zal zich structureel moeten
aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Dit vergt meer ingrijpende systeemmaatregelen,
maar ook aanpassingen in onze ruimtelijke ordening en aanpassingen van gebruikers
en sectoren.
Systeemmaatregelen worden onder andere voorbereid in het Programma Ruimte voor de
Rivier 2.0. Zo is uit onderzoek gebleken dat voor de Waal de aanleg van een meergeulensysteem
gecombineerd met het aanvullen van sediment (suppleren) de enige maatregel is die
de bodem structureel kan stabiliseren én die tegelijkertijd bijdraagt aan bevaarbaarheid,
natuurherstel en een betere verdeling van zoetwater over de Rijntakken. In juli 2026
heb ik uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van dit Programma (zie ook vraag 6).
Verder wordt gewerkt aan het Deltaplan Zoetwater fase 3 (2028–2033), waarin individuele
maatregelen worden beoordeeld op hun hydrologische effectiviteit, kosten, baten en
maatschappelijke effecten. Daarbij wordt ook gekeken naar maatregelen in het regionale
watersysteem. De inzet is daarmee niet alleen gericht op het vergroten van de beschikbaarheid
van zoetwater tijdens perioden van lage rivierafvoer, maar vooral op het benutten
van perioden waarin water beschikbaar is om een zoetwaterbuffer op te bouwen. Of deze
maatregelen (regionaal en in het hoofdwatersysteem) daadwerkelijk in uitvoering kunnen
worden gebracht, is afhankelijk van de beschikbare financiering uit het Deltafonds4. Hiervoor geldt een prioriteringsopgave, waardoor er landelijk wordt gekeken welke
maatregelen het meest urgent zijn.
Vraag 8
Kunt u aangeven in hoeverre binnen het Deltaprogramma en het Nationaal Waterprogramma
voldoende aandacht wordt besteed aan het vergroten van de strategische zoetwaterbuffers
en het vasthouden van rivierwater in Nederland?
Antwoord 8
Zoetwaterbeschikbaarheid is een belangrijk onderwerp in het Deltaprogramma en het
Nationaal Waterprogramma. Hierin wordt voldoende aandacht besteed aan het vergroten
van de strategische zoetwaterbuffers en het vasthouden van rivierwater in Nederland.
Bijvoorbeeld via het onderzoeken van het stapsgewijs vergroten van de buffer in het
IJsselmeer en Markermeer.
Vraag 9
Bent u bereid de Kamer vóór het einde van 2026 te informeren over de voortgang van
de internationale gesprekken met de Rijn- en Maasstaten over een eerlijkere verdeling
van het beschikbare rivierwater en de aanvullende maatregelen die Nederland zelf wil
treffen om de beschikbaarheid van zoetwater tijdens langdurige droogte te verbeteren?
Antwoord 9
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 10
Hoe worden natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals klimaatbuffers, waterretentiegebieden
en natuurlijke sponsgebieden, momenteel ingezet binnen het nationale beleid om droogte
en zoetwatertekorten tegen te gaan?
Antwoord 10
In het hoofdwatersysteem is onze grootste buffer het IJsselmeer. Zoals deze zomer
is gebleken, heeft deze buffer ervoor gezorgd dat de noordelijke regio een langere
tijd minder effecten van de droogte heeft gevoeld. Voor zoetwaterbuffers buiten het
hoofdwatersysteem is het Rijk niet aan zet. Hiervoor treffen de regio’s desgewenst
zelf maatregelen. Het rijk wil regionale waterbeheerders, maar ook gemeenten, natuurbeheerder
en agrariërs, stimuleren en faciliteren om de kansen voor het vergroten van de sponswerking
van de bodem op een zorgvuldige manier te benutten.
Vraag 11
Hoeveel natuurlijke zoetwaterbuffers worden in Nederland beheerd door natuurorganisaties,
hoeveel zoet water kunnen deze gezamenlijk vasthouden en welke bijdrage leveren zij
aan de nationale zoetwatervoorziening?
Antwoord 11
Het exacte aantal natuurlijke zoetwaterbuffers beheerd door natuurorganisaties in
Nederland is lastig te bepalen. Het is een netwerk van zoetwaterbuffers en -zones
dat door grond-, regen- en smeltwater, en de natuurlijke zoet-zout dynamiek wordt
bepaald. De capaciteit van de buffers is hierdoor lastig vast te stellen. De effectieve
capaciteit hangt sterk af van bodemtype, conditie en waterpeil. Op landelijke schaal
kunnen natuurlijke zoetwaterbuffers, zoals veengebieden, moerassen, natte bossen,
uiterwaarden, retentiegebieden en andere klimaatbuffers fungeren als «natuurlijke
sponzen», en zo zoetwater beter vasthouden (zie ook het antwoord vraag 10). De waterhuishouding
in Nederland beweegt zich steeds meer van een afvoerstelsel naar een vasthoudstelsel.
Natuurgebieden zijn hierin essentieel.
Vraag 12
Kan inzichtelijk worden gemaakt in hoeverre water dat in deze natuurgebieden wordt
vastgehouden ook daadwerkelijk beschikbaar blijft voor omliggende landbouwgebieden
en andere maatschappelijke functies tijdens droge perioden?
Antwoord 12
Zoetwater dat is vastgehouden in natuurgebieden kan niet vanzelfsprekend beschikbaar
worden gesteld voor landbouw of andere functies. Een deel van het vastgehouden water
verdampt door de combinatie met hogere temperaturen. Een ander deel infiltreert naar
de diepere ondergrond alwaar het door (drink)waterwinningen onttrokken grondwater
aanvult. En een deel wordt gedraineerd door de naaste omgeving: veelal landbouwgebieden.
Verdroging is een van de grootste drukfactoren voor de natuur, zoals de natuurdoelanalyses
aangeven. Door droogte komt (kwetsbare) natuur nog verder onder druk te staan. De
beschikbaarheid van water in tijden van een feitelijk watertekort voor de verschillende
sectoren en maatschappelijke functies hangt af van prioritering volgens de verdringingsreeks,
technische mogelijkheden (opties om het water te kunnen sturen) en kwaliteit van het
water. Stabiliteit van waterkeringen, voorkomen van klink en zetting (in veen en hoogveen),
en voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur bevinden zich in categorie 1 van de
verdringingsreeks (zie ook antwoord vraag 4). Deze belangen krijgen voorrang bij de
verdeling van het nog beschikbare zoetwater.
Vraag 13
Hoe wordt voorkomen dat water langdurig wordt vastgehouden in afzonderlijke natuurgebieden,
terwijl elders in dezelfde regio tekorten ontstaan voor landbouw, scheepvaart of drinkwatervoorziening?
Antwoord 13
Zoals bij vraag 4 eerder aangeven, bevindt natuur zich in categorie 4 en het voorkomen
van onomkeerbare schade aan natuur zich in categorie 1. Voldoende water van de juiste
kwaliteit is noodzakelijk om ons hieraan te houden. Tegelijkertijd zorgt het vasthouden
van water in natuurgebieden voor een buffer voor andere sectoren.
Vraag 14
Ziet u mogelijkheden om bestaande natuurlijke zoetwaterbuffers nadrukkelijker onderdeel
te maken van de landelijke zoetwaterstrategie, zodat zij niet alleen bijdragen aan
natuurdoelen, maar ook aan de beschikbaarheid van zoet water voor landbouw, drinkwater,
scheepvaart en economie?
Antwoord 14
De huidige zoetwaterbuffers zijn niet alleen ontwikkeld om aan de natuurdoelen te
voldoen. Zij vervullen reeds een rol in de zoetwatervoorziening voor drinkwater, landbouw,
scheepvaart en economie. In tijden van watertekort worden deze zoetwaterbuffers ingezet
aan de hand van de wettelijk vastgelegde verdringingsreeks.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.