Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid El Abassi over het bericht dat rechters verkeersboetes te hoog vinden en dit mogelijk gevolgen heeft voor kabinetsbeleid
Vragen van het lid El Abassi (DENK) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bericht dat rechters verkeersboetes te hoog vinden en dit mogelijk gevolgen heeft voor kabinetsbeleid (ingezonden 20 juli 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 28 augustus 2026)
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2648
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Spectaculair: rechters vinden verkeersboetes te hoog,
mogelijk gevolgen voor kabinetsbeleid» van het AD d.d. 3 juli 2026?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u bekend met de recente uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en de daarin
opgenomen rechtsoverwegingen waaruit blijkt dat de verhoging van de boetebedragen
uit 2024 en 2025 onverbindend is verklaard wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?2
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Hoe reflecteert u op het oordeel van drie kantonrechters dat de verhogingen van de
verkeersboetes in 2024 en 2025 onredelijk zijn en neerkomen op verkapte belastingheffing
bij verkeersovertreders?3
Vraag 4
Hoe beoordeelt u, in het licht van het voorgaande, de kritiek dat de overheid daarmee
haar boekje te buiten gaat wanneer zij een wettelijke bevoegdheid voor verkeersveiligheid
inzet voor een ander, oneigenlijk budgettair doel, oftewel détournement de pouvoir?
Antwoord 3 en 4
De rechtspraak laat een wisselend beeld zien. In enkele recente zaken heeft de kantonrechter
inderdaad geoordeeld dat het besluit waarmee de verkeersboetes in 2024 en 2025 zijn
verhoogd onverbindend is in verband met strijd met het evenredigheidsbeginsel. De
in deze zaken opgelegde verkeersboetes zijn daarom verlaagd naar het niveau in 20234. In verschillende andere zaken hebben rechters echter geoordeeld dat de verhogingen
van de verkeersboetes niet onrechtmatig waren en dat geen sprake is van strijd met
het evenredigheidsbeginsel.5 De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan
kijken. Ik zal deze ontwikkelingen nauwlettend volgen.
Ten aanzien van «détournement de pouvoir» kan worden opgemerkt dat het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden, de hoogste rechter voor verkeerszaken die worden afgedaan op grond
van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, eerder heeft
geoordeeld dat met de verhoging van de sanctietarieven per 1 maart 2024 niet is gehandeld
in strijd daarmee of met het specialiteitsbeginsel.6 Ook heeft het hof in deze zaak geoordeeld dat het bedrag van de opgelegde sanctie
in redelijke verhouding staat tot de aard en de ernst van de onderhavige gedraging,
zodat ook hier geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel.7
Vraag 5
In hoeverre acht u uw beleid rechtsstatelijk houdbaar, nu de overheid burgers met
steeds hogere verkeersboetes aanspreekt op naleving van de wet, terwijl diezelfde
overheid deze boetes mede inzet als begrotingsinstrument en daarmee volgens meerdere
rechters (on)geschreven regels, zoals het evenredigheidsbeginsel, schendt?8
Antwoord 5
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangegeven laat de rechtspraak nog een
wisselend beeld zien. Het is zaak om het verdere verloop van rechtelijke procedures
eerst af te wachten.
Vraag 6
Waarom heeft u geen dragende juridische motivering gegeven voor de verhouding tussen
de verhoogde boetes op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
(hierna: Wahv) en boetes voor commune delicten, terwijl zowel het Openbaar Ministerie
als de Raad van State nadrukkelijk op deze disbalans heeft gewezen?
Antwoord 6
Ik heb eerder meerdere malen erkend dat er sprake is van een disbalans tussen de Wahv-boetes
en de boetes voor commune delicten en dat deze disbalans onwenselijk is. De benodigde
bezuinigingen om de disbalans op te lossen, acht dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat het maatschappelijk moeilijk uitlegbaar is dat foutparkeren
op een gehandicaptenplaats kan leiden tot een hogere boete dan een geldboete die in
de strafrechtpraktijk regelmatig wordt opgelegd voor mishandeling? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 7
Op grond van de meest recente Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken
(juli 2026) geldt voor een eenvoudige mishandeling die bestaat uit een droge klap
of schop (met alleen pijn en geen letsel) als oriëntatiepunt een geldboete van € 700,–.9 Voor het onterecht parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats die specifiek is toegekend
aan een bepaald kenteken (voor het parkeren voor de eigen woning of voor de werkplek)
is het boetebedrag € 500,–. Voor het onterecht parkeren op een algemene gehandicaptenparkeerplaats
geldt een boete van € 400,–. Het bezetten van een parkeerplaats voor een minder valide
persoon beperkt direct de mobiliteit van mensen met een beperking. Een stevige normstelling
en een hoge boete is derhalve en in algemene zin op zijn plaats.
Vraag 8
Hoe gaat u nu voorkomen dat een wettelijke bevoegdheid die bedoeld is voor verkeersveiligheid,
normhandhaving en bestraffing van verkeersovertredingen, wordt ingezet voor het dichten
van begrotingsgaten?
Antwoord 8
Zoals ik reeds eerder meerdere malen heb toegezegd zal ik de verkeersboetes niet beleidsmatig
verhogen en enkel jaarlijks indexeren. In het kader van de beleidsreactie op de evaluatie
van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bekijk
ik momenteel welke mogelijkheden er zijn om te waarborgen dat verkeersboetes ook in
de toekomst primair worden ingezet als instrument voor verkeersveiligheid en niet
als begrotingsmiddel.
Vraag 9
Kunt u de verhoging van de verkeersboetes in 2024 en 2025 uitsplitsen naar aard en
hoogte, waarbij per boetecategorie inzichtelijk wordt gemaakt welk deel voortvloeit
uit inflatiecorrectie en welk deel uit een beleidsmatige keuze, en hoeveel deze beleidsmatige
verhogingen exact hebben opgeleverd voor de staatskas?
Antwoord 9
De verhoging van de verkeersboetes op grond van de Wahv bedroeg in 2024 10%. Daarvan
was 5,7% inflatiecorrectie en 4,3% een beleidsmatige aanvullende verhoging. Deze beleidsmatige
verhoging heeft extra opbrengsten van (bij benadering) ongeveer 37 miljoen euro opgeleverd.
De strafrechtelijke verkeersboetes zijn in dat jaar enkel geïndexeerd op basis van
de inflatie van 5,7%. In 2025 zijn de verkeersboetes, zowel de Wahv-boetes als de
strafrechtelijke verkeersboetes, enkel met 3,2% geïndexeerd.
Bij eerdere beleidsmatige verhogingen van de verkeersboetes, zijn ook de strafrechtelijke
tarieven altijd met hetzelfde percentage verhoogd.
Vraag 10
Kunt u vervolgens uiteenzetten hoe deze extra opbrengsten budgettair zijn verwerkt,
waaraan zij zijn besteed en welk concreet maatschappelijk of verkeersveiligheidseffect
daarmee is bereikt?
Antwoord 10
Alle ontvangsten op grond van de Wahv zijn onderdeel van de Rijksbegroting. Er is
geen nadere specificatie waaraan deze zijn besteed.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u het risico dat ook andere rechters de verhogingen van 2024, 2025
en 2026 exceptief gaan toetsen en onverbindend verklaren wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel?
Antwoord 11
Het is niet aan mij om daar op vooruit te lopen. De rechtspraak laat tot nu toe een
wisselend beeld zien. Vanzelfsprekend volg ik deze ontwikkeling nauwlettend. Ik verwijs
hiervoor ook naar het antwoord op de vragen 3 en 4.
Vraag 12
Bent u zich ervan bewust dat, wanneer deze zaken uiteindelijk bij het gerechtshof
of de Hoge Raad terechtkomen en ook daar wordt geoordeeld dat de verhogingen van de
verkeersboetes uit 2024 en 2025 in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel, dit
kan dwingen tot verlaging van de hoogte van verkeersboetes in Nederland?
Antwoord 12
Ja. Zie ook het antwoord op de vragen 3 en 4 ten aanzien van het huidige beeld van
de rechtspraak.
Vraag 13
Op 3 juli 2026 heeft de advocaat-generaal bij het parket van de Hoge Raad advies uitgebracht.
Hij stelt dat Wahv-verhogingen door hun afschrikwekkende en bestraffende karakter
niet kunnen worden afgedaan als louter incassomaatregel. Hoe rechtvaardigt u dat deze
verhogingen automatisch worden opgelegd zonder de rechtsbescherming die hoort bij
een criminal charge onder Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de
Mens?10
Antwoord 13
De conclusie van de advocaat-generaal is een advies aan de Hoge Raad. De prejudiciële
vraag over de ophogingen bij Wahv-boetes is momenteel in behandeling bij de Hoge Raad.
De vraag of de ophogingen in strijd zijn met artikel 6 EVRM en – indien deze vraag
bevestigend wordt beantwoord – welke eventuele gevolgen dit heeft voor de inrichting
van de rechtsbescherming moet dus nog worden beantwoord.
Vraag 14
Welke concrete maatregelen neemt u naar aanleiding van de uitspraken van de rechtbank
Midden-Nederland en de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad?
Antwoord 14
Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland
en de conclusie van de advocaat-generaal op twee verschillende aspecten zien. Waar
de uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland raken aan de hoogte van verkeersboetes
zelf, gaat de conclusie van de advocaat-generaal over de verhogingen van verkeersboetes
bij niet-tijdige betaling van een verkeersboete.
Los van de toezegging dat ik de verkeersboetes niet beleidsmatig zal verhogen (zie
ook het antwoord op vraag 8), onderneem ik naar aanleiding van de uitspraken van de
rechtbank Midden-Nederland nu geen stappen. Zoals eerder in het antwoord op vragen
3 en 4 aangegeven laten de uitspraken nog een wisselend beeld zien. Ik acht het van
belang om eerst af te wachten hoe andere (hogere) rechters tegen deze materie aan
kijken en wil daar niet op vooruitlopen.
Wat betreft de conclusie van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad geldt het volgende.
De Hoge Raad heeft de vraag als gezegd op dit moment in behandeling. Na de uitspraak
van de Hoge Raad kan de procedure bij de rechtbank Den Haag, die de prejudiciële vraag
heeft gesteld, worden voortgezet.
Er kan niet vooruit worden gelopen op rechterlijke uitspraken. Zoals eerder aangegeven
in de beantwoording van vraag 18 van de feitelijke vragen van de VKC JenV naar aanleiding
van het rondetafelgesprek op 15 april jl. bereiden het CJIB en het Ministerie van
Justitie en Veiligheid zich wel voor op mogelijke scenario’s. Als de uitkomst van
de procedure helder is, zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de eventuele implicaties
en hoe dit wordt opgepakt.
Vraag 15
Bent u bereid om, mede naar aanleiding van deze rechterlijke uitspraken, met een integraal
voorstel te komen om verkeersboetes, verhogingen en aanmaningskosten proportioneel
te maken en te voorkomen dat verkeersboetes mensen onnodig in problematische schulden
duwen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 15
Zoals in het antwoord op de vragen 3 en 4 is aangeven, laat de rechtspraak nu nog
een wisselend beeld zien. De komende tijd moet blijken hoe andere (hogere) rechters
tegen deze materie aan kijken. Zoals u weet zie ik op dit moment ook geen mogelijkheden
voor wijzigingen in het verkeersboetebeleid. De benodigde bezuinigingen hiervoor acht
dit kabinet op dit moment niet wenselijk.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.