Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Westerveld over het tekort aan voogden
Vragen van het lid Westerveld (PRO) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport en de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over het tekort aan voogden (ingezonden 15 juli 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van Bruggen (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 26 augustus
2026).
Vraag 1
Herkent u het beeld dat wordt geschetst door Dagblad Trouw en Onderzoeksplatform Investico
over het tekort aan voogden voor kinderen aan ouders die geen gezag meer hebben?1
Antwoord 1
Wij herkennen het beeld dat ook bij voogdij sprake kan zijn van een wachtlijst.
Vraag 2
Is bij uw ministeries bekend dat het hier gaat over 200 kinderen? Zo ja, hoe vaak
wordt hierover gerapporteerd door de jeugdbeschermingsorganisaties en aan wie?
Antwoord 2
Nee, de specificatie van de wachtlijst naar maatregel is landelijk niet beschikbaar.
Mede op basis van de motie Hijink informeer ik uw Kamer sinds eind 2022 over het totaal
van de wachtlijsten bij de GI’s; daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar het soort
jeugdbeschermingsmaatregel. Over peildatum 1 oktober 2026 wordt de halfjaarlijkse
monitor uitgevoerd. Ik ben in overleg met de GI’s om te bezien of ik u in november
2026 kan informeren over de wachtlijsten specifiek voor de voogdij en de jeugdreclassering
per 1 oktober. Deze gegevens zouden dan beschikbaar kunnen zijn ten behoeve van het
door uw Kamer nog te plannen wetgevingsoverleg.
Vraag 3
Kunt u in kaart brengen hoe het aantal kinderen dat geen voogd heeft zich sinds de
decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie?
Hoe verklaart u de verschillen? En waren er voor de decentralisatie van de jeugdzorg
ook kinderen zonder voogd?
Antwoord 3
Eind 2022 zijn mede op basis van motie Hijink afspraken met de GI’s gemaakt over de
definitie en rapportage van de wachtlijsten. Vanaf eind 2022 zijn dan ook gestandaardiseerd
gegevens beschikbaar over het totaal aantal kinderen dat bij de GI’s wacht op een
vaste jeugdbeschermer. Omdat vóór deze periode nog geen sprake was van gestandaardiseerde
wachtlijstgegevens, zijn vóór de periode «eind 2022» geen wachtlijstgegevens beschikbaar.
Ook zijn er geen gestandaardiseerde wachtlijstgegevens beschikbaar van vóór de decentralisatie.
Omdat deze gegevens er niet zijn, kan ik niet aangeven hoe het aantal kinderen dat
geen voogd heeft zich sinds de decentralisatie van de jeugdzorg heeft ontwikkeld in
aantallen per jeugdbeschermingsorganisatie. Ook kan omdat deze gegevens er niet zijn,
niet aangeven of er voor de decentralisatie ook kinderen zonder voogd waren.
Vraag 4
Kunt u aangeven of en zo ja wanneer de Tweede Kamer hierover geïnformeerd is? Klopt
het dat dit niet proactief gebeurt en zo ja, wat is de reden daarvoor? Worden gemeenteraden
hierover wel periodiek geïnformeerd? Zo nee, wie houdt hier wel toezicht op?
Antwoord 4
Sinds 2022 informeren we uw Kamer over de hoogte van de totale wachtlijst bij de GI’s
zonder onderscheid naar soort maatregel. De GI’s hebben een handelingsperspectief
opgesteld met daarin de gezamenlijke werkwijze wanneer door capaciteitsgebrek een
wachtlijst moet worden ingesteld. Hierin is tevens opgenomen dat GI’s de gemeenten
(en de andere ketenpartners) informeren over de wachtlijst. In het handelingsperspectief
is niet opgenomen dat de gemeenten geïnformeerd worden naar soort maatregelen die
door de GI’s worden uitgevoerd. Het is ons niet bekend of individuele GI’s alsnog
dit onderscheid maken als zij de gemeenten informeren.
Vraag 5
Is in de afgelopen jaren ingezet op meer voogden of andere manieren om te voorkomen
dat kinderen zonder voogd komen te zitten? Zo ja, wat is er gedaan en wat heeft dit
opgeleverd? Wat zijn uw plannen de komende jaren?
Antwoord 5
Op landelijk niveau zijn in 2023 afspraken gemaakt over een landelijk tarief waarbij
de werkdruk bij de jeugdbescherming en jeugdreclassering met gemiddeld 30% verminderd
wordt. Daarnaast is ingezet op het aantrekken van meer jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders
door een subsidieregeling voor zij-instromers.2 Op landelijk niveau zijn eind 2025 afspraken gemaakt over het terugdringen van de
totale wachtlijsten. Voor een uitwerking van die maatregelen verwijzen we u naar de
brief van 2 december 20253. In de komende brief ten behoeve van het jeugddebat van 30 september informeren we
u nader over de voortgang van deze maatregelen.
Vraag 6
Heeft u in beeld wat de gevolgen zijn voor deze kinderen en hun (pleeg)gezinnen? Waar
kunnen kinderen zich melden die voor specifieke besluiten toestemming nodig hebben
van iemand die gezag heeft? Hoe wordt het opgelost wanneer zo’n situatie zich voordoet,
bijvoorbeeld als het gaat over medische besluiten, school of besluiten die in het
belang van het kind genomen moeten worden?
Antwoord 6
De inspecties hebben in september 2025 een kritisch toezichtsrapport4 gepubliceerd waarbij zij hebben opgenomen wat de gevolgen zijn voor de kinderen die
moeten wachten op een vaste jeugdbeschermer of jeugdreclasseerder. Daarbij is door
inspecties geen onderscheid gemaakt naar het soort maatregel.
De GI blijft te allen tijde verantwoordelijk voor de veiligheid van het kind. Hierbij
wordt gebruikt gemaakt van het handelingsperspectief. Als sprake is van besluiten
waarvoor de inzet van een voogd noodzakelijk is, verloopt deze via een jeugdbeschermer
van het wachtlijstteam. De GI’s geven aan dat als er gehandeld moet worden in een
voogdijzaak, er gehandeld wordt, b.v. bij beslissingen over onder meer onderwijs,
medische behandeling, omgang, jeugdhulp en financiële, administratieve en juridische
zaken. GI’s werken continue aan het realiseren van vaste jeugdbeschermers in alle
zaken zodat de uitvoering verbeterd. Het rapport van de inspecties laat zien dat het
nog niet in alle gevallen goed gaat. Ook de verhalen die zijn beschreven door het
dagblad Trouw en Investico geven daar voorbeelden van.
Vraag 7
Heeft u in beeld wat het gemiddeld aantal voogden is dat kinderen hebben? Bent u bekend
met signalen van zowel kinderen, hun biologische ouders of hun pleegouders over steeds
weer nieuwe voogden? Zo ja, heeft u plannen om deze situatie te verbeteren?
Antwoord 7
Wij hebben géén inzicht in het gemiddeld aantal voogden dat een kind begeleid. Als
gevolg van personeelsverloop of langdurige ziekte zullen vaak meerdere voogden bij
de begeleiding van een kind betrokken zijn. We verwijzen u naar het inspectierapport
van september 20255 waarin de inspectie een uitvraag heeft gedaan, waarbij aan jeugdigen en ouders onder
meer is gevraagd hoeveel jeugdzorgwerkers (jeugdbeschermers en jeugdreclasseerders)
bij de uitvoering van voogdij, OTS en jeugdreclassering betrokken zijn geweest.
Mede op grond van de rapporten van de inspectie over de hoge werkdruk bij de GI’s,
is zijn eind 2023 een landelijk tarief tot stand gekomen via bestuurlijke afspraken
tussen toenmalig Minister Weerwind (Rechtsbescherming), toenmalig Staatssecretaris
Van Ooijen (VWS) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hiermee werd een
aanzienlijke verlaging van de werkdruk/aantal kinderen gerealiseerd van gemiddeld
bijna 30%. Hierdoor is meer tijd per kind beschikbaar en wordt als gevolg van de lager
werkdruk ook een daling verwacht van het personeelsverloop en het ziekteverzuim.
Vraag 8
Bent u het eens met hoogleraar jeugdrecht Mariëlle Bruning die stelt dat jeugdbeschermingsorganisaties
««per direct» moeten ingrijpen, om alle kinderen over wie zij de voogdij hebben, zo
snel mogelijk een voogd te geven. Zij moeten de eerste capaciteit die vrijkomt aan
deze kinderen toewijzen. De staat is verantwoordelijk voor deze kinderen, maar niemand
neemt die verantwoordelijkheid. Ik vind dat een bedreiging voor de rechtsstaat.»?
Zo ja, wat gaat u doen?
Antwoord 8
Zoals mijn voorgangers en ik u de afgelopen periode helaas al vaker hebben moeten
berichten, is al lange tijd sprake van een wachtlijst voor deze kinderen; ook voor
kinderen met een voogdijmaatregel. Wachten op de uitvoering van een maatregelen voor
kinderbescherming is uiteraard zeer onwenselijk, maar dat is wel de huidige realiteit
als gevolg van de schaarste van personeel door arbeidsmarktproblematiek.
Ik vind het in de bestaande situatie, waarin er een tekort is aan jeugdbeschermers,
passend dat de kinderen waarbij sprake is van grotere risico’s, eerder in aanmerking
komen voor een jeugdbeschermer dan kinderen waarbij de risico’s minder groot worden
ingeschat. Het kan dan inderdaad zo zijn dat een kind dat een OTS heeft, eerder een
vaste jeugdbeschermer krijgt toegekend dan een kind met een voogdijmaatregel.
Ondertekenaars
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.