Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Faber over de bevoegdheden van boa’s
Vragen van het lid Faber (PVV) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over bevoegdheden van boa's (ingezonden 8 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2619.
Vraag 1
Klopt het dat vanuit de landelijke leiding van de Nationale Politie is gecommuniceerd
naar de Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Natuurtoezicht dat vanaf 1 mei 2026
er geen nieuwe handhavingsarrangementen meer worden aangegaan, in afwachting van verdere
besluitvorming over de uitvoering van de herziening van het boa-stelsel?
Antwoord 1
De politie heeft mij laten weten dat er geen stop is op het vastleggen van samenwerkingsafspraken
in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten. De politie benadrukt voor
een gelijkwaardige en complementaire samenwerking met boa’s te staan. Wel zijn er
gevallen geweest waarbij het afsluiten van dergelijke overeenkomsten tijdelijk is
opgeschort omdat er over de invulling van de te maken afspraken onduidelijkheid bestond.
Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen, waarmee de processen voor het afsluiten
van dergelijke overeenkomsten weer opgepakt kunnen worden. De politie streeft ernaar
deze afspraken landelijk op een eenduidige wijze vorm te geven.
Vraag 2
Zo ja, op welke grondslagen is dit gebaseerd? En is dit geschied in overleg met u?
Antwoord 2
In een aantal gevallen is het vastleggen van dergelijke afspraken opgeschort omdat
onduidelijkheid bestond over de invulling daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels
weggenomen. Een algehele stop op het afsluiten van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten
zou ook een zeer ongelukkige ontwikkeling zijn met het oog op de samenwerking tussen
politie en boa’s en de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s. Voor de toekenning
van geweldmiddelen aan boa’s is immers een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst
vereist.
In dit kader wil ik erop wijzen dat het een taak van de politie – Korpschef, als direct
toezichthouder – is om toe te zien op een goede samenwerking tussen boa en politie,
zowel op basis van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar (artikel 39 BBO) als
de Politiewet 2012 (artikel 10 PW). Het vastleggen van samenwerkingsafspraken in een
handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is dan ook een verdere verankering
van een reeds bestaande verplichting. Binnen het boa-bestel zijn reeds veel handhavingsarrangementen
of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten en ik hoop dat de partijen die dit nog niet
hebben gedaan alsnog snel hun afspraken op papier zullen vastleggen. Het initiatief
hiertoe ligt bij boa-werkgevers dan wel de politie. Landelijke formats voor handhavingsarrangementen
voor domeinen I en II zijn beschikbaar gesteld als bijlage bij de boa-brief aan de
Tweede Kamer van oktober 2025.1
Vraag 3
Bent u het eens met de stelling dat hierdoor een situatie is ontstaan waarin werkgevers
wel aan een wettelijke verplichting moeten voldoen, maar dit feitelijk niet meer kunnen,
dit omdat sinds 1 mei 2026 een vastgesteld handhavingsarrangement tussen de boa-werkgever,
het Openbaar Ministerie en de Nationale Politie een verplichte voorwaarde is voor
het aanvragen of verlengen van geweldsmiddelen?
Antwoord 3
Er is geen stop op het aangaan van handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten,
zoals gemeld bij vraag 1 en 2. Zoals ook staat aangegeven bij de beantwoording van
vraag 2, is samenwerking tussen de boa’s en de politie reeds een wettelijk vereiste.
Het doel of belang van een handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst is
dat de betrokken partijen hebben nagedacht over samenwerking en ondersteuning. Het
is voor het vaststellen van een samenwerkingsovereenkomst dan ook voldoende om bestaande
afspraken op papier te zetten. Er zijn al veel handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten
afgesloten.
Overigens, dat ook het Openbaar Ministerie, als het gezag op de strafrechtelijke handhaving
van de rechtsorde, betrokken dient te worden bij deze afspraken heeft een praktische
reden en betekent niet dat deze ook tekenende partij is bij de te maken afspraken.
Vraag 4
Hoe is het mogelijk dat een wettelijke verplichting op dezelfde dag in werking treedt
als waarop de mogelijkheid om aan die verplichting te voldoen, feitelijk wordt beëindigd?
Antwoord 4
Zie hiervoor de beantwoording bij vragen 1 en 2.
Vraag 5
Welke maatregelen worden genomen om te voorkomen dat boa's hun geweldsbevoegdheden
verliezen door een bestuurlijke impasse?
Antwoord 5
Zoals bij de beantwoording van vraag 1 staat benoemd, zijn de onduidelijkheden over
de invulling van de te maken afspraken weggenomen. De processen voor het aangaan van
samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen of samenwerkingsovereenkomsten
kunnen daarmee verder worden opgepakt. Daarmee is geen sprake van een bestuurlijke
impasse.
Met de aanpassingen van de Beleidsregels boa op 1 mei van dit jaar zijn de criteria
voor de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s aangepast. Een van de nieuwe criteria
is de aanwezigheid van een handhavingsarrangement óf samenwerkingsovereenkomst met
de politie. Het vereiste handhavingsarrangement of samenwerkingsovereenkomst ziet
enkel op de toekenning van geweldmiddelen aan boa’s, niet op de toekenning van geweldsbevoegdheden
(politiebevoegdheden, artikel 7, eerste, derde en vierde lid, Politiewet 2012), opsporingsbevoegdheden
of vrijheidsbeperkende middelen.
Ik wil benadrukken dat enkel voor de boa’s voor domein I, indien deze aanspraak willen
maken op geweldmiddelen, een handhavingsarrangement vereist is. Dit was ook al vereist
vóór de aanpassingen van de toekenningscriteria in de Beleidsregels boa. Voor de overige
domeinen volstaat tevens een samenwerkingsovereenkomst. Deze samenwerkingsovereenkomsten
zijn vormvrij, terwijl het in de rede ligt om voor het afsluiten van een handhavingsarrangement
aansluiting te zoeken bij de eerder genoemde formats. Zoals ook bij het antwoord op
vraag 2 staat aangegeven is dan ook voldoende om bestaande afspraken op papier te
zetten; er gelden geen minimale vereisten voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst,
ook niet op welk niveau deze afspraken gemaakt zouden moeten worden. Het is belangrijk
om te beseffen dat er slechts een gesprek hoeft plaats te vinden tussen de boa-werkgever
en de politie waarna de gemaakte afspraken worden vastgelegd. Specifieke gremia zijn
dus niet nodig voor het afsluiten van een samenwerkingsovereenkomst. Een samenwerkingsovereenkomst
zou daarmee eenvoudiger af te sluiten moeten zijn dan een handhavingsarrangement.
Vraag 6
Op welke termijn kunnen organisaties weer handhavingsarrangementen sluiten?
Antwoord 6
Zie hiervoor het antwoord op vraag 2; er worden nog altijd handhavingsarrangementen
of samenwerkingsovereenkomsten afgesloten. In een aantal gevallen is het vastleggen
van dergelijke afspraken opgeschort omdat onduidelijkheid bestond over de randvoorwaarden
en de inhoud daarvan. Deze onduidelijkheden zijn inmiddels weggenomen en gesprekken
tussen partijen over het afsluiten van handhavingsarrangementen en samenwerkingsovereenkomsten
kunnen weer worden voortgezet.
Vraag 7
Welke tijdelijke oplossing wordt er geboden om de veiligheid van boa's en de continuïteit
van de handhaving te waarborgen?
Antwoord 7
Er is geen stop op het vastleggen van samenwerkingsafspraken in handhavingsarrangementen
of samenwerkingsovereenkomsten. Daarmee is er geen probleem waar een tijdelijke oplossing
voor moet worden geboden. Het eventueel opschorten van deze overeenkomsten als voorwaarde
voor het toekennen van geweldmiddelen heeft niet de voorkeur, omdat deze overeenkomsten
bijdragen aan een betere samenwerking tussen de politie en de boa. Het doel van de
overeenkomsten is namelijk dat de betrokken partijen beter weten beter wat ze van
elkaar kunnen verwachten. Dit zal resulteren in een zo veilig mogelijke en daarmee
adequate taakuitvoering van de boa.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.