Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Coenradie over de verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven
Vragen van het lid Coenradie (JA21) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de verhouding tussen strafeisen, opgelegde straffen en wettelijke maximumstraffen bij ernstige misdrijven (ingezonden 3 juni 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Vraag 1
Kunt u voor alle strafzaken van de afgelopen vijf jaar waarin sprake was van geweldsdelicten,
zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht, per
genoemde delictscategorie inzichtelijk maken wat de gemiddelde opgelegde straf was?
Antwoord 1
De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) is gevraagd om informatie te verstrekken om deze
vraag te kunnen beantwoorden. De Rvdr heeft aangegeven dat in de voor hun beschikbare
managementinformatiesystemen geen gemiddelde straffen worden genoemd. Wel kan een
berekening worden gemaakt van een selectie zaken.
Omdat de genoemde delictscategorieën soms erg breed zijn en een combinatie bevatten
van zware feiten en minder zware feiten, is ervoor gekozen om een overzicht te maken
van de gemiddelde straffen van één of meerdere vergelijkbare veelvoorkomende delictscategorieën
over de jaren 2021–2025.
Het gaat om de navolgende delicten:
• Moord, (gekwalificeerde) doodslag en doodslag met een terroristisch oogmerk (287 Wetboek
van Strafrecht (Sr), 288 Sr, 288a Sr of 289 Sr)
• Verkrachting (242 Sr bij pleegdatum vóór 1/7/2024 en 243 lid 2 Sr, 246 lid 2 Sr, 248
lid 2 Sr of 250lid 2 Sr bij pleegdatum vanaf 1/7/2024)
• Wederrechtelijke vrijheidsberoving (282 Sr)
• Zware mishandeling (302 Sr)
• Deelneming aan terroristische organisatie (140a Sr)
Voor het merendeel van deze delicten geldt dat in het grootste deel van de 1-feitszaken
(dat wil zeggen zaken die slechts één bewezen feit omvatten) een vrijheidsstraf is
opgelegd, al dan niet in combinatie met een taakstraf, geldboete en/of maatregel zoals
bijvoorbeeld terbeschikkingstelling (TBS). Voor het delict «zware mishandeling» geldt
dat in ruim twee derde van de 1-feitszaken waarin sprake is van een strafoplegging
een vrijheidsstraf is opgelegd: in de meeste zaken van het overige deel is een taakstraf
(die bij jeugdigen en jongvolwassenen kan bestaan uit een leerstraf en/of werkstraf
volgens artikel 77h SR) opgelegd.
De rechter baseert de strafmaat vooral op de ernst van het specifieke feit, vergelijkbare
uitspraken en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Het strafmaximum fungeert daarbij als uiterste grens en niet als uitgangspunt.
Ook de richtlijnen van het Openbaar Ministerie blijven onder de strafmaxima. De hogere
strafmaxima zijn in de praktijk voorbehouden aan de meest zware gevallen.
Als bijlage is een overzicht bijgevoegd van de gemiddelde opgelegde vrijheidsstraf
(het onvoorwaardelijk en het voorwaardelijke deel samen) en van de opgelegde TBS of
Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ) voor deze delicten.
Hierbij volgt de toelichting bij de cijfers genoemd in het overzicht:
• Deze cijfers zijn indicatief. Ze geven een zo goed mogelijke representatie op basis
van de informatie die op dit moment beschikbaar is uit de voor de Rechtspraak beschikbare
management informatiesystemen.
• Het genoemde jaar betreft het jaar van afdoening door de rechtbank.
• Zowel zaken met een volwassen als met een minderjarige veroordeelde zijn meegenomen
in de analyse.
• Ten aanzien van sommige zaken geldt dat in de tabel meer artikelen worden genoemd
(zowel bij moord, (gekwalificeerde) doodslag en doodslag met een terroristisch oogmerk,
als bij verkrachting). Daarvoor geldt dat per zaak is gekeken of één of meer van de
genoemde wetsartikelen door de rechtbank in eerste aanleg bewezen is verklaard in
combinatie met de oplegging van een straf. Voor de zaken waarin één artikel wordt
genoemd (wederrechtelijke vrijheidsbeneming, zware mishandeling en deelneming aan
een terroristische organisatie) geldt hetzelfde, met het verschil dat het daar steeds
om één artikel gaat.
• Deze cijfers hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk
is, kan het daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het
grondfeit of het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk
is – (ook) sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid,
uitlokking of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen
feiten. Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de voor de Rechtspraak beschikbare
managementinformatiesystemen te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke
maximumstraf in een concrete zaak. Daarvoor is jurisprudentieonderzoek nodig.
• In de voor de Rechtspraak beschikbare management informatiesystemen is het onderscheid
tussen zaken waarin moord bewezen is verklaard en zaken waarin doodslag bewezen is
verklaard niet betrouwbaar geregistreerd. We leveren daarom de zaken over moord en
doodslag samen.
• Voor het bepalen van de gemiddeld opgelegde straf zijn alleen 1-feitszaken meegenomen.
Hierdoor is zeker te stellen dat de opgelegde straf enkel is opgelegd voor het gedefinieerde
feit, en niet (mede) bepaald wordt door andere feiten in de zaak.
• In het overzicht worden cijfers over de opgelegde vrijheidsstraf getoond. Naast vrijheidsstraffen
kunnen in een zaak ook taakstraffen, geldboetes en/of maatregelen zoals bijvoorbeeld
TBS zijn opgelegd.
• De opgelegde vrijheidsstraf betreft zowel het voorwaardelijk als onvoorwaardelijk
opgelegde deel. De gemiddelde vrijheidsstraffen betreffen alleen de vrijheidsstraffen
met een opgelegde duur, dus levenslange gevangenisstraffen zijn hierin niet meegenomen.
In het aantal zaken waarin een vrijheidsstraf is opgelegd, worden zaken waarin levenslange
gevangenisstraffen zijn opgelegd wel meegeteld. Voor levenslange gevangenisstraffen
geldt voor de onderzochte periode (2021–2025) voor de 1-feitszaken moord, gekwalificeerde
doodslag en doodslag met terroristisch oogmerk dat levenslang minder dan 5 keer is
opgelegd door de rechtbank.
• Alleen zaken met een eindvonnis «strafoplegging» zijn meegenomen. Er kunnen bij zaken
met eindvonnis «ontslag van alle rechtsvervolging» een TBS of PIJ zijn opgelegd. Deze
zaken zijn niet opgenomen in het overzicht.
• Aantallen zijn afgerond op vijftallen. Vanwege de geringe aantallen per jaar, zijn
de gegevens over zaken over «Deelneming aan terroristische organisatie» samengevoegd
voor de geanalyseerde periode.
Tot slot merkt de Rvdr bij het aanleveren van het overzicht over de opgelegde straffen
per delict in zijn algemeenheid op dat de informatie over de straffen in relatie tot
de maximumstraf geen betrouwbare informatie oplevert en daarom ook niet in het overzicht
is opgenomen.
Vraag 2
Kunt u aangeven welk percentage van de bij het Openbaar Ministerie aangebrachte geweldsdelicten,
zedendelicten, terroristische misdrijven en misdrijven tegen het leven gericht uiteindelijk
heeft geleid tot een inhoudelijke beoordeling door de rechter? Kunt u deze cijfers
per delictscategorie en per jaar uitsplitsen?
Antwoord 2
Deze informatie is bij zowel het Openbaar Ministerie als bij de Raad voor de rechtspraak
niet beschikbaar waardoor ik daar geen antwoord op kan geven.
Vraag 3
Kunt u voor deze delictscategorieën aangeven wat, gemiddeld genomen, de verhouding
is tussen de opgelegde straf en de toepasselijke wettelijke maximumstraf, zowel in
aantal als percentage?
Antwoord 3
Met verwijzing naar het op antwoord 1, beperkt de aangeleverde informatie door de
Rvdr zich tot een gemiddelde straf per delict. Deze cijfers in het aangeleverde overzicht
hebben betrekking op het grondfeit. Voor zover dat juridisch mogelijk is, kan het
daarbij zowel gaan om voorbereiding van het grondfeit, poging tot het grondfeit of
het voltooide grondfeit. Daarnaast kan – voor zover dat juridisch mogelijk is – (ook)
sprake zijn van deelneming aan het grondfeit (medeplegen, medeplichtigheid, uitlokking
of doen plegen van het grondfeit). Ook kan sprake zijn van samenloop tussen feiten.
Hierdoor is er geen betrouwbare informatie uit de beschikbare managementinformatiesystemen
te halen ten aanzien van de toepasselijke wettelijke maximumstraf in een concrete
zaak.
Vraag 4
Kunt u deze cijfers uitsplitsen per jaar, zodat zichtbaar wordt of de gemiddelde opgelegde
straf als percentage van de wettelijke maximumstraf in de afgelopen vijf jaar is gestegen,
gedaald of gelijk gebleven?
Antwoord 4
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3 kan op deze vraag geen antwoord
worden gegeven.
Vraag 5
Kunt u voor dezelfde delictscategorieën aangeven welke straf het Openbaar Ministerie
gemiddeld heeft geëist?
Antwoord 5
De strafeis per individuele strafzaak of per delictscategorie wordt door het Openbaar
Ministerie niet geregistreerd.
Vraag 6
Kunt u per delictscategorie aangeven wat het gemiddelde verschil is tussen de strafeis
van het Openbaar Ministerie en de uiteindelijk door de rechter opgelegde straf, zowel
in aantal als percentage?
Antwoord 6
Met verwijzing naar het antwoord op vraag 5, is de gevraagde informatie over het gemiddelde
verschil tussen de strafeis en de opgelegde straf niet beschikbaar. Daarom kan geen
antwoord worden gegeven op deze vraag.
Vraag 7
Kunt u voor geweldsdelicten tegen hulpverleners inzichtelijk maken wat in de afgelopen
vijf jaar de gemiddelde strafeis van het Openbaar Ministerie was, wat de gemiddelde
uiteindelijk opgelegde straf was en hoe groot de afwijking daartussen gemiddeld was,
zowel in absolute zin als percentage van de strafeis?
Antwoord 7
Met verwijzing naar het antwoord op vragen 1 en 5, is de gevraagde informatie bij
geweldsdelicten tegen hulpverleners niet beschikbaar en kan daarom geen antwoord worden
gegeven op deze vraag.
Vraag 8
Kunt u aangeven of de discrepantie tussen strafeis en opgelegde straf in deze delictscategorieën
in de afgelopen vijf jaar is toe- of afgenomen?
Antwoord 8
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 5 en 6, kan geen antwoord worden gegeven
op deze vraag.
Vraag 9
Kunt u, voor zover beschikbaar, aangeven hoe de ontwikkeling van opgelegde straffen
als percentage van de wettelijke maximumstraf zich verhoudt tot de langere termijn,
bijvoorbeeld de afgelopen tien of vijftien jaar?
Antwoord 9
Met verwijzing naar de antwoorden op vraag 1 en 3, kan geen antwoord worden gegeven
op deze vraag.
Vraag 10
Wordt binnen uw ministerie, het Openbaar Ministerie of de Raad voor de rechtspraak
structureel bijgehouden hoe opgelegde straffen zich verhouden tot wettelijke maximumstraffen?
Zo ja, kunt u deze gegevens met de Kamer delen? Zo nee, bent u bereid dit voortaan
structureel te laten monitoren?
Antwoord 10
De verhouding tussen de opgelegde straffen en de wettelijke strafmaxima wordt zowel
door het ministerie, als het Openbaar Ministerie en de Raad voor de rechtspraak niet
structureel bijgehouden. In het licht van het antwoord op vraag 1, kan met de beschikbare
informatie uit de managementinformatiesystemen geen voldoende betrouwbaar en compleet
beeld worden gegeven met betrekking tot het bewezenverklaarde feit in relatie tot
de opgelegde straf en/of maatregel. Ook ontstaat daardoor geen voldoende betrouwbaar
beeld over de van toepassing zijnde maximumstraf in een concrete zaak en kan dus ook
de vraag hoe de opgelegde straf zich verhoudt tot die maximumstraf niet worden beantwoord.
Wat de maximumstraf is in een concrete zaak hangt – zoals in het antwoord op vraag
1 besproken – van zoveel factoren af dat het verwerken van deze informatie in de managementinformatiesystemen
een intensief en complex traject zal zijn – los van of het technisch haalbaar is.
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat inzicht in de verhouding tussen wettelijke maximumstraffen,
strafeisen en daadwerkelijk opgelegde straffen noodzakelijk is om te kunnen beoordelen
hoe strafmaxima in de praktijk doorwerken in de straftoemeting? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Het WODC-onderzoek «Strafverzwaring in samenhang» biedt mede door middel van jurisprudentieonderzoek
inzichten in de mate waarin verhogingen van wettelijke strafmaxima doorwerken in de
rechterlijke straftoemeting.1 Daarmee bestaat voor een aantal delicten reeds een beeld van de betekenis van strafmaxima
in de rechterlijke straftoemetingspraktijk.
De onderzoekers concluderen dat de uitdaging ligt in het ontwikkelen van beter onderbouwde
en consistent toegepaste straftoemetingskaders. De wetgever kan volgens de onderzoekers
wettelijke strafmaatverhogingen beter onderbouwen en de rechterlijke macht (rechtspraak
en het Openbaar Ministerie) zou de onderbouwing van de straftoemetingsrichtlijnen
kunnen verbeteren.
Aanvullend inzicht in de verhouding tussen wettelijke strafmaxima, de strafvorderingsrichtlijnen
van het OM en de oriëntatiepunten van de rechtspraak kan evenwel bijdragen aan een
beter begrip van de wijze waarop deze factoren zich tot elkaar verhouden. Tegen deze
achtergrond ben ik in gesprek met het OM en de Rechtspraak over het versterken van
de onderbouwing van de wettelijke strafmaatverhogingen, de straftoemetingsrichtlijnen
van het OM en de rechtspraak en over de doorwerking van de wettelijke verhogingen.
Ik informeer u hierover nader in de tweede helft van 2026.
Bijlage: Overzicht gemiddelde opgelegde vrijheidsstraffen
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.