Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Krul en Van den Brink over de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij het Nederlandse cannabisexperiment
Vragen van de leden Krul en Tijs van den Brink (beiden CDA) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Justitie en Veiligheid over het bericht «Van Marlboro naar marihuana: tabaksreus stapt in legale Nederlandse wiet» (ingezonden 9 juni 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport), mede namens de
Minister van Justitie en Veiligheid (ontvangen 25 augustus 2026). Zie ook Aanhangsel
Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2391.
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht dat tabaksproducent Philip Morris in het Nederlandse
wietexperiment is gestapt door deels eigenaar te worden van de grootste deelnemende
teler?1
Antwoord 1
In het bericht wordt aangegeven dat een onderneming uit de tabaksindustrie indirect
eigenaar zou worden van een teeltbedrijf dat deelneemt aan het Experiment gesloten
coffeeshopketen (hierna: wietexperiment).
Over ontwikkelingen bij individuele deelnemers aan het wietexperiment kan het kabinet
geen uitspraken doen. Wel kan in het algemeen het volgende worden aangegeven.
Het experiment is vormgegeven binnen een wettelijk kader2 waarin is vastgelegd aan welke eisen aangewezen telers moeten voldoen. Omstandigheden
die voor de aanwijzing of instandhouding daarvan van belang kunnen zijn, worden beoordeeld
op grond van het wettelijk kader. Ten aanzien van de aandeelhoudersstructuur geldt
in algemene zin dat aangewezen telers – net zoals alle ondernemingen in Nederland
– zelf de verantwoordelijkheid hebben voor de inrichting van hun bedrijf. Het wettelijk
kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders.
Het kabinet kan eigendomsoverdrachten dus niet blokkeren. Wel kan, indien daartoe
aanleiding bestaat en de voorwaarden daarvoor zijn vervuld, een toets op grond van
de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet
Bibob) worden uitgevoerd. Een wijziging in de aandeelhoudersstructuur kan aanleiding
zijn voor een onderzoek op grond van de Wet Bibob. Bovendien worden alle aangewezen
telers elke twee à drie jaar getoetst middels een Bibob-onderzoek, conform de motie
van de leden Michon-Derkzen en Bikker.3 Afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek wordt beoordeeld welke gevolgen daaraan
verbonden worden. Een uiterste consequentie is het intrekken van de aanwijzing.
Vraag 2
Zijn er meer voorbeelden bekend waarin de tabaksindustrie investeert in de cannabismarkt,
via telers, coffeeshops of het financieren van wetenschappelijk onderzoek?
Antwoord 2
Dat is niet bekend, daarover wordt geen informatie verzameld.
Vraag 3
Bent u bereid te onderzoeken hoe vaak dit voorkomt en hoe de toenemende verwevenheid
tussen de tabaksindustrie en de cannabismarkt er precies uit ziet?
Antwoord 3
Nee. Wel zullen beleidsmatig geleerde lessen van het wietexperiment – naast de onderzoeksresultaten
over de effecten van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk
onderzoeksconsortium4 worden opgesteld – onderdeel zijn van het gesprek over de toekomst van het Nederlandse
cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en ervaring met
de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden betrokken bij
het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Vraag 4
Deelt u de zorgen van experts dat deze ontwikkeling ervoor zal zorgen dat de agressieve
verkoop- en lobbytechnieken van de tabaksindustrie worden gekopieerd naar de teelt
en verkoop van wiet, zoals we ook hebben gezien bij vapes?
Antwoord 4
Het kabinet snapt de zorgen die hierover leven. De tabaksindustrie draagt niet bij
aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende producten als tabak, sigaretten
en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door marketing- en lobbyactiviteiten
die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid.
Het wettelijk kader voor het wietexperiment bevat generieke eisen voor alle deelnemende
telers, onder andere vanuit het oogpunt van preventie. Hieronder vallen een volledig
reclameverbod, verpakkings- en etiketteringseisen en verplichte kwaliteitstesten door
laboratoria. Daarnaast is ieder cannabisproduct voorzien van een bijsluiter met informatie
over de effecten en risico’s van cannabisgebruik, inclusief tips om de risico’s van
het gebruik van cannabis te beperken. Voor coffeeshops in de deelnemende gemeenten
geldt bovendien de verplichting om hun personeel te scholen in het geven van voorlichting
over cannabisgebruik en de daaraan verbonden risico’s en om bezoekers te verwijzen
bij problematisch gebruik. Deze coffeeshops dienen ook voorlichtingsmateriaal over
cannabisgebruik en de bijbehorende risico’s van gebruik beschikbaar te hebben. De
Inspectie Justitie & Veiligheid en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit houden
toezicht op de naleving van de eisen.
Vraag 5
Deelt u de zorg dat hierdoor de kans groter wordt dat mensen bijvoorbeeld regelmatig
gaan blowen én vapen, terwijl dit extra schadelijk is? Zo ja, hoe gaat u dat voorkomen?
Antwoord 5
Het is niet duidelijk dat dit een causaal verband betreft. Het doel van het kabinet
is niet dat meer mensen cannabis gaan gebruiken. Aan het gebruik van cannabis zijn
namelijk altijd gezondheidsrisico’s verbonden en het reguleren van de productie (al
dan niet in een experiment) zorgt er niet voor dat cannabis veilig of niet schadelijk
is. Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen te voorkomen, zijn binnen het
wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen, zoals toegelicht
in de beantwoording van vraag 4.
Ontwikkelingen in drugsgebruik en de houding van jongeren ten aanzien van drugs worden
nauwlettend gevolgd via monitoring. Het Trimbos-instituut verricht doorlopend onderzoek
naar factoren die van invloed kunnen zijn op drugsgebruik onder minderjarigen en jongeren.
Het is bekend dat drugsgebruik en normalisering doorgaans het resultaat zijn van een
samenspel van verschillende factoren. Er is meestal niet één afzonderlijke oorzaak
aan te wijzen. Het kabinet ondersteunt dit onderzoek, onder meer via financiering
van het Trimbos-instituut, zodat trends en mogelijke risicofactoren op tijd in kaart
worden gebracht.
Vraag 6
Wat vindt u ervan dat een dochterbedrijf van Philip Morris wetenschappelijke artikelen
financiert die zich richten op de vermeende voordelen van het gebruik van cannabis?
Hoe vaak komt dit soort onderzoek gefinancierd door de tabaksindustrie voor?
Antwoord 6
Historisch gezien heeft de tabaksindustrie veel ervaring met het financieren van onderzoek
dat aansluit bij haar belangen. Het kabinet vindt dit zeer onwenselijk en verwerpelijk.
Niet omdat elk commercieel gefinancierd onderzoek automatisch onbetrouwbaar is, maar
omdat de tabaksindustrie een lange geschiedenis heeft van strategisch omgaan met wetenschap.
Onafhankelijk onderzoek is zeer belangrijk, zeker wanneer het gaat om de gezondheid
van mensen. Het kabinet baseert dan ook geen beleid op onderzoeken die door de tabaksindustrie
zijn gefinancierd.
Vraag 7
Acht u het wenselijk dat ondernemingen die direct of indirect verbonden zijn aan de
tabaksindustrie een positie verwerven binnen het Nederlandse wietexperiment? Zo ja,
waarom? Zo nee, welke mogelijkheden ziet u om dergelijke betrokkenheid te beperken?
Antwoord 7
Bij de opzet van het experiment is ervoor gekozen de markt vrij te laten aan telers
en coffeeshops. Daarbij past dat elke legale commerciële partij die voldoet aan de
gestelde eisen en criteria, in aanmerking kan komen voor een aanwijzing als teler.
Om negatieve effecten vanwege commerciële belangen zoveel mogelijk te voorkomen, zijn
binnen het wietexperiment verschillende waarborgen en preventiemaatregelen getroffen,
zoals toegelicht in de beantwoording van vraag 4. Verder geldt dat het wettelijk kader
geen bepaling bevat die deelname uitsluit op basis van de achtergrond van aandeelhouders,
zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1. Tegelijkertijd is het wietexperiment
gestart om gehoor te geven aan de problemen die burgemeesters ervaren met het huidige
gedoogbeleid. Het kabinet vindt het daarom belangrijk om te onderzoeken wat de effecten
zijn van een gereguleerde cannabisketen op volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid.
Dat helpt bij het besluit over het vervolg van het cannabisbeleid. Het kabinet heeft
daarom in het coalitieakkoord afgesproken om het wietexperiment voort te zetten, en,
zoals in het wettelijk kader is vastgelegd ook te evalueren. Op basis van de uitkomsten
worden de vervolgstappen bepaald.
Vraag 8
Hoe verhoudt de betrokkenheid van de tabaksindustrie bij deelnemende telers zich volgens
u tot de doelstellingen van het wietexperiment op het gebied van volksgezondheid,
verslavingspreventie en het terugdringen van de illegale markt?
Antwoord 8
Het kabinet beoogt met het wietexperiment inzicht te krijgen in de vraag of het mogelijk
is om een gesloten, gereguleerde cannabisketen te creëren en welke effecten dit heeft
op de volksgezondheid, criminaliteit en veiligheid. De effecten worden inzichtelijk
gemaakt door het onafhankelijk onderzoeksconsortium en zullen het gesprek over de
toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid verder brengen. Er zijn binnen het wietexperiment
geen doelen geformuleerd ten aanzien van verslavingspreventie of het terugdringen
van de illegale markt, het experiment is een exploratief onderzoek.
Vraag 9
Bent u bereid te onderzoeken of, analoog aan artikel 5.3 van het WHO-Kaderverdrag
inzake tabaksontmoediging, aanvullende waarborgen nodig zijn om invloed van de tabaksindustrie
op het Nederlandse cannabisbeleid en het wietexperiment te voorkomen? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 9
Artikel 5.3 van WHO-Kaderverdrag inzake tabaksontmoediging is niet van toepassing
op het wietexperiment. De reden hiervoor is dat cannabis(producten) niet als legale
producten worden aangemerkt. De Wet Experiment gesloten coffeeshopketen regelt in
essentie dat de aangewezen telers uitgezonderd zijn van de strafbaarstelling onder
de Opiumwet, mits zij voldoen aan de in het wietexperiment opgenomen eisen. De cannabisproducten
die geproduceerd worden binnen het wietexperiment blijven echter nog steeds onder
de Opiumwet vallen en zijn daardoor nog steeds illegaal. Hieruit volgt dat de Tabaks-
en rookwarenwet en de Tabaksproductenrichtlijn niet van toepassing zijn op de producten
die binnen dit experiment worden verkocht. Daarbij past de conclusie dat internationale
verplichtingen ook niet van toepassing zijn.
Dat neemt niet weg dat het kabinet de zorgen die hierover leven serieus neemt. De
tabaksindustrie draagt niet bij aan de volksgezondheid met de verkoop van verslavende
producten als tabak, sigaretten en vapes. Bovendien kenmerkt deze industrie zich door
marketing- en lobbyactiviteiten die schadelijk zijn gebleken voor de volksgezondheid.
Naast de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die
door het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de
beleidsmatig geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het
Nederlandse cannabisbeleid. Het kabinet is van mening dat de huidige kennis over en
ervaring met de tabaksindustrie onderdeel van dit gesprek is en zal moeten worden
betrokken bij het vormgeven van het toekomstige cannabisbeleid.
Vraag 10
Kunt u uitsluiten dat partijen die direct of indirect verbonden zijn aan de tabaksindustrie
via deelnemende telers invloed kunnen uitoefenen op de toekomstige vormgeving van
het cannabisbeleid na afloop van het experiment? Zo nee, welke risico’s ziet u daarin?
Antwoord 10
De risico’s voor het uitoefenen van invloed op de toekomstige vormgeving van het cannabisbeleid
acht het kabinet klein. Aangezien met name de onderzoeksresultaten over de effecten
van de gesloten, gereguleerde cannabisketen die door het onafhankelijk onderzoeksconsortium
in kaart worden gebracht en het eindverslag van de onafhankelijke begeleidingscommissie
de basis hiervoor vormen.
Vraag 11
Welke wettelijke en contractuele mogelijkheden bestaan er momenteel om eisen te stellen
aan investeerders, aandeelhouders of uiteindelijk belanghebbenden van deelnemers aan
het wietexperiment?
Antwoord 11
Het wettelijk kader bevat geen bepaling die deelname uitsluit op basis van de achtergrond
van aandeelhouders, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 1.
Vraag 12
Bent u bereid te bezien of deze mogelijkheden moeten worden aangescherpt om betrokkenheid
van de tabaksindustrie te voorkomen?
Antwoord 12
Nee. Het kabinet ziet op dit moment geen aanleiding voor aanvullende regels. Naast
de onderzoeksresultaten over de effecten van de gereguleerde cannabisketen die door
het onafhankelijk onderzoeksconsortium in kaart worden gebracht, zijn ook de beleidsmatig
geleerde lessen van belang voor het gesprek over de toekomst van het Nederlandse cannabisbeleid.
Het kabinet is van mening dat de samenhang tussen het tabaks- en cannabisbeleid hier
onderdeel van is en zal moeten worden betrokken bij het toekomstige cannabisbeleid.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.