Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Moinat over ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd
Vragen van het lid Moinat (Groep Markuszower) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd (ingezonden 14 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 26 augustus
2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Ruim 200 Nederlandse kinderen hebben geen vaste voogd» van Investico en Trouw van 14 juli 2026?1
2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat is uw reactie op de bevinding dat ruim 200 kinderen geen vaste voogd hebben, terwijl
het gezag van hun ouders door de rechter is beëindigd en de overheid daarmee verantwoordelijk
is voor hun bescherming?
Antwoord 2
Als de overheid ingrijpt in het gezag van ouders en de kinderrechter een maatregel
voor kinderbescherming oplegt, dan moeten het kind en de ouders kunnen rekenen op
een snelle inzet van een jeugdbeschermer. Zoals ik u de afgelopen periode helaas al
vaker heb moeten berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor een vaste
jeugdbeschermer voor deze kinderen; ook voor kinderen met een voogdijmaatregel.3 Dat vind ik uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit.
De GI’s hanteren een gezamenlijk handelingsperspectief als kinderen en gezinnen noodgedwongen
op de wachtlijst voor een vaste jeugdbeschermer komen te staan. Dit perspectief is
een door de GI’s gezamenlijk opgestelde minimale werkwijze voor wachtlijstbeheer in
geval van personele onderbezetting. Spoedmaatregelen, zoals een voorlopige ondertoezichtstelling
(OTS), worden altijd direct opgepakt. Ook zaken waarbij sprake is van directe kind-onveiligheid
worden direct opgepakt.
Als bij een GI sprake is van onvoldoende beschikbare medewerkers dan wordt op basis
van risicotaxatie bepaald welke kinderen direct geholpen moeten worden en welke kinderen
noodgedwongen moeten wachten. Dat kunnen zowel kinderen met een OTS-maatregel als
een met een voogdij maatregel zijn.
Bij voogdij kan sprake zijn van een meer stabiele opvoedsituatie (door bijvoorbeeld
een langdurige plaatsing in pleeggezin of een gezinshuis) dan bij een OTS. In dat
geval kan de afweging gemaakt worden dat een voogdijkind op de wachtlijst wordt geplaatst
omdat bij een OTS-kind meer risico’s spelen.
Ook wordt afgestemd met het betrokken professioneel netwerk over hoe de veiligheid
wordt gemonitord en hoe vorm wordt gegeven aan de evaluatie van de kindveiligheid
en voortgang op de hulpverleningsdoelen. Vaak is al een professioneel netwerk betrokken
omdat de hulp in vrijwillig kader is gestart of omdat de hulp al eerder door een jeugdbeschermer
is gestart – maar het kind nu op de interne wachtlijst staat omdat er nog géén opvolger
is gevonden voor de jeugdbeschermer die de organisatie verlaten heeft. De veiligheid
van het kind wordt periodiek gemonitord door het wachtlijstteam van de GI. Op basis
van deze monitoring wordt direct een jeugdbeschermer ingezet als dat nodig is.
De inspecties hebben in september 2025 kritische rapporten geschreven over de problemen
bij de gecertificeerde instellingen (GI’s).4 Daarbij constateren de inspecties dat de belangrijkste oorzaken gelegen zijn in
arbeidsmarktproblemen en ontbrekende of ontoegankelijke passende hulp. Dit zijn factoren
waar de GI’s zelf weinig directe invloed op hebben. In reactie op deze rapporten hebben
we in de brief van 2 december 2025 aangegeven als Rijk hier het voortouw in te nemen
om samen met gemeenten en GI’s gezamenlijk afspraken te maken om in het hier en nu
mede op basis van de aanbevelingen van de inspecties te zorgen voor betere bescherming
en tijdige hulp voor kinderen en hun ouders.5 De GI’s werken in dat kader aan het verbeteren van de interne werkprocessen op basis
van «good practices» uit de sector en met het verbeteren van de «betekenisvolle contacten»
tussen jeugdbeschermer en met name het kind. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september
2026 zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Vraag 3
Deelt u de mening dat het onaanvaardbaar is dat juist deze kwetsbare kinderen geen
vaste voogd hebben die hen persoonlijk kent, hun veiligheid bewaakt en namens hen
belangrijke beslissingen neemt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 3
Ik vind het bij alle kinderen onwenselijk dat ze moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer,
ook voor voogdijkinderen. Gegeven de situatie dat sprake is van onvoldoende beschikbare
medewerkers is het echter voorstelbaar dat op basis van een risicotaxatie gekozen
wordt om het kind met de grootste risico’s eerst te helpen.
Vraag 4
Hoeveel kinderen hebben momenteel geen vaste voogd? Kunt u dit uitsplitsen per gecertificeerde
instelling, aangeven hoe lang zij gemiddeld en maximaal zonder vaste voogd zitten
en in welke vorm van opvang zij verblijven?
Antwoord 4
De specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar. Mede
op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal
van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort
jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse
monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november
2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering
per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het
door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Vraag 5
Wie draagt gedurende deze periode de eindverantwoordelijkheid voor de veiligheid van
deze kinderen en voor besluiten over onder meer medische behandelingen, onderwijs,
jeugdhulp, contact met ouders en familieleden en officiële documenten? Hoe wordt daarbij
gewaarborgd dat deze besluiten worden genomen door iemand die het kind daadwerkelijk
kent?
Antwoord 5
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Als
sprake is van besluiten waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt
dit via een jeugdbeschermer van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat er gehandeld
wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs, medische behandeling, omgang,
jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische zaken. Dit gaat nog niet in
alle gevallen goed. Ook de verhalen die zijn beschreven door Trouw en Investico geven
daar voorbeelden van. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers
in alle zaken zodat de uitvoering verbeterd. Daarnaast wordt gewerkt aan het verminderen
van de wachtlijsten op basis van «good practices» en wordt gewerkt aan het verbeteren
va de betekenisvolle contacten. Ten behoeve van het jeugddebat op 30 september 2026
zullen we uw Kamer informeren over de stand van zaken van deze verbeteracties.
Vraag 6
Hoe wordt gedurende de periode zonder vaste voogd geborgd dat ieder kind regelmatig
persoonlijk wordt gesproken en dat voortdurend zicht bestaat op zijn of haar veiligheid
en ontwikkeling?
Antwoord 6
De GI’s hebben in het handelingsperspectief opgenomen dat de veiligheid van het kind
beoordeeld wordt, na aanmelding dient het eerste contact met het gezin binnen 10 dagen
plaats te vinden en dient informatievoorziening plaats te vinden. Per GI is de wijze
van en de frequentie van het contact uitgewerkt. De bedoeling is dat het kind ook
altijd gesproken wordt en afhankelijk van de situatie ook apart. Ook worden met het
professionele en sociale netwerk rondom het kind afspraken gemaakt om de GI te informeren
als daartoe aanleiding is.
Vraag 7
Hoeveel belangrijke beslissingen zijn het afgelopen jaar vertraagd doordat geen vaste
voogd beschikbaar was en welke gevolgen heeft dit gehad voor de betrokken kinderen?
Antwoord 7
Er wordt niet geregistreerd welke belangrijke beslissingen het afgelopen jaar zijn
vertraagd doordat geen vaste voogd beschikbaar was.
Vraag 8
Zijn bij u, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd of de Inspectie Justitie en Veiligheid
incidenten, calamiteiten of onveilige situaties bekend waarbij het ontbreken van een
vaste voogd een rol heeft gespeeld? Zo ja, hoeveel en wat was de aard daarvan?
Antwoord 8
Bij de inspecties zijn calamiteiten, incidenten en onveilige situaties bekend waarbij
het ontbreken van een vaste voogd een rol heeft gespeeld. Gegevens over het aantal
en de aard van de incidenten, calamiteiten of onveilige situaties door het ontbreken
van een voogd hebben de inspecties niet, omdat dit niet als zodanig wordt geregistreerd.
Wel hebben de inspecties in diverse publicaties aandacht gevraagd voor de problematiek
van het niet (tijdig) hebben van een vaste jeugdbeschermer/voogd:
– Publicatie Kwetsbare Kinderen, kwetsbaar stelsel – Een rapport van de inspecties over
verdiepend toezicht op jeugdbescherming en jeugdreclassering en pleegzorginstellingen,
naar aanleiding van de calamiteit in Vlaardingen.6
– Als zelfs overheidsingrijpen kinderen geen bescherming biedt – Een rapport van de
inspecties over het toezicht van 2024 en 2025, uitgevoerd bij gecertificeerde instellingen
voor jeugdbescherming en jeugdreclassering.7
– Nieuwsbrief signalen jeugdbeschermingsketen 2023 en 2024 – Signalen Jeugdbeschermingsketen
is een publicatie van de inspecties over signalen binnen de Jeugdbeschermingsketen
van 2023–2024. De gevolgen voor kinderen en hun ouders van de crisis in de jeugdbeschermingsketen
staan in deze nieuwsbrief centraal.8
– Pleegkinderen uit beeld – Een rapport van de IGJ over jeugdhulpaanbieders die pleegzorg
bieden en de risico’s die de inspectie ziet voor pleegkinderen en pleeggezinnen.9
De inspecties maken in rapporten vaak geen onderscheid tussen voogden of jeugdbeschermers
(die ook de voogd kunnen zijn). Daarom spreken ze in rapporten vaak van jeugdzorgwerkers.
Vraag 9, 10 en 11
Hoe verhoudt het ontbreken van een vaste voogd zich tot de wettelijke taak van gecertificeerde
instellingen om uitvoering te geven aan een door de rechter opgelegde voogdijmaatregel?
Hoe beoordeelt u het feit dat een kinderrechter weliswaar een gecertificeerde instelling
als voogd benoemt, maar dat er geen wettelijke waarborg bestaat dat een kind binnen
een bepaalde termijn een vaste jeugdbeschermer of voogd krijgt die het kind persoonlijk
kent en de voogdij feitelijk uitvoert? Acht u dit verenigbaar met de rechtsbescherming
en de belangen van deze kinderen?
Acht u het huidige Handelingsperspectief en de veldnorm bij onderbezetting toereikend
voor kinderen van wie het ouderlijk gezag is beëindigd, gelet op de eerdere constateringen
van de inspecties dat hierdoor onvoldoende zicht kan bestaan op de veiligheid van
kinderen?
Antwoord 9, 10 en 11
De wet bepaalt dat een kind waarvoor een maatregel voor kinderbescherming is uitgesproken,
dan wel waarvoor jeugdreclassering is opgelegd, binnen 5 werkdagen een (gezins)voogd
of een jeugdreclasseringsmedewerker krijgt toegewezen. Zoals de inspectie ook constateert
kan, mede door arbeidsmarktproblematiek, niet ieder kind in de praktijk direct van
een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder worden voorzien. In die gevallen wordt
gewerkt volgens het handelingsperspectief (zie het antwoord op vraag 2).
In de praktijk doen de GI’s meer dan beschreven in het handelingsperspectief en maken
zij zoals hierboven beschreven afspraken met het sociale en professionele netwerk
om de veiligheid zo goed mogelijk te borgen. En bij directe onveiligheid wordt meteen
gehandeld. Dit neemt niet weg dat met het werken volgens het handelingsperspectief
niet de gebruikelijke begeleiding van een reguliere uitvoering gerealiseerd kan worden.
In die zijn krijgen kinderen en ouders niet de bescherming die zij mogen verwachten.
Zie de antwoorden op vraag 2 en 5 voor een overzicht van de maatregelen die ingezet
worden om de wachtlijsten te verminderen en het gebruik van het handelingsperspectief
onnodig te maken. Ook in gevallen waarin het handelingsperspectief wordt ingezet,
hebben de ouders uiteraard recht op gebruikelijke rechtsbescherming volgens het wettelijk
kader van de ondertoezichtstelling of de voogdij maatregel. Het handelingsperspectief
is een oplossing voor het ontbreken van een vaste voogd, maar biedt niet hetzelfde
niveau van bescherming, er is immers geen vaste voogd. Ik acht het huidige handelingsperspectief
en de veldnorm bij onderbezetting onder de huidige omstandigheden en gezien de inzet
op verbetermaatregelen een toereikend alternatief.
Vraag 12
Waarom is niet eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste
voogd zitten, terwijl de inspecties al jaren waarschuwen voor personeelstekorten,
hoge werkdruk en onvoldoende continuïteit binnen de jeugdbescherming?
Antwoord 12
Mede op basis van de motie Hijink – waarin al gerefereerd wordt aan de signalen van
de inspecties – informeren we uw Kamer over het totaal aantal kinderen dat op een
vaste jeugdbeschermer wacht. De inspecties geven in hun rapportages aan dat sprake
is van onvoldoende continuïteit in de jeugdbescherming maar maken bij de wachtlijsten
geen onderscheid naar het soort maatregel. Zoals bij het antwoord vraag 2 en 3 is
aangegeven wordt op basis van een risicobepaling bepaald of een kind direct geholpen
moet worden dan wel dat het kind noodgedwongen op de wachtlijst komt te staan. Omdat
wordt uitgegaan van risico’s voor het kind en niet van het soort maatregel is niet
eerder landelijk inzichtelijk gemaakt hoeveel kinderen zonder vaste voogd zitten.
Vraag 13
Welke concrete maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat rechterlijke voogdijbeslissingen
daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd en dat ieder kind tijdig een vaste voogd krijgt?
Antwoord 13
In brief van 2 december 2025 hebben we u geïnformeerd over de maatregelen die genomen
worden om de wachtlijsten in de jeugdbescherming en jeugdreclassering te verminderen.10 Daarbij hebben we aangegeven dat de GI’s gaan werken aan het verbeteren van hun werkwijze
op basis van «good practices» en dat ze aan de slag gaan met het verbeteren van betekenisvolle
contacten. Ten behoeve van het debat met uw Kamer van 30 september 2026 infomeren
we u over de stand van zaken.
Naast het werken aan «good practices» werkt het Rijk aan een aanpassing van het stelsel
met de Hervormingsagenda Jeugd en specifiek voor de jeugdbeschermingsketen met het
Toekomstscenario Kind- en Gezinsbescherming. Op 8 juli 2026 hebben we uw Kamer geïnformeerd
over de «veranderingsstrategie» Kind- en Gezinsbescherming en de acties die in dat
kader genomen worden om kinderen eerder te beschermen en daarmee te voorkomen dat
een maatregel voor Kinderbescherming noodzakelijk is en daarmee de druk op de wachtlijsten
te verminderen. Met deze concrete verbetermaatregelen streven we ernaar de uitvoering
van jeugdbeschermingsmaatregelen bij GI’s te verbeteren en de druk van stelselproblematiek
te verminderen.
Vraag 14
Bent u bereid de gecertificeerde instellingen opdracht te geven kinderen zonder vaste
voogd met voorrang een vaste voogd toe te wijzen en de Kamer te informeren over de
voortgang hiervan?
Antwoord 14
Er is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor kinderen zonder vaste voogd; ook
voor kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen
voor kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit
als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers,
passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking
komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden
ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een
vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Vraag 15
Bent u bereid de Kamer binnen 6 weken te informeren over het exacte aantal kinderen
zonder vaste voogd, de duur van de wachtperiode per gecertificeerde instelling en
de maatregelen waarmee deze situatie zo spoedig mogelijk wordt beëindigd?
Antwoord 15
Op dit moment beschik ik niet over de gegevens over het aantal voogdijkinderen dat
wacht op een vaste voogd. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse monitor
uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik de wachtlijsten kan specificeren
voor de voogdij en de jeugdreclassering per 1 oktober. Ik kan u dan in november hierover
informeren ten behoeve van het door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
In de brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september zal ik u nader informeren
over de stand van zaken van de in de brief van 2 december 2025 opgenomen maatregelen.11
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.