Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over data en normen windturbines op land
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over data en normen windturbines op land (ingezonden 21 mei 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Bertram (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens
de Minister van Klimaat en Groene Groei (ontvangen 28 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2299.
Vraag 1
Kunt u aantonen dat de jaargemiddelde geluidsnorm (Lden) een aantoonbare relatie heeft met feitelijke hinder en slaapverstoring van omwonenden?
Antwoord 1
Ja, er zijn internationaal meerdere studies gedaan (o.a. in Nederland, Zweden en Canada)
waarin een directe relatie is vastgesteld tussen geluid van windturbines (uitgedrukt
in Lden) en de kans op ernstige hinder. Voor slaapverstoring is het beeld niet eenduidig,
hiervoor wordt soms een relatie gevonden en soms niet.
Vraag 2
Op welke recente datasets zijn de gehanteerde bron-hinderrelaties gebaseerd, en zijn
deze representatief voor moderne windturbines van >150 meter?
Antwoord 2
In het plan-milieueffectrapport (planMER) is de stand van de kennis over de relatie
tussen windturbinegeluid en hinder tegen het licht gehouden. Hierbij zijn de beschikbare
wetenschappelijke onderzoeken meegenomen en is een vergelijking gemaakt tussen de
uitkomsten van de verschillende onderzoeken. Daarbij is onderzocht of de eerdere uitgangpunten
gericht op de Nederlandse en Europese context (Nederlands en Zweeds onderzoek) nog
van toepassing zijn. Een vergelijking met meer recente internationale hinderrelaties
laat geen wezenlijke verschillen in uitkomsten zien. Overigens is het niet zo dat
moderne hogere windturbines noodzakelijkerwijs gepaard gaan met meer geluid. Daar
waar dat wel het geval is, zal de geluidsnorm bescherming bieden tegen te hoge geluidniveaus.
Vraag 3
Kunt u voorbeelden geven van Nederlandse veldstudies waarin modelberekeningen zijn
gevalideerd met gemeten hinder bij omwonenden?
Antwoord 3
In een Nederlandse veldstudie, die is opgenomen in de hinderrelatie zoals gehanteerd
in de geluidnormering voor windturbines in 20111, zijn omwonenden van windturbines bevraagd over hun ervaren hinder. Deze gegevens
zijn gekoppeld aan modelberekeningen voor het windturbinegeluid bij hun woning om
voor elk geluidniveau te kunnen bepalen wat de bijbehorende kans op ernstige hinder
is. Deze manier om de relatie tussen geluidniveaus en hinder vast te stellen komt
overeen met de methode die gebruikt is in ander internationaal onderzoek naar geluidhinder,
zowel door windturbines als door andere geluidbronnen. Het RIVM voert momenteel een
soortgelijk (blootstelling-respons) onderzoek uit naar hinder en slaapverstoring door
windturbinegeluid in de Nederlandse context, waarvan de resultaten eind 2026 worden
verwacht.
Vraag 4
Hoe is in de planMER rekening gehouden met nachtelijke piekbelasting en hinderincidenten
per nacht en per seizoen?
Antwoord 4
In het planMER is een uitgebreide analyse gedaan naar hoe de jaargemiddelde geluidmaat
zich verhoudt tot het maximale geluid dat kan optreden gedurende een korte periode.
Deze analyse laat zien dat dit maximale geluid een min of meer vaste relatie heeft
met het jaargemiddelde geluid, met een variatie van 2 dB die afhankelijk is van het
type windturbine en de lokale windsnelheidsverdeling. Een jaargemiddelde geluidnorm
beperkt dus bij voorbaat ook het maximale geluid dat kan optreden gedurende de nacht,
evenals het aantal keer of de tijdsduur dat het naar verwachting (op basis van de
lokale windsnelheidsverdeling) zal optreden.
Vraag 5
Erkent u dat gemiddelde meetdata piekgeluid en hinderincidenten onvoldoende zichtbaar
maken?
Antwoord 5
Nee, dat onderschrijf ik niet. Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 4, hangt
het maximale geluidniveau bij woningen (de piekbelasting) rechtstreeks samen met het
jaargemiddelde geluid. Het jaargemiddelde geluid wordt overigens niet direct gemeten,
maar berekend op basis van het eenvoudig te meten geluid dat de windturbine voortbrengt
bij verschillende windsnelheden. Bij hinder of klachten kan via metingen bij de windturbine
worden nagegaan of dit geluid vanuit de bron overeenkomt met dat waarop de jaargemiddelde
geluidberekening is gebaseerd.
Vraag 6
Kunt u aantonen dat de voorgestelde normen minimaal hetzelfde beschermingsniveau bieden
als afstandsnormen zoals in Denemarken?
Antwoord 6
De afstandsnorm die in Denemarken wordt gehanteerd is niet gericht op de bescherming
tegen geluid, daartoe dienen de geluidnormen. Een afstandsnorm is geen geschikt middel
om tegen windturbinegeluid te beschermen, omdat het geluid zeer sterk kan verschillen
op een bepaalde vaste afstand. De Deense afstandsnorm van 4 x de tiphoogte beoogt
de visuele hinder door onder andere lichtschitteringen en slagschaduw te beperken.
In Nederland worden de effecten van lichtschittering en slagschaduw met technische
maatregelen tegengegaan.
Vraag 7
Kunt u onderbouwen dat de nieuwe normering leidt tot gelijke of lagere feitelijke
hinder dan de Handreiking industrielawaai (1998)?
Antwoord 7
Bij de wijziging van de regelgeving voor windturbines in het Activiteitenbesluit in
20111 werd in plaats van de eerder gehanteerde Handreiking Industrielawaai een nieuwe berekeningsmethodiek
voor windturbinegeluid ingevoerd. Uit berekeningen met deze nieuwe methodiek volgde
dat de eerdere normstelling omgerekend overeenkwam met een aangepaste norm van 47
dB Lden. De normering bleef daarmee in lijn met de uitvoeringspraktijk van de voorgaande
jaren. In het nieuwe ontwerpbesluit voor windturbines is een standaardwaarde van 45
dB Lden voorgesteld, in combinatie met een grenswaarde van 47 dB Lden. Daarmee zou een betere (tot gelijke) bescherming tegen hinder worden geboden dan
voorheen.
Vraag 8
Waarom is geen volwaardige vergelijking gemaakt tussen de huidige normering en alternatieven,
zoals strengere afstandsnormen of andere meetmethoden?
Antwoord 8
In het planMER is een volwaardige vergelijking gemaakt tussen alternatieven, waaronder
varianten van de geluidnormen en verschillende afstandsnormen. Daarnaast is de handhaafbaarheid
via de meetmethode beschouwd en zijn aanbevelingen gedaan tot verduidelijking, met
name in de uitleg hiervan. Deze inzichten zijn meegenomen in de uitwerking van het
ontwerpvoorstel voor regelgeving.
Vraag 9
Hoe is geborgd dat effecten van slijtage en veroudering van windturbines zijn meegenomen
in de beoordeling van hinder en geluid?
Antwoord 9
Wanneer slijtage of veroudering van windturbines leidt tot overmatige hinder en klachten
over geluid, kan het bevoegd gezag een meting eisen van de exploitant. Met deze meting
van het bronvermogen van de windturbine kan worden nagegaan of het geluid dat de windturbine
voorbrengt nog overeenkomt met dat waarop de oorspronkelijke geluidberekening in Lden voor toetsing aan de norm is gebaseerd. Zo niet, dan kan het zijn dat de norm wordt
overschreden en er (technische of operationele) maatregelen moeten worden getroffen.
Vraag 10
Kunt u uitsluiten dat de normering vooral gebaseerd is op modelaannames zonder voldoende
empirische onderbouwing bij omwonenden?
Antwoord 10
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 1, 2 en 3 is de normering gebaseerd op
empirisch onderzoek naar ervaren hinder door omwonenden van windturbines en dus niet
op modelaannames zonder voldoende empirische onderbouwing.
Vraag 11
Kunt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden?
Antwoord 11
Ja.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.